Week 1: Inleiding Overeenkomstenrecht
Blok 1: De Verbintenis
Verbintenis is vermogensrechtelijke rechtsbetrekking tussen 2personen krachtens welke de 1 iets
tegen de ene te vorderen heeft en de ander dat moet presteren. Vaak niet maar 1 verbintenis in een
contract, want er staat ook iets tegenover.
Ontstaan verbintenissen: art. 6:1 – verbintenissen kunnen slechts ontstaan indien dit uit de wet
voortvloeit dus hoeft niet in de wet te staan, maar moet voortvloeien. Wel in de wet: bijv. 6:162.
Indirect voortvloeien: 6:213 e.v., 6:2, 6:248. Wet zegt dat obligatoire overeenkomst een bron is van
verbintenissen – 213. Redelijkheid en billijkheid kan ook verbintenissen uit voortvloeien, zijn niet in
de wet ingepend.
Nog indirectere route: wet leidt via haar ‘stelsel’ tot een verbintenis. Quint/Te Poel arrest: Hein en
Hub zijn broers, Heinrich is heel rijk, Hubbertus is heel arm. Hub heeft huis gehuurd van Hein, laat
aannemer Quint daar allemaal dingen aanpassen. Is heel duur. Q wil naar Hein met claim. Recht zegt:
wat voor claim dan, want contract is tussen Q en Hub. OR is lastig, want Hein weet van niks. Optie
ongerechtvaardigde verrijking. Q zegt tegen Hein: ik heb huis gebouwd op jouw grond, en natrekking
dus jij verrijkt. Dit speelde onder oude wetboek, toen was er geen artikel voor ongerechtvaardigde
verrijking (nu 6:212). HR: je kunt wel verbintenis gerechtvaardigde verrijking toepassen, maar dan
moet het wel passen in het stelsel van de wet en aansluiten bij de wél geregelde gevallen.
Blok 2: (de rechtshandeling en) de overeenkomst
Art. 3:33. Op rechtsgevolg gerichte wil die zich in een verklaring heeft openbaard. Wil is niet altijd
nodig, bijv. bij gerechtvaardigd vertrouwen (3:35). Wil moet op rechtsgevolg gericht zijn – als je met
schroevendraaier auto bekrast, is je wil niet gericht op rechtsgevolg schadevergoeding, dus geen
rechtshandeling.
Meerzijdige rechtshandeling = overeenkomst.
Eenzijdige rechtshandeling is moeilijker. Rechtshandeling is wel een daad van communicatie, moet
worden gehoord. Moet worden gericht tot een bepaalde andere persoon. Eenzijdig gericht, ander
moet het horen (hoeft niet mee eens te zijn). bijv. opzegging, ingebrekestelling.
Dan heb je ook nog eenzijdig niet-gerichte rechtshandeling, zoals testament of erkenning van een
kind. Testament maak je niet ten opzichte van iemand (iemand heeft er wel baat bij misschien, maar
de rechtshandeling is niet aan hen gericht).
Schenking is meerzijdig, want het gaat over de handeling. En de schenkingshandeling is een
overeenkomst: jij zegt: ik wil graag mijn auto geven om niet (gratis) en de ander zegt: ik wil graag
jouw auto ontvangen om niet = overeenkomst.
Grondbeginselen
Contractenrecht = overeenkomstenrecht, is hetzelfde. 3 grondbeginselen van overeenkomstenrecht
(en ruimer gezien van rechtshandelingenrecht):
1. Contractsvrijheid
2. Consensualisme = eens zijn, je hebt overeenkomst puur omdat je het eens bent. Consensus
volstaat (zijn wel uitzonderingen)
3. Verbindende kracht van de ovk – als je ovk sluit ben je daaraan gebonden, kan nakoming
worden geist en als je niet doet dan schadevergoeding.
Uitzonderingen
Vormvoorschriften. Bijv. als je huis wil verkopen aan andere burger. Art. 3:37 lid 1.
Verboden inhoud/strekking vanwege strijd met openbare orde/ goede zeden = art. 3:40
Redelijkheid en billijkheid = 6:2, 6:248.
,Lundiform/Mexx arrest. 2 zakenpartijen = B2B (business to business). Modebedrijf en winkelinrichter,
inrichter zou veel gebouwen aankleden. Onenigheid over bepaalde bedingen in het contract, daarin
staat 9000 m2, maar Lundiform zei dat aanvullend besproken tot 13.000. Als uitlegnorm is Haviltex =
wat men over en weer uit elkaars verklaringen heeft kunnen afleiden. Naar hele plaatje kijken, niet
alleen wat in contract staat. Differentiatie mogelijk, kan zijn dat zakenpartijen anders over denken.
Hof: als je professionele partijen hebt die hebben onderhandeld en dat nauwkeurig hebben
vastgelegd, dan is de taalkundige betekenis van groot gewicht. Als je kijkt naar businesses onderling,
dan eerder naar de tekst kijken dan bij andere partijen. Maar toen zei Lundiform: wij zijn klein bedrijf
zonder juridische dienst, we hebben helemaal niet echt onderhandeld, maar aangenomen van Mexx
want grote klant. HR: je moet ook kijken naar tegenbewijs. Hieruit onthouden: je kan differentieren
tussen verschillende soorten partijen.
Leen Bakker – geen gerechtvaardigd vertrouwen, consumenten hadden moeten begrijpen dat dit niet
de bedoeling was. Als consument kom je niet overal mee weg.
Totstandkoming ovk
Twee pijlers: wil en gerechtvaardigd vertrouwen (3:33, 3:35).
Ontvangsttheorie (3:37 lid 3) – bij briefwisseling is de vraag: wanneer komt ovk tot stand?
Alles wat gaat over elke rechtshandeling afzonderlijk staat in boek 3, en de onderwerpen die over het
meerzijdige gaan, dan zit je in boek 6. Zoals aanbod en aanvaarding. Moeten op twee manieren op
elkaar aansluiten: qua inhoud, en qua moment. Als je aanbod doet en ander komt er na een week op
terug, dan geldt niet meer. Aanbod moet nog wel gelden op moment aannemen.
Blok 3: Vertegenwoordiging
Art. 3:66 – je moet gevolmachtigd zijn (A geeft volmacht aan B), dan moet B handelen ‘in naam van’
A (naam hoeft niet genoemd, maar gaat om handelen in bepaalde kwaliteit in je rol van
vertegenwoordiger), dan treft de handeling in haar gevolgen de volmachtgever. De gevolmachtigde,
B, valt er daarna tussenuit en er komt een ovk tot stand tussen A en C. B moet wel bevoegdheid
hebben en die dus benutten. Niet alleen bij volmacht, ook bij andere vormen van
vertegenwoordiging (3:78).
Een volmacht is een recht, er is niks aan de hand als de ander het niet doet. Als je wil dat de ander
het verplicht gaat doen, dan moet je met lastgeving werken.
Onbevoegd optreden: 3:66 werkt dan niet, achterman niet gebonden. Tussenpersoon evenmin
gebonden, want niet op zijn naam (want zei: ik treedt op namens A), kan wel schadeplichtig zijn op
basis 3:70.
Vertrouwensbeginsel, speelt dat ook bij vertegenwoordiging, dat je gerechtvaardigd kon
vertrouwen? HR zei in 1926 al: ja, ook bij onbevoegde vertegenwoordiging vertrouwensbescherming,
maar dat moet wel door toedoen van A zijn. Schijn uitsluitend door B gewekt is niet genoeg. Waarom
toedoen A nodig: anders krijg je gekke situaties. Voorbeeld: iemand is buitengewoon betrouwbaar,
die koopt huis namens A, en C denkt is wel goed, want is buitengewoon betrouwbaar, staat in krant.
Maar A weet van niks. Dan zou die met contract opgezadeld zitten.
Fujitsu/Exel arrest – relativering ‘toedoen’ vereiste. HR: schijn kan ook toegerekend bij feiten of
omstandigheden die voor rekening van A komen én waaruit naar verkeersopvattingen de schijn van
bevoegdheid kan worden afgeleid. Toedoen van A is niet noodzakelijk. Wet zegt toedoen van A
nodig, HR zegt niet nodig.
Kribbenbijter arrest.
Kribbebijter = paard die op rand voederbak hapt. Schijnt psychisch overneembaar te zijn. Lorsch wil
paard, Schiphoff vertegenwoordigt, koopt bij Stolte een paard. Blijkt dat paard kribbenbijter is, en in
contract stond dat paard ‘goed, eerlijk en braaf’ was. Maar kribbenbijter, en iets aan zijn rug. Dus
claim. Maar wie claimt er dan, Lorsch of Schiphoff? Wie kan vorderen? HR: kijken op wiens naam de
Schiphoff gehandeld heeft. Op eigen naam is zelf partij, dus zelf claimen. Op naam Lorsch, is Lorsch
, partij geworden (Schiphoff ertussenuit gevallen) en dan moet hij claimen. Maar hier: met z’n 2en
naar paardenmarkt, Schiphoff voerde alle gesprekken en Lorsch stond maar bij. HR: kijken wat over
en weer is gezegd en wat over en weer uit elkaars gedragingen hebt mogen afleiden. (Misverstand
arrest- over begrip belasting). Hier bleek dat Schiphoff op eigen naam heeft gehandeld, dus is zelf
koper, dus kan zelf acties ondernemen. Probleem: Schiphoff heeft geen schade. Dokterskosten,
import van paard, die kosten zijn voor Lorsch. Als Schiphoff schade gaat vragen, kan hij maar 0
vragen. De een heeft het contract, de ander heeft de schade. Als ze naar de rechter gaan krijgen ze
allebei niks. HR: oplossing = Schiphoff kan ook in eigen naam e ten behoeve van Lorsch
schadevergoeding eisen en moet het dan doorgeven aan Lorsch. Staat nu in 7:419.
Blok 4: Precontractuele fase
Baris/Riezenkamp arrest. Iemand koopt project, krijgt te horen 135, maar blijkt dat het veel duurder
is. Verkoper zegt: ja jeetje je had een professional moeten vragen, je bent een sukkel. Koper: maar jij
zei dit, ik had daar toch vanuit kunnen gaan, je hebt gelogen. Partijen gaan onderhandelen, komen in
bijzondere rechtsverhouding met elkaar te staan. Voordat ze gingen onderhandelen waren ze
gewoon meneer Baris en meneer Riezenkamp. Door onderhandelen neem je stap dichter naar elkaar
toe, dan wordt non-verhouding een rechtsverhouding. Die rechtsverhouding wordt beheerst door
goede trouw. HR: doordat je gaat onderhandelen nader tot elkaar, dan door redelijkheid en
billijkheid laten leiden en dan moet je uitgaan van de gerechtvaardigde belangen wederpartij. Je mag
niet als kip zonder kop eigen belangen nagaan. Betekent dat als je ovk aangaat, je zelf
onderzoeksplicht kunt/moet hebben – onderzoeken wat wordt aangeboden. Maar je mag wel afgaan
van wat een ander tegen je zegt. Als ander niks zegt, moet je zelf onderzoeken. Maar als hij zegt: kost
135 gulden, dan mag je daar in de regel vanuit gaan. Als had gezegd 12,50 had je weer niet mogen
vertrouwen.
Plas/Valburg arrest. Bouwt hierop voort. Plas is aannemer, Valburg is gemeente. Gemeente wil
zwembad, schrijven uit hoe groot en welke faciliteiten. Aanbiedingen aannemers, plan van Plas ligt
op tafel en heeft aangeboden voor prijs waarvan burgemeester zegt: is te doen, net pakket. Moet
nog door gemeenteraad, maar ziet er goed uit en burgemeester zegt ook tegen Plas: je bent ook de
goedkoopste. In tussentijd van gemeenteraad komt er een nieuwe aanbieder met beter en
goedkoper plan, dus gemeenteraad kiest daarvoor. Plas: je mag niet zomaar afbreken, want van
elkaars belangen uitgaan. Plas vorderde schadevergoeding + gederfde winst, want als contract
gekregen had, had hij 70.000 gulden winst gemaakt. Hij had nog geen contract, en wilde toch zijn
winst. HR zegt: bij onderhandelingen ontstaat verdichtende relatie (je komt steeds dichter bij elkaar).
1. Stadium 1: iedereen nog vrij
2. Stadium 2: mag je nog wel afbreken, maar alleen als je kostenvergoeding betaