Inhoudsopgave
Week 2 het gedragskundig onderzoek pro justitia...........................................3
Hoofdstuk 1.................................................................................................................... 3
Hoofdstuk 18................................................................................................................ 10
Week 3 psychotische stoornissen..................................................................13
Hoofdstuk 4.................................................................................................................. 13
Hoofdstuk 19................................................................................................................ 19
Week 4 Stemmingsstoornissen, PTSS en suïcidaal gedrag..............................23
Hoofdstuk 5.................................................................................................................. 23
Hoofdstuk 6.................................................................................................................. 29
Hoofdstuk 12................................................................................................................ 33
Week 5 Neurocognitieve stoornissen, verslavingsstoornissen en forensische
zorg en interventies.....................................................................................37
Hoofdstuk 3.................................................................................................................. 37
Hoofdstuk 9.................................................................................................................. 41
Hoofdstuk 26................................................................................................................ 46
Week 6 Gedwongen zorg...............................................................................53
Hoofdstuk 2.................................................................................................................. 53
Hoofdstuk 22................................................................................................................ 59
Hoofdstuk 23................................................................................................................ 63
Week 7 Autismespectrumstoornis, parafiele stoornissen, behandeling van
zedendelinquenten, libidoremmende middelen bij de behandeling van
zedendelinquenten.......................................................................................69
Hoofdstuk 14................................................................................................................ 69
Hoofdstuk 10................................................................................................................ 74
Hoofdstuk 28 en bijlage................................................................................................77
Week 8 Instagram moord documentaire en uitspraak.....................................82
Hof den bosch, ECLI:NL:GHSHE:2025:3549...................................................................82
Week 9 Agressie en gedragsstoornissen........................................................85
Hoofdstuk 11................................................................................................................ 85
Hoofdstuk 27................................................................................................................ 88
1
,Week 10 Persoonlijkheidsstoornissen............................................................93
Hoofdstuk 13................................................................................................................ 93
Hoofdstuk 15................................................................................................................ 97
Week 11 Risicotaxatie, Stalking, Brandstichting...........................................100
Hoofdstuk 20 en de bijlage.........................................................................................100
Hoofdstuk 29.............................................................................................................. 104
2
,Week 2 het gedragskundig onderzoek pro justitia
Hoofdstuk 1
In dit hoofdstuk wordt toegewerkt naar een definitie van het begrip
psychiatrische stoornis en naar een beschrijving van de psychiatrische
diagnostiek. Uitgangspunt is dat psychiatrische stoornissen, stoornissen zijn in
psychische functies van de hersenen, die zich uiten in psychische klachten en
verschijnselen en in de diagnostiek als symptomen worden vastgesteld.
Diagnostiek is daarbij niet alleen gericht op het vaststellen van de stoornis, maar
ook op het achterhalen van mogelijke oorzaken, gevolgen en passende
behandeling, waarna classificatie plaatsvindt aan de hand van een internationaal
classificatiesysteem. Tegelijk wordt benadrukt dat in de psychiatrie zowel een
materiewetenschappelijke als een betekeniswetenschappelijke methode van
onderzoek en behandeling wordt gebruikt.
Het hoofdstuk begint met de vraag wat een psychiatrische ziekte is. Daarbij
wordt eerst uiteengezet dat het onderscheid tussen lichamelijk en psychisch in
zekere zin kunstmatig is. Psychiatrische ziekten worden weliswaar gekenmerkt
door psychische klachten en verschijnselen, zoals verwardheid,
geheugenproblemen, hallucinaties, wanen, somberheid, angst, impulsief gedrag
en verslaving, maar zij kunnen ook gepaard gaan met lichamelijke klachten, zoals
moeheid, energieverlies, obstipatie, hartkloppingen, transpireren of buikpijn.
Omgekeerd hebben lichamelijke klachten steeds ook een psychische component.
Het praktische onderscheid tussen lichamelijke en psychiatrische ziekten is
daarom vooral een kwestie van afspraak. Sommige ziektebeelden bevinden zich
op het grensvlak, zoals dementie, dat neurologische oorzaken kan hebben maar
vooral psychiatrische symptomen kan vertonen. Een eerste voorlopige conclusie
luidt dan ook dat een psychiatrische ziekte een ziekte is met psychische klachten
en/of verschijnselen.
