Werkgroepen Romeins Recht
Week 1
WG docent: normaal Max, nu Jan Eijsbouts.
Persoonlijke en zakelijke rechten
Zakelijke rechten: rechten die rusten op een zaak, bijv. eigendom op een reader. Blijft kleven op de
reader, maakt niet uit waar de reader zich bevindt. Kan je tegen eenieder inroepen/ geldig maken.
Het recht dat op die zaak rust volgt de zaak ook (zaaksgevolg / droit de suite). Wordt ook wel
absoluut recht genoemd.
Persoonlijke rechten: rechten die je hebt tegen een bepaalde persoon, door het sluiten van een
verbintenis. Consequentie: kan je alleen inroepen tegen de persoon met wie jij de verbintenis hebt
gesloten. Belangrijke regel: verbintenissen gelden alleen tussen partijen.
Als A een huurovereenkomst sluit met B, is dat een persoonlijke verbintenis voor betalen en huis
beschikbaar stellen. Als A een zakelijk recht vestigt, bijv. erfpacht, is verschil moeilijk te zien tussen
de twee. Wordt lastiger als er een derde in het spel komt. Vooral bij opvolging onder bijzondere titel.
Opvolging onder algemene titel (OOAT): het hele vermogen gaat over naar een andere persoon,
zowel plichten als rechten (bij fusie, splitsing en meest belangrijk: erfopvolging). Treedt in schoenen
van de erflater.
Opvolging onder bijzondere titel: een bepaald deel van het vermogen gaan over, bijv. bij overdracht.
A sluit ovk met B tot levering – B krijgt goed door overdracht.
OOAT: A sluit huurovereenkomst met B, maar A overlijdt. In plaats A treedt C op als erfgenaam. C
volgt A op onder algemene titel, treedt in schoenen en wordt dus geacht een ov te hebben met B.
Bij erfpacht: naast het feit persoonlijke rechten tegenover elkaar, heeft C ook een zakelijk recht op B.
verschil hier niet super duidelijk. Maar bij bijzonder wel.
OOBT: A heeft huurovereenkomst met B, maar A verkoopt en levert aan C. C krijgt eigendom door
oobt. Kan C dan huur vorderen van B? Nee, want verbintenissen geldt tussen partijen en vanwege
bijzondere titel treedt C niet in voetsporen A.
Bij erfpacht: jegens B erfpacht op grond A. A levert en verkoopt grond aan C. Omdat er een zakelijk
recht rust op de grond, kan B nog steeds de zakelijke rechten die jegens hem zijn gevestigd, inroepen
tegenover C.
Vraag 1: D. Tussen A en C is niks afgesproken en C heeft geen zakelijk recht op de auto, alleen een
persoonlijk recht jegens B. (Eigendomsrecht is een zakelijk recht, hier blijft eigendom bij B. Als B had
verkocht en geleverd aan C, dan had hij wel zakelijk recht en kon vorderen).
Vraag 2: D. Stap 1: wie contracteert met wie? A verkoopt huis aan B. A verkoopt en levert huis aan C.
A heeft wel eerder ovk met B gesloten, maar pas bij ovk met C de eigendom overgedragen. B heeft
persoonlijk recht tegenover A – waar is mijn huis.
Object en subject van de verbintenis.
Object = wat de partijen met elkaar afspreken. Je hebt geven/maken/presteren en instaan (borg).
Subject = de persoon, wie sluiten de ovk. Je hebt actieve zijde (crediteur) en passieve zijde (debiteur).
Romeinen: in klassieke deb/cred relatie zijn alleen die personen gebonden.
Kan een derde bevrijdend betalen? Regel: ieder kan de schuld van een debiteur bij een crediteur
voldoen. Uitzondering: als verbintenis hoogstpersoonlijk is (bijv. bij schilderij aan schilder vragen).
