Samenvatting Verbintenissenrecht
Week 1: Inleiding overeenkomstenrecht
De verbintenis
Verbintenis = vermogensrechtelijke rechtsbetrekking tussen 2 personen, waarbij de ene (schuldeiser,
crediteur) iets tegen de ander (schuldenaar, debiteur) te vorderen heeft en die ander dat moet presteren.
Art. 6:1 BW – verbintenissen kunnen slechts ontstaan indien dit uit de wet voortvloeit (niet perse in wet
staat). Voorbeeld: redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 en 6:248), hier kunnen verbintenissen uit voortvloeien.
Ook: 6:213 – obligatoire overeenkomst = overeenkomst waarbij een verbintenis ontstaat.
De wet kan ook via haar ‘stelsel’ (systeem) tot een verbintenis leiden. Quint/ Te Poel arrest: broers; Hein is rijk
en Hub is arm. Hub heeft huis gehuurd van Hein, laat aannemer Q veel aanpassen. Q wilde naar Hein met
rekening, maar contract was met Hub. Oud BW, was nog geen 6:212. HR: je kunt ongerechtvaardigde
verrijking toepassen, zolang het in het stelsel van de wet past en aansluit bij de wél geregelde gevallen.
De rechtshandeling en overeenkomst
Rechtshandelingen staan in Boek 3, meerzijdige rechtshandelingen (overeenkomsten) staan in Boek 6.
Art. 3:33: rechtshandeling = een op rechtsgevolg gerichte wil die zich in een verklaring heeft openbaard. De
wil is niet altijd nodig, bijv. bij gerechtvaardigd vertrouwen (art. 3:35). De wil moet op een rechtsgevolg
gericht zijn; als je met sleutel een auto bekrast, is je wil niet gericht op schadevergoeding, dus geen
rechtshandeling. Rechtshandeling is daad communicatie. Twee soorten rechtshandelingen:
Meerzijdige rechtshandeling = overeenkomst.
Eenzijdige rechtshandeling
o Gericht: de ander moet het horen (hoeft niet mee eens te zijn). Bijv. opzegging.
o Niet-gericht: bijv. testament (is niet aan een ander gericht) of erkenning van een kind.
Schenking is een meerzijdige rechtshandeling, een overeenkomst. De een wil geven en de ander ontvangen.
Grondbeginselen van rechtshandelingenrecht (en overeenkomstenrecht):
1. Contractsvrijheid
2. Consensualisme = overeenkomst ontstaat puur omdat je het eens bent (consensus)
3. Verbindende kracht = als overeenkomst is gesloten ben je gebonden
Uitzonderingen
Vormvoorschriften: art. 3:37 lid 1. Bijv. bij koop huis door particulier.
Verboden sluiten/inhoud/strekking vanwege strijd met openbare orde/ goede zeden: art. 3:40
Redelijkheid en billijkheid: 6:2, 6:248.
BW voor alle ‘soorten’ partijen, soms bijzondere regels (m.n. consument) en verder: differentiatie bij de
toepassing, door ‘hoedanigheid van partijen’. Bijv. bij dwaling (onderzoeksplicht), of bij uitleg.
Lundiform/ Mexx arrest: B2B (business to business); modebedrijf en winkelinrichter. Onenigheid over
bedingen in het contract; staat 9000 m2, maar Lundiform zei dat besproken was tot 13.000. Uitlegnorm is
Haviltex = wat men over en weer uit elkaars verklaringen mocht afleiden. Hof: bij bedrijven gaat het om
professionele partijen die hebben onderhandeld en dat nauwkeurig vastgelegd, dus grotere taalkundige
betekenis. Lundiform: wij zijn klein bedrijf zonder juridische dienst. HR: ook kijken naar tegenbewijs. Je kunt
differentiëren tussen verschillende soorten partijen.
Totstandkoming overeenkomst
Rechtshandeling in het algemeen heeft twee pijlers: wil en gerechtvaardigd vertrouwen (3:33, 3:35).
Ontvangsttheorie (3:37 lid 3) – verklaring moet de ander hebben bereikt om werking te hebben.