Vervolgens wordt het onderscheid tussen ziek en gezond besproken. Voor
psychiatrische ziekten geldt in beginsel hetzelfde criterium als voor lichamelijke
ziekten: er moet sprake zijn van lijdensdruk en/of sociaal disfunctioneren. Tegelijk
wordt onderstreept dat psychische klachten en verschijnselen ook tot het
normale leven behoren en dat de grens tussen gezondheid en ziekte dus niet
scherp is. De beoordeling of psychische klachten als tekenen van psychiatrische
ziekte moeten worden gezien, is mede afhankelijk van sociale en culturele
normen. Psychiatrie is daarmee niet waardevrij. Wat in de ene cultuur of tijd als
normaal of zelfs deugdzaam wordt beschouwd, kan elders of later als stoornis
gelden. Het waardeaspect werkt door in de definitie: een psychiatrische ziekte is
een ziekte met psychische klachten en/of verschijnselen die gepaard gaat met
significante lijdensdruk of beperkingen in het sociaal functioneren.
Daarna wordt het onderscheid tussen ziekte en stoornis uitgewerkt via het begrip
psychische functies. De hersenen worden beschreven als het orgaan waarmee
het individu zich aanpast aan de eisen van de omgeving. Informatie van buiten
en van binnen het lichaam wordt waargenomen, getoetst aan eerdere
ervaringen, gewaardeerd en beoordeeld, en vertaalt zich vervolgens in reflexen,
3
, motoriek of doelgericht handelen. Traditioneel wordt onderscheid gemaakt tussen
neurologische functies en psychische functies. Psychische functies zijn complexer
en niet op één plaats in de hersenen te lokaliseren. Binnen de Europese
filosofische traditie worden zij ingedeeld in drie hoofdgroepen: denken, voelen en
willen; in de psychiatrie aangeduid als cognitieve, affectieve en conatieve
functies. Op grond van deze driedeling wordt de uiteindelijke definitie gegeven:
een psychiatrische stoornis is een stoornis in de cognitieve, affectieve en/of
conatieve functies, die gepaard gaat met significante lijdensdruk of beperkingen
in het sociaal functioneren.
Daarbij wordt het probleem van aantoonbaarheid besproken. Bij ernstig
abnormaal functioneren van de hersenen, waardoor informatieverwerking en
gedragssturing ernstig zijn verstoord, is het gerechtvaardigd om van ziekte te
spreken. Bij ernstige psychiatrische ziekten, zoals schizofrenie en ernstige
depressies, is het aannemelijk dat ontregelingen in hersenprocessen aanwezig
zijn. Anders dan in de neurologie is het echter nog niet mogelijk deze
veranderingen en hun oorzaken objectief vast te stellen, bijvoorbeeld met
beeldvormend onderzoek. Bij minder ernstige psychiatrische stoornissen is dat
nog moeilijker. Daarom spelen subjectieve ervaringen en sociaal disfunctioneren
een belangrijke rol en spreekt men in de psychiatrie doorgaans niet van ziekten
maar van stoornissen.
Het hoofdstuk geeft vervolgens definities van een aantal psychische functies. Tot
de cognitieve functies behoren bewustzijn, aandacht, oriëntatie, geheugen,
oordeelsvermogen, realiteitsbesef, ziektebesef en ziekte-inzicht, intelligentie,
waarneming en denken. Bewustzijn is de toestand van besef van zichzelf en van
de omgeving; aandacht het vermogen zich te richten op of gericht te blijven op
een ervaring of activiteit; oriëntatie het vermogen zichzelf te situeren in tijd,
ruimte, ten opzichte van anderen en van de eigen persoon; geheugen het
vermogen nieuwe informatie vast te houden, op te slaan en oude informatie te
reproduceren; oordeelsvermogen het vermogen eigen mogelijkheden en
beperkingen in te schatten, normbesef te hebben, de sociale situatie correct te
beoordelen en passende doelen met sociaal aanvaardbare middelen na te
streven; realiteitsbesef het vermogen onderscheid te maken tussen externe
werkelijkheid en eigen denkbeelden en fantasieën; ziektebesef en ziekte-inzicht
de mate waarin iemand besef heeft van de stoornis, van aard en oorzaken
daarvan en van de noodzaak van professionele hulp; intelligentie het vermogen
vergaarde kennis en ervaring rationeel te gebruiken in nieuwe situaties;
waarneming het via de zintuigen verkrijgen van informatie uit omgeving en eigen
lichaam, waarbij materiële informatie wordt omgezet in psychische informatie;
denken een doelgerichte, logisch geordende reeks van voorstellingen, ideeën,
symbolen, metaforen en associaties die leidt tot een op de werkelijkheid gerichte
conclusie. Tot de affectieve functies behoren stemming, de door de betrokkene
ervaren grondtoon van het gevoelsleven, en affect, de zichtbare en hoorbare
expressie van emotionele reacties. Tot de conatieve functies behoren executieve
functies, psychomotoriek, motivatie en gedrag. Executieve functies betreffen het
initiëren, in samenhang en logische volgorde uitvoeren, controleren en stoppen
van ingewikkelde handelingen; psychomotoriek betreft bewegingen die mede
4