,Kan de debiteur bevrijdend betalen aan iedere crediteur? Nee. Alleen als A (crediteur) aan B
(debiteur) de opdracht heeft gegeven om aan C (andere crediteur) te betalen. Of bij bekrachtiging; B
heeft aan C geleverd en A dat goed vindt (want was misschien ook nog wat schuldig aan C).
Vraag 3: A. Stap 1: wie heeft met wie gecontracteerd? A en B hebben ovk voor 50.000. A heeft schuld
bij C van 50.000. B betaalt ten behoeve van A 50.000 aan C. Kan, want iedereen kan schuld voldoen.
Vraag 4: C. D heeft vordering tov E. D geeft opdracht om aan F te betalen. E treft G en betaalt aan G,
denkend dat het F is. E heeft pech, want heeft niet aan opdracht voldaan om aan F te betalen.
(We gaan hier uit van Romeins recht, niet van Nederlands recht. Dus niet te goeder trouw en dus
bevrijdend betaald, want dat is Nls).
Verbintenis heeft een object en een subject. Is in principe vormvrij.
Alternatieve verbintenis: A heeft met B een afspraak tot het leveren van iets OF iets anders. Van te
voren is niet overeengekomen wat er geleverd moet worden. Is niet een eenzijdige verplichting die
ontstaat uit de ovk. Er kan een keuze gemaakt worden; door crediteur, door debiteur en ook door
een derde. Op voorhand staat niet vast wat het is. Kan ook termijn worden gesteld, bijv.: je hebt een
week om te kiezen wat je wilt leveren, daarna kies ik. Als 1 van de twee prestaties onmogelijk wordt
door overmacht (koe overlijdt), dan is B verplicht om de tweede optie (paard) te leveren.
Facultatieve verbintenis: de eerste verplichting staat vast. A sluit ovk met B waarin B zich verplicht tot
het leveren van een zak graan. B kan uit eigen beweging zeggen: ik geef jou ipv graan een zak hooi.
Komt nauwelijks voor, behalve in 1 geval: noksale aansprakelijkheid (week 4) – heeft betrekking tot
schadetoebrengende voorwaarden. Als slaaf A schade had toegebracht aan B, kon A de schade
vergoeden of slaaf geven aan B.
Vraag 5: B. A heeft ovk met B tot leveren 1 van 2 veulens. A heeft de keuze. 1 van de veulens gaat
dood. A is dan verplicht om het tweede veulen te leveren. A heeft verbintenis om een paard te
leveren, maar het is nog niet duidelijk welk paard. Dat ene paard dood gaat betekent niet dat er niet
meer gepresteerd moet worden.
Hoofdelijkheid: bij meerdere subjecten. Debiteuren (schuldenaren): A en B zijn hoofdelijk debiteur
van een geldvordering aan C, namelijk 10.000 HS. A en B kunnen allebei los van elkaar voor de gehele
schuld worden aangesproken door C. Als 1 van de 2 10.000 betaalt aan C, is de ander bevrijdt van de
betaling aan C. Crediteuren (schuldeisers): A en B zijn allebei hoofdelijke crediteuren van C voor
10.000 HS. A en B kunnen allebei die 10.000 van C vorderen. C heeft niks te maken met wat zij
onderling met elkaar afspreken.
Deelbaarheid/ondeelbaarheid: ziet op de prestatie/verplichting.
Deelbaar: A is verplicht om 10.000 te betalen aan B. A gaat dood en laat 2 erfgenamen achter,
namelijk C en D. C en D volgen op onder algemene titel: zij treden in in het vermogen van A (alle
goederen; zowel vorderingen als schulden). Prestatie betalen van 10.000 is deelbaar, dus dan wordt
die prestatie van rechtswege gesplitst onder de erfgenamen (dus C en D allebei 5.000). Regel: als
deelbare prestatie, dan wordt deze op het moment van overlijden van rechtswege verdeeld.
Ondeelbaar: A is verplicht om een veulen te leveren een B. Veulen is niet deelbaar. Regel: bij
ondeelbare prestatie treedt hoofdelijkheid op. Consequentie: zowel C als D kunnen gehouden
worden tot het leveren van een heel veulen.
Vraag 6: C. A en B zijn hoofdelijk crediteur van C, dus kunnen allebei volledige verplichting vorderen
bij C. A en B hebben intern afgesproken dat alleen B het geld krijgt. A vordert afgifte van C. C heeft
niks te maken met de afspraak tussen A en B.
, Vraag 7: B. G leent 10.000 uit aan N en O. N overlijdt en heeft 2 erfgenamen: P en Q. Er is
hoofdelijkheid tussen O en N – dus beide moeten 10.000 betalen aan G. N overlijdt, 10.000 is
deelbaar, dus P en Q kunnen allebei voor 5.000 worden aangesproken.
Stel het is geen 10.000, maar het leveren van een kar. Dan ondeelbaar, val je terug op hoofdelijkheid,
dan kan je zowel bij O, P en Q om de kar vragen.
Week 2
Max Grapperhaus (?)
Romeins recht is bakermat van ons rechtssysteem.
Slotvraag week 1
Belangrijke rechtsfeiten:
(A en C hadden rechtsverband, C was inningsbevoegd voor A, maar dat is ten einde gekomen)
B is een debiteur van A voor 10.000 HS (A is crediteur) – verbintenis tussen 2 partijen = A en
B zijn gebonden;
C gaat naar B met valse machtiging, vordert schuld bij A van B
B betaalt C
A vordert betaling van B
Verbintenissen gelden alleen tussen partijen.
Betaling aan een derde bevrijdt niet, tenzij bekrachtigd of vooraf opdracht gegeven. Een derde kan
wel als debiteur optreden, maar je kan als debiteur niet aan een andere crediteur betalen. B moet
alsnog aan A betalen.
Subjecten verbintenissen zijn B en A, de partijen. B is passieve zijde (debiteur) en A actieve zijde
(crediteur). Object = voldoen van 10.000 HS.
Deze week over: hoe subjecten verbintenis kunnen vormgeven.
Ontstaanswijzen verbintenissen, zijn generaal in 2 categorieën worden opgesplitst:
Rechtshandeling – handelingen waarbij sprake van contract, consensus >
wilsovereenstemming (‘meeting of minds’), handeling beoogd op een rechtsgevolg.
o Wederkerige overeenkomsten – twee verbintenissen staan tegenover elkaar, A doet
iets voor B en B doet iets voor A;
o Onvolmaakt wederkerige overeenkomsten – voorbeeld is lastgeving; je komt
overeen dat A op het huis van B past, maar daarbij wordt wel opgenomen dat op het
moment dat A daarvoor kosten maakt (schoonmaakkosten), dan ontstaat
wederkerigheid omdat B de kosten aan A moet voldoen. Maar zolang geen kosten
ontstaan hoeft B niks terug te doen.
o Eenzijdige overeenkomsten – komt terug in week 5; stipulatie.
Overige handelingen – handelingen die niet zien op een rechtsgevolg, enkel handelingen die
tot gevolg hebben dat er een verbintenis ontstaat. Gevolg is niet beoogd, maar er ontstaat
wel een verbintenis. Zijn rechtsfeiten.
o Onrechtmatige rechtsfeiten; onrechtmatige daad & delict
o Rechtmatige rechtsfeiten; zaakwaarneming & onverschuldigde betaling
Verschil verbintenis en overeenkomst: bij ovk sowieso rechtshandeling, ovk is bron voor
verbintenissen. Maar ook overige handelingen zijn bron verbintenissen.
Wilsgebreken
Dwang – mes op je keel om rode pen over te dragen, lijkt misschien wel
wilsovereenstemming omdat je op dat moment wil overdragen, maar is gebrek
Bedrog – wordt gezegd dat pen meer waard is
Week 1
WG docent: normaal Max, nu Jan Eijsbouts.
Persoonlijke en zakelijke rechten
Zakelijke rechten: rechten die rusten op een zaak, bijv. eigendom op een reader. Blijft kleven op de
reader, maakt niet uit waar de reader zich bevindt. Kan je tegen eenieder inroepen/ geldig maken.
Het recht dat op die zaak rust volgt de zaak ook (zaaksgevolg / droit de suite). Wordt ook wel
absoluut recht genoemd.
Persoonlijke rechten: rechten die je hebt tegen een bepaalde persoon, door het sluiten van een
verbintenis. Consequentie: kan je alleen inroepen tegen de persoon met wie jij de verbintenis hebt
gesloten. Belangrijke regel: verbintenissen gelden alleen tussen partijen.
Als A een huurovereenkomst sluit met B, is dat een persoonlijke verbintenis voor betalen en huis
beschikbaar stellen. Als A een zakelijk recht vestigt, bijv. erfpacht, is verschil moeilijk te zien tussen
de twee. Wordt lastiger als er een derde in het spel komt. Vooral bij opvolging onder bijzondere titel.
Opvolging onder algemene titel (OOAT): het hele vermogen gaat over naar een andere persoon,
zowel plichten als rechten (bij fusie, splitsing en meest belangrijk: erfopvolging). Treedt in schoenen
van de erflater.
Opvolging onder bijzondere titel: een bepaald deel van het vermogen gaan over, bijv. bij overdracht.
A sluit ovk met B tot levering – B krijgt goed door overdracht.
OOAT: A sluit huurovereenkomst met B, maar A overlijdt. In plaats A treedt C op als erfgenaam. C
volgt A op onder algemene titel, treedt in schoenen en wordt dus geacht een ov te hebben met B.
Bij erfpacht: naast het feit persoonlijke rechten tegenover elkaar, heeft C ook een zakelijk recht op B.
verschil hier niet super duidelijk. Maar bij bijzonder wel.
OOBT: A heeft huurovereenkomst met B, maar A verkoopt en levert aan C. C krijgt eigendom door
oobt. Kan C dan huur vorderen van B? Nee, want verbintenissen geldt tussen partijen en vanwege
bijzondere titel treedt C niet in voetsporen A.
Bij erfpacht: jegens B erfpacht op grond A. A levert en verkoopt grond aan C. Omdat er een zakelijk
recht rust op de grond, kan B nog steeds de zakelijke rechten die jegens hem zijn gevestigd, inroepen
tegenover C.
Vraag 1: D. Tussen A en C is niks afgesproken en C heeft geen zakelijk recht op de auto, alleen een
persoonlijk recht jegens B. (Eigendomsrecht is een zakelijk recht, hier blijft eigendom bij B. Als B had
verkocht en geleverd aan C, dan had hij wel zakelijk recht en kon vorderen).
Vraag 2: D. Stap 1: wie contracteert met wie? A verkoopt huis aan B. A verkoopt en levert huis aan C.
A heeft wel eerder ovk met B gesloten, maar pas bij ovk met C de eigendom overgedragen. B heeft
persoonlijk recht tegenover A – waar is mijn huis.
Object en subject van de verbintenis.
Object = wat de partijen met elkaar afspreken. Je hebt geven/maken/presteren en instaan (borg).
Subject = de persoon, wie sluiten de ovk. Je hebt actieve zijde (crediteur) en passieve zijde (debiteur).
Romeinen: in klassieke deb/cred relatie zijn alleen die personen gebonden.
Kan een derde bevrijdend betalen? Regel: ieder kan de schuld van een debiteur bij een crediteur
voldoen. Uitzondering: als verbintenis hoogstpersoonlijk is (bijv. bij schilderij aan schilder vragen).
,Kan de debiteur bevrijdend betalen aan iedere crediteur? Nee. Alleen als A (crediteur) aan B
(debiteur) de opdracht heeft gegeven om aan C (andere crediteur) te betalen. Of bij bekrachtiging; B
heeft aan C geleverd en A dat goed vindt (want was misschien ook nog wat schuldig aan C).
Vraag 3: A. Stap 1: wie heeft met wie gecontracteerd? A en B hebben ovk voor 50.000. A heeft schuld
bij C van 50.000. B betaalt ten behoeve van A 50.000 aan C. Kan, want iedereen kan schuld voldoen.
Vraag 4: C. D heeft vordering tov E. D geeft opdracht om aan F te betalen. E treft G en betaalt aan G,
denkend dat het F is. E heeft pech, want heeft niet aan opdracht voldaan om aan F te betalen.
(We gaan hier uit van Romeins recht, niet van Nederlands recht. Dus niet te goeder trouw en dus
bevrijdend betaald, want dat is Nls).
Verbintenis heeft een object en een subject. Is in principe vormvrij.
Alternatieve verbintenis: A heeft met B een afspraak tot het leveren van iets OF iets anders. Van te
voren is niet overeengekomen wat er geleverd moet worden. Is niet een eenzijdige verplichting die
ontstaat uit de ovk. Er kan een keuze gemaakt worden; door crediteur, door debiteur en ook door
een derde. Op voorhand staat niet vast wat het is. Kan ook termijn worden gesteld, bijv.: je hebt een
week om te kiezen wat je wilt leveren, daarna kies ik. Als 1 van de twee prestaties onmogelijk wordt
door overmacht (koe overlijdt), dan is B verplicht om de tweede optie (paard) te leveren.
Facultatieve verbintenis: de eerste verplichting staat vast. A sluit ovk met B waarin B zich verplicht tot
het leveren van een zak graan. B kan uit eigen beweging zeggen: ik geef jou ipv graan een zak hooi.
Komt nauwelijks voor, behalve in 1 geval: noksale aansprakelijkheid (week 4) – heeft betrekking tot
schadetoebrengende voorwaarden. Als slaaf A schade had toegebracht aan B, kon A de schade
vergoeden of slaaf geven aan B.
Vraag 5: B. A heeft ovk met B tot leveren 1 van 2 veulens. A heeft de keuze. 1 van de veulens gaat
dood. A is dan verplicht om het tweede veulen te leveren. A heeft verbintenis om een paard te
leveren, maar het is nog niet duidelijk welk paard. Dat ene paard dood gaat betekent niet dat er niet
meer gepresteerd moet worden.
Hoofdelijkheid: bij meerdere subjecten. Debiteuren (schuldenaren): A en B zijn hoofdelijk debiteur
van een geldvordering aan C, namelijk 10.000 HS. A en B kunnen allebei los van elkaar voor de gehele
schuld worden aangesproken door C. Als 1 van de 2 10.000 betaalt aan C, is de ander bevrijdt van de
betaling aan C. Crediteuren (schuldeisers): A en B zijn allebei hoofdelijke crediteuren van C voor
10.000 HS. A en B kunnen allebei die 10.000 van C vorderen. C heeft niks te maken met wat zij
onderling met elkaar afspreken.
Deelbaarheid/ondeelbaarheid: ziet op de prestatie/verplichting.
Deelbaar: A is verplicht om 10.000 te betalen aan B. A gaat dood en laat 2 erfgenamen achter,
namelijk C en D. C en D volgen op onder algemene titel: zij treden in in het vermogen van A (alle
goederen; zowel vorderingen als schulden). Prestatie betalen van 10.000 is deelbaar, dus dan wordt
die prestatie van rechtswege gesplitst onder de erfgenamen (dus C en D allebei 5.000). Regel: als
deelbare prestatie, dan wordt deze op het moment van overlijden van rechtswege verdeeld.
Ondeelbaar: A is verplicht om een veulen te leveren een B. Veulen is niet deelbaar. Regel: bij
ondeelbare prestatie treedt hoofdelijkheid op. Consequentie: zowel C als D kunnen gehouden
worden tot het leveren van een heel veulen.
Vraag 6: C. A en B zijn hoofdelijk crediteur van C, dus kunnen allebei volledige verplichting vorderen
bij C. A en B hebben intern afgesproken dat alleen B het geld krijgt. A vordert afgifte van C. C heeft
niks te maken met de afspraak tussen A en B.
, Vraag 7: B. G leent 10.000 uit aan N en O. N overlijdt en heeft 2 erfgenamen: P en Q. Er is
hoofdelijkheid tussen O en N – dus beide moeten 10.000 betalen aan G. N overlijdt, 10.000 is
deelbaar, dus P en Q kunnen allebei voor 5.000 worden aangesproken.
Stel het is geen 10.000, maar het leveren van een kar. Dan ondeelbaar, val je terug op hoofdelijkheid,
dan kan je zowel bij O, P en Q om de kar vragen.
Week 2
Max Grapperhaus (?)
Romeins recht is bakermat van ons rechtssysteem.
Slotvraag week 1
Belangrijke rechtsfeiten:
(A en C hadden rechtsverband, C was inningsbevoegd voor A, maar dat is ten einde gekomen)
B is een debiteur van A voor 10.000 HS (A is crediteur) – verbintenis tussen 2 partijen = A en
B zijn gebonden;
C gaat naar B met valse machtiging, vordert schuld bij A van B
B betaalt C
A vordert betaling van B
Verbintenissen gelden alleen tussen partijen.
Betaling aan een derde bevrijdt niet, tenzij bekrachtigd of vooraf opdracht gegeven. Een derde kan
wel als debiteur optreden, maar je kan als debiteur niet aan een andere crediteur betalen. B moet
alsnog aan A betalen.
Subjecten verbintenissen zijn B en A, de partijen. B is passieve zijde (debiteur) en A actieve zijde
(crediteur). Object = voldoen van 10.000 HS.
Deze week over: hoe subjecten verbintenis kunnen vormgeven.
Ontstaanswijzen verbintenissen, zijn generaal in 2 categorieën worden opgesplitst:
Rechtshandeling – handelingen waarbij sprake van contract, consensus >
wilsovereenstemming (‘meeting of minds’), handeling beoogd op een rechtsgevolg.
o Wederkerige overeenkomsten – twee verbintenissen staan tegenover elkaar, A doet
iets voor B en B doet iets voor A;
o Onvolmaakt wederkerige overeenkomsten – voorbeeld is lastgeving; je komt
overeen dat A op het huis van B past, maar daarbij wordt wel opgenomen dat op het
moment dat A daarvoor kosten maakt (schoonmaakkosten), dan ontstaat
wederkerigheid omdat B de kosten aan A moet voldoen. Maar zolang geen kosten
ontstaan hoeft B niks terug te doen.
o Eenzijdige overeenkomsten – komt terug in week 5; stipulatie.
Overige handelingen – handelingen die niet zien op een rechtsgevolg, enkel handelingen die
tot gevolg hebben dat er een verbintenis ontstaat. Gevolg is niet beoogd, maar er ontstaat
wel een verbintenis. Zijn rechtsfeiten.
o Onrechtmatige rechtsfeiten; onrechtmatige daad & delict
o Rechtmatige rechtsfeiten; zaakwaarneming & onverschuldigde betaling
Verschil verbintenis en overeenkomst: bij ovk sowieso rechtshandeling, ovk is bron voor
verbintenissen. Maar ook overige handelingen zijn bron verbintenissen.
Wilsgebreken
Dwang – mes op je keel om rode pen over te dragen, lijkt misschien wel
wilsovereenstemming omdat je op dat moment wil overdragen, maar is gebrek
Bedrog – wordt gezegd dat pen meer waard is