Aanbod en aanvaarding moeten op twee manieren op elkaar aansluiten: qua inhoud (6:225) - gaat om een
aanvaarding daarvan; ziet op het aanbod. Aanbod en aanvaarding moeten overeenstemmen, anders komt er
geen overeenkomst tot stand. En qua moment (6:219 e.v.). Het aanbod moet nog wel gelden op het moment
dat het wordt aanvaard, dus niet een aanbod een week later pas aanvaarden.
1
,Vertegenwoordiging
Volmacht: art. 3:60. A geeft volmacht aan B, B handelt ‘in naam van’ A en binnen grenzen bevoegdheid, dan
komt de overeenkomst tot stand tussen A en C en valt B ertussen uit (art. 3:66 lid 1). Geldt ook voor andere
vormen van vertegenwoordiging via schakelbepaling 3:78. ‘In naam van’ handelen betekent niet naam
noemen, maar gaat om handelen in bepaalde kwaliteit in je rol van vertegenwoordiger.
Een volmacht is een recht, geen plicht, dus de ander hoeft niks te doen. Voor verplichting: lastgeving.
Als B onbevoegd optreedt gaat 3:66 niet op en wordt de achterman niet gebonden. De tussenpersoon wordt
ook niet gebonden, want hij heeft in zijn eigen naam gehandeld. Kan wel schadeplichtig zijn op basis van 3:70:
vergoeding van de schade die de derde heeft geleden door de onbevoegde vertegenwoordiging, om te
verhalen bij de tussenpersoon. Gaat niet over of overeenkomst alsnog tot stand is gekomen.
Gerechtvaardigd vertrouwen gaat alleen op als dit door toedoen van de volmachtgever (A) is – art. 3:61 lid 2.
Fujitsu/Exel arrest: relativering ‘toedoen’ vereiste. HR: schijn kan ook toegerekend bij feiten of
omstandigheden die voor rekening van A komen én waaruit naar verkeersopvattingen de schijn van
bevoegdheid kan worden afgeleid. Toedoen van A is niet noodzakelijk.
Kribbebijter arrest: L wil een paard, Sch vertegenwoordigt en koopt bij St een paard. Paard blijkt kribbebijter
te zijn (hapt rand voederbak), maar in contract stond dat paard ‘goed, eerlijk en braaf’ was. Vraag: wie claimt
er, L of Sch? HR: kijken op wiens naam gehandeld is. Hier lastige situatie, waren samen naar paardenmarkt,
Sch voerde alle gesprekken en L stond bij. HR: kijken wat over en weer is gezegd en uit elkaars gedragingen
afgeleid mocht worden. Hier: Sch handelde in eigen naam, is zelf koper, dus kan wanprestatie-acties
ondernemen. Probleem: Sch heeft contract, maar L heeft de schade. Oplossing HR: Sch kan in eigen naam en
ten behoeve van L schadevergoeding eisen en moet het dan betalen aan L (nu: 7:419).
Precontractuele fase
Twee typen problemen bij precontractuele problemen: overeenkomst is niet ontstaan door afbreken
onderhandelingen (Plas/Valburg en CBB/JPO) & overeenkomst is wel ontstaan (De Treek/Dexia).
Baris/Riezenkamp arrest: iemand koopt project, maar blijkt later veel duurder te zijn. Verkoper: je had een
professional moeten vragen. Koper: ik ging van jouw verklaring uit. HR: door onderhandelingen kom je nader
tot elkaar, dan wordt je non-verhouding een rechtsverhouding. Je moet je dan door redelijkheid en billijkheid
laten leiden en uitgaan van gerechtvaardigde belangen van de wederpartij. Als je een overeenkomst aangaat
kan je een onderzoeksplicht hebben (als de ander niks zegt), maar als de verkoper iets verklaart mag je daar in
beginsel vanuit gaan (tenzij het absurd is, zoals 12,50 euro voor een huis).
Plas/ Valburg arrest: P is aannemer, V gemeente. V wil een zwembad, laat aannemers bieden. P heeft een
plan ingediend, burgemeester zegt dat het er goed uitziet en dat hij de goedkoopste is, dat alleen nog door
gemeenteraad moet. In de tussentijd komt er een nieuwe aanbieder met beter en goedkoper plan, die wordt
gekozen. P: je mag niet zomaar afbreken, want je moet van elkaars belangen uitgaan. Vorderde
schadevergoeding + gederfde winst. Had nog geen contract, maar als hij gekregen had was er winst gemaakt.
HR: bij onderhandelingen ontstaat een verdichtende relatie (je komt steeds dichter tot elkaar). Stadia:
1. Iedereen is nog vrij, afbreken mag (bijv. niet aanvaarden opgevraagde offerte)
2. Afbreken mag nog, maar alleen als je kostenvergoeding betaalt (vergoeding negatief contractsbelang)
3. Afbreken is in strijd met redelijkheid & billijkheid (vergoeding positief contractsbelang)
- Sprake van bij vertrouwen dat er enigerlei contract komt. Dan ook plaats voor gederfde winst.
HR: dit speelt alleen bij langere onderhandelingsperioden en de situatie kan ook heen en weer gaan (niet
alleen dichter tot elkaar, maar ook verder uit elkaar). Welke fase je zit is cruciaal bij moment afbreken.
CBB/ JPO arrest: ondernemingen bij projectontwikkeling. J zou grond kopen en doorgeven aan C, maar
gesprekken gaan slecht. C stopt met onderhandelingen, beschuldigen elkaar dat de ander meer had moeten
doen. Schadevergoeding? HR: ieder is in principe vrij om onderhandelingen af te breken (stadium 1), tenzij dat
onaanvaardbaar (hoge drempel) is in verband met totstandkomingsvertrouwen of verdere omstandigheden.
HR doet hier stapje terug van Plas/Valburg en legt meer nadruk op de contractsvrijheid. Gezichtspunten of
mag worden afgebroken: mate waarin en wijze waarop wederpartij heeft bijgedragen aan het tot stand
gekomen vertrouwen, of er onvoorziene omstandigheden waren en toch door is gegaan.
2
, De Treek/Dexia arrest: B2C (business to consumer) – ‘effectenlease’ overeenkomsten gesloten tussen banken
en consumenten. Op krediet aandelen verwerven, ging mis. Consumenten: we zijn te weinig voorgelicht en
zijn te weinig gewaarschuwd. Banken hadden moeten onderzoeken of wij dit wel aankonden. HR: bank is in
zo’n situatie bij uitstek de deskundige en heeft een bijzondere zorgplicht om de consument te beschermen
tegen zijn eigen lichtvaardigheid en ondeskundigheid. Volgt uit redelijkheid en billijkheid, reikwijdte hangt af
van omstandigheden. In het algemeen schadevergoedingsplicht voor bank (met aftrek wegens eigen schuld).
Geen vernietiging wegens dwaling, want dan zouden alle contracten vernietigd kunnen worden.
Werkgroep
Verbintenissen zijn opgesplitst in 2 delen:
1. Rechtshandelingen & overeenkomsten
2. Verbintenissen uit de wet (OR, ongerechtvaardigde verrijking, onverschuldigde betaling)
Gelaagde structuur BW van algemeen naar specifiek:
1. Rechtshandelingen – art. 3:32 e.v.
2. Obligatoire overeenkomsten – art. 6:213 e.v.
3. Wederkerige overeenkomsten – art. 6:261 e.v.
4. Koopovereenkomsten – art. 7:1 e.v.
Rechtshandelingen komen tot stand door art. 3:33. Twee situaties denkbaar:
De wil stemt overeen met de verklaring: iemand wil iets en verklaart dat ook rechtshandeling.
De wil stemt niet overeen met de verklaring: iemand wil iets, maar verklaart iets anders = discrepantie
tussen wil en verklaring in beginsel komt geen rechtshandeling tot stand.
o Uitzondering waardoor alsnog tot stand komt: gerechtvaardigd vertrouwen - art. 3:35:
Verklaring/gedraging van een ander – iemand moet iets zeggen of iets doen
Verklaring/gedraging moet zijn opgevat als verklaring van een bepaalde strekking –
verklaring op een bepaalde manier opgevat, is subjectief
Verklaring mocht in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs zo worden opgevat –
is objectief criterium art. 3:11 BW (goede trouw).
o Rechtsgevolg: je kan geen beroep doen op dat je wil niet overeenstemde met je verklaring
er komt alsnog een geldige rechtshandeling tot stand.
Uitzondering op art. 3:35 = tenzij-clausule van art. 3:37 lid 4: als de ontvanger de wijze van verzending van
jouw aanvaarding heeft gekozen, komt het voor zijn rekening als hier iets mee mis gaat.
Totstandkoming overeenkomst: aanbod en aanvaarding (6:217).
Herroeping: art. 6:219 lid 1. In beginsel kan aanbod worden herroepen, tenzij termijn of onherroepelijkheid.
Uitzondering lid 2: geen herroeping als het aanbod is aanvaard of mededeling met aanvaarding is verzonden.
Is een voorbeeld van de verzendtheorie. Bewijslast: jij moet bewijzen dat eerder verzonden dan herroeping.
Volmacht (3:60)
Bij overschrijden bevoegdheid door gevolmachtigde, komt in beginsel geen overeenkomst tot stand (3:66).
Uitzondering: art. 3:61 lid 2 = gerechtvaardigd vertrouwen; alleen door toedoen gedraging achterman.
Uitzondering: art. 3:69 lid 1 = bekrachtiging van de achterman. Heeft werking vanaf ontvangst (3:37 lid 3),
maar bekrachtiging heeft terugwerkende kracht tot moment dat de overeenkomst tot stand zou zijn gekomen
als er wel met een toereikende volmacht was gehandeld.
Uitzondering op 3:69 lid 1: lid 3 = bekrachtiging heeft geen gevolg wanneer de wederpartij reeds te kennen
heeft gegeven dat de rechtshandeling ongeldig is wegens het ontbreken van een volmacht, tenzij de
wederpartij wist of behoorde te weten dat er geen toereikende volmacht was verleend.
CBB/ JPO arrest: HR benadrukt contractsvrijheid heel sterk. Uitgangspunt is het eerste stadium uit
Plas/Valburg. HR: heel terughoudend zijn met het aannemen van het derde stadium, het moet echt
onaanvaardbaar zijn dat je je terugtrekt zonder de kosten te vergoeden. Je kan heen en weer tussen de fases;
de fase waarin je zit op het moment van afbreken is cruciaal. Wanneer partijen al eerder met elkaar zaken
hebben gedaan, draagt dit bij aan het vertrouwen op een contract, dus dan eerder fase 2.
3
Week 1: Inleiding overeenkomstenrecht
De verbintenis
Verbintenis = vermogensrechtelijke rechtsbetrekking tussen 2 personen, waarbij de ene (schuldeiser,
crediteur) iets tegen de ander (schuldenaar, debiteur) te vorderen heeft en die ander dat moet presteren.
Art. 6:1 BW – verbintenissen kunnen slechts ontstaan indien dit uit de wet voortvloeit (niet perse in wet
staat). Voorbeeld: redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 en 6:248), hier kunnen verbintenissen uit voortvloeien.
Ook: 6:213 – obligatoire overeenkomst = overeenkomst waarbij een verbintenis ontstaat.
De wet kan ook via haar ‘stelsel’ (systeem) tot een verbintenis leiden. Quint/ Te Poel arrest: broers; Hein is rijk
en Hub is arm. Hub heeft huis gehuurd van Hein, laat aannemer Q veel aanpassen. Q wilde naar Hein met
rekening, maar contract was met Hub. Oud BW, was nog geen 6:212. HR: je kunt ongerechtvaardigde
verrijking toepassen, zolang het in het stelsel van de wet past en aansluit bij de wél geregelde gevallen.
De rechtshandeling en overeenkomst
Rechtshandelingen staan in Boek 3, meerzijdige rechtshandelingen (overeenkomsten) staan in Boek 6.
Art. 3:33: rechtshandeling = een op rechtsgevolg gerichte wil die zich in een verklaring heeft openbaard. De
wil is niet altijd nodig, bijv. bij gerechtvaardigd vertrouwen (art. 3:35). De wil moet op een rechtsgevolg
gericht zijn; als je met sleutel een auto bekrast, is je wil niet gericht op schadevergoeding, dus geen
rechtshandeling. Rechtshandeling is daad communicatie. Twee soorten rechtshandelingen:
Meerzijdige rechtshandeling = overeenkomst.
Eenzijdige rechtshandeling
o Gericht: de ander moet het horen (hoeft niet mee eens te zijn). Bijv. opzegging.
o Niet-gericht: bijv. testament (is niet aan een ander gericht) of erkenning van een kind.
Schenking is een meerzijdige rechtshandeling, een overeenkomst. De een wil geven en de ander ontvangen.
Grondbeginselen van rechtshandelingenrecht (en overeenkomstenrecht):
1. Contractsvrijheid
2. Consensualisme = overeenkomst ontstaat puur omdat je het eens bent (consensus)
3. Verbindende kracht = als overeenkomst is gesloten ben je gebonden
Uitzonderingen
Vormvoorschriften: art. 3:37 lid 1. Bijv. bij koop huis door particulier.
Verboden sluiten/inhoud/strekking vanwege strijd met openbare orde/ goede zeden: art. 3:40
Redelijkheid en billijkheid: 6:2, 6:248.
BW voor alle ‘soorten’ partijen, soms bijzondere regels (m.n. consument) en verder: differentiatie bij de
toepassing, door ‘hoedanigheid van partijen’. Bijv. bij dwaling (onderzoeksplicht), of bij uitleg.
Lundiform/ Mexx arrest: B2B (business to business); modebedrijf en winkelinrichter. Onenigheid over
bedingen in het contract; staat 9000 m2, maar Lundiform zei dat besproken was tot 13.000. Uitlegnorm is
Haviltex = wat men over en weer uit elkaars verklaringen mocht afleiden. Hof: bij bedrijven gaat het om
professionele partijen die hebben onderhandeld en dat nauwkeurig vastgelegd, dus grotere taalkundige
betekenis. Lundiform: wij zijn klein bedrijf zonder juridische dienst. HR: ook kijken naar tegenbewijs. Je kunt
differentiëren tussen verschillende soorten partijen.
Totstandkoming overeenkomst
Rechtshandeling in het algemeen heeft twee pijlers: wil en gerechtvaardigd vertrouwen (3:33, 3:35).
Ontvangsttheorie (3:37 lid 3) – verklaring moet de ander hebben bereikt om werking te hebben.
Aanbod en aanvaarding moeten op twee manieren op elkaar aansluiten: qua inhoud (6:225) - gaat om een
aanvaarding daarvan; ziet op het aanbod. Aanbod en aanvaarding moeten overeenstemmen, anders komt er
geen overeenkomst tot stand. En qua moment (6:219 e.v.). Het aanbod moet nog wel gelden op het moment
dat het wordt aanvaard, dus niet een aanbod een week later pas aanvaarden.
1
,Vertegenwoordiging
Volmacht: art. 3:60. A geeft volmacht aan B, B handelt ‘in naam van’ A en binnen grenzen bevoegdheid, dan
komt de overeenkomst tot stand tussen A en C en valt B ertussen uit (art. 3:66 lid 1). Geldt ook voor andere
vormen van vertegenwoordiging via schakelbepaling 3:78. ‘In naam van’ handelen betekent niet naam
noemen, maar gaat om handelen in bepaalde kwaliteit in je rol van vertegenwoordiger.
Een volmacht is een recht, geen plicht, dus de ander hoeft niks te doen. Voor verplichting: lastgeving.
Als B onbevoegd optreedt gaat 3:66 niet op en wordt de achterman niet gebonden. De tussenpersoon wordt
ook niet gebonden, want hij heeft in zijn eigen naam gehandeld. Kan wel schadeplichtig zijn op basis van 3:70:
vergoeding van de schade die de derde heeft geleden door de onbevoegde vertegenwoordiging, om te
verhalen bij de tussenpersoon. Gaat niet over of overeenkomst alsnog tot stand is gekomen.
Gerechtvaardigd vertrouwen gaat alleen op als dit door toedoen van de volmachtgever (A) is – art. 3:61 lid 2.
Fujitsu/Exel arrest: relativering ‘toedoen’ vereiste. HR: schijn kan ook toegerekend bij feiten of
omstandigheden die voor rekening van A komen én waaruit naar verkeersopvattingen de schijn van
bevoegdheid kan worden afgeleid. Toedoen van A is niet noodzakelijk.
Kribbebijter arrest: L wil een paard, Sch vertegenwoordigt en koopt bij St een paard. Paard blijkt kribbebijter
te zijn (hapt rand voederbak), maar in contract stond dat paard ‘goed, eerlijk en braaf’ was. Vraag: wie claimt
er, L of Sch? HR: kijken op wiens naam gehandeld is. Hier lastige situatie, waren samen naar paardenmarkt,
Sch voerde alle gesprekken en L stond bij. HR: kijken wat over en weer is gezegd en uit elkaars gedragingen
afgeleid mocht worden. Hier: Sch handelde in eigen naam, is zelf koper, dus kan wanprestatie-acties
ondernemen. Probleem: Sch heeft contract, maar L heeft de schade. Oplossing HR: Sch kan in eigen naam en
ten behoeve van L schadevergoeding eisen en moet het dan betalen aan L (nu: 7:419).
Precontractuele fase
Twee typen problemen bij precontractuele problemen: overeenkomst is niet ontstaan door afbreken
onderhandelingen (Plas/Valburg en CBB/JPO) & overeenkomst is wel ontstaan (De Treek/Dexia).
Baris/Riezenkamp arrest: iemand koopt project, maar blijkt later veel duurder te zijn. Verkoper: je had een
professional moeten vragen. Koper: ik ging van jouw verklaring uit. HR: door onderhandelingen kom je nader
tot elkaar, dan wordt je non-verhouding een rechtsverhouding. Je moet je dan door redelijkheid en billijkheid
laten leiden en uitgaan van gerechtvaardigde belangen van de wederpartij. Als je een overeenkomst aangaat
kan je een onderzoeksplicht hebben (als de ander niks zegt), maar als de verkoper iets verklaart mag je daar in
beginsel vanuit gaan (tenzij het absurd is, zoals 12,50 euro voor een huis).
Plas/ Valburg arrest: P is aannemer, V gemeente. V wil een zwembad, laat aannemers bieden. P heeft een
plan ingediend, burgemeester zegt dat het er goed uitziet en dat hij de goedkoopste is, dat alleen nog door
gemeenteraad moet. In de tussentijd komt er een nieuwe aanbieder met beter en goedkoper plan, die wordt
gekozen. P: je mag niet zomaar afbreken, want je moet van elkaars belangen uitgaan. Vorderde
schadevergoeding + gederfde winst. Had nog geen contract, maar als hij gekregen had was er winst gemaakt.
HR: bij onderhandelingen ontstaat een verdichtende relatie (je komt steeds dichter tot elkaar). Stadia:
1. Iedereen is nog vrij, afbreken mag (bijv. niet aanvaarden opgevraagde offerte)
2. Afbreken mag nog, maar alleen als je kostenvergoeding betaalt (vergoeding negatief contractsbelang)
3. Afbreken is in strijd met redelijkheid & billijkheid (vergoeding positief contractsbelang)
- Sprake van bij vertrouwen dat er enigerlei contract komt. Dan ook plaats voor gederfde winst.
HR: dit speelt alleen bij langere onderhandelingsperioden en de situatie kan ook heen en weer gaan (niet
alleen dichter tot elkaar, maar ook verder uit elkaar). Welke fase je zit is cruciaal bij moment afbreken.
CBB/ JPO arrest: ondernemingen bij projectontwikkeling. J zou grond kopen en doorgeven aan C, maar
gesprekken gaan slecht. C stopt met onderhandelingen, beschuldigen elkaar dat de ander meer had moeten
doen. Schadevergoeding? HR: ieder is in principe vrij om onderhandelingen af te breken (stadium 1), tenzij dat
onaanvaardbaar (hoge drempel) is in verband met totstandkomingsvertrouwen of verdere omstandigheden.
HR doet hier stapje terug van Plas/Valburg en legt meer nadruk op de contractsvrijheid. Gezichtspunten of
mag worden afgebroken: mate waarin en wijze waarop wederpartij heeft bijgedragen aan het tot stand
gekomen vertrouwen, of er onvoorziene omstandigheden waren en toch door is gegaan.
2
, De Treek/Dexia arrest: B2C (business to consumer) – ‘effectenlease’ overeenkomsten gesloten tussen banken
en consumenten. Op krediet aandelen verwerven, ging mis. Consumenten: we zijn te weinig voorgelicht en
zijn te weinig gewaarschuwd. Banken hadden moeten onderzoeken of wij dit wel aankonden. HR: bank is in
zo’n situatie bij uitstek de deskundige en heeft een bijzondere zorgplicht om de consument te beschermen
tegen zijn eigen lichtvaardigheid en ondeskundigheid. Volgt uit redelijkheid en billijkheid, reikwijdte hangt af
van omstandigheden. In het algemeen schadevergoedingsplicht voor bank (met aftrek wegens eigen schuld).
Geen vernietiging wegens dwaling, want dan zouden alle contracten vernietigd kunnen worden.
Werkgroep
Verbintenissen zijn opgesplitst in 2 delen:
1. Rechtshandelingen & overeenkomsten
2. Verbintenissen uit de wet (OR, ongerechtvaardigde verrijking, onverschuldigde betaling)
Gelaagde structuur BW van algemeen naar specifiek:
1. Rechtshandelingen – art. 3:32 e.v.
2. Obligatoire overeenkomsten – art. 6:213 e.v.
3. Wederkerige overeenkomsten – art. 6:261 e.v.
4. Koopovereenkomsten – art. 7:1 e.v.
Rechtshandelingen komen tot stand door art. 3:33. Twee situaties denkbaar:
De wil stemt overeen met de verklaring: iemand wil iets en verklaart dat ook rechtshandeling.
De wil stemt niet overeen met de verklaring: iemand wil iets, maar verklaart iets anders = discrepantie
tussen wil en verklaring in beginsel komt geen rechtshandeling tot stand.
o Uitzondering waardoor alsnog tot stand komt: gerechtvaardigd vertrouwen - art. 3:35:
Verklaring/gedraging van een ander – iemand moet iets zeggen of iets doen
Verklaring/gedraging moet zijn opgevat als verklaring van een bepaalde strekking –
verklaring op een bepaalde manier opgevat, is subjectief
Verklaring mocht in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs zo worden opgevat –
is objectief criterium art. 3:11 BW (goede trouw).
o Rechtsgevolg: je kan geen beroep doen op dat je wil niet overeenstemde met je verklaring
er komt alsnog een geldige rechtshandeling tot stand.
Uitzondering op art. 3:35 = tenzij-clausule van art. 3:37 lid 4: als de ontvanger de wijze van verzending van
jouw aanvaarding heeft gekozen, komt het voor zijn rekening als hier iets mee mis gaat.
Totstandkoming overeenkomst: aanbod en aanvaarding (6:217).
Herroeping: art. 6:219 lid 1. In beginsel kan aanbod worden herroepen, tenzij termijn of onherroepelijkheid.
Uitzondering lid 2: geen herroeping als het aanbod is aanvaard of mededeling met aanvaarding is verzonden.
Is een voorbeeld van de verzendtheorie. Bewijslast: jij moet bewijzen dat eerder verzonden dan herroeping.
Volmacht (3:60)
Bij overschrijden bevoegdheid door gevolmachtigde, komt in beginsel geen overeenkomst tot stand (3:66).
Uitzondering: art. 3:61 lid 2 = gerechtvaardigd vertrouwen; alleen door toedoen gedraging achterman.
Uitzondering: art. 3:69 lid 1 = bekrachtiging van de achterman. Heeft werking vanaf ontvangst (3:37 lid 3),
maar bekrachtiging heeft terugwerkende kracht tot moment dat de overeenkomst tot stand zou zijn gekomen
als er wel met een toereikende volmacht was gehandeld.
Uitzondering op 3:69 lid 1: lid 3 = bekrachtiging heeft geen gevolg wanneer de wederpartij reeds te kennen
heeft gegeven dat de rechtshandeling ongeldig is wegens het ontbreken van een volmacht, tenzij de
wederpartij wist of behoorde te weten dat er geen toereikende volmacht was verleend.
CBB/ JPO arrest: HR benadrukt contractsvrijheid heel sterk. Uitgangspunt is het eerste stadium uit
Plas/Valburg. HR: heel terughoudend zijn met het aannemen van het derde stadium, het moet echt
onaanvaardbaar zijn dat je je terugtrekt zonder de kosten te vergoeden. Je kan heen en weer tussen de fases;
de fase waarin je zit op het moment van afbreken is cruciaal. Wanneer partijen al eerder met elkaar zaken
hebben gedaan, draagt dit bij aan het vertrouwen op een contract, dus dan eerder fase 2.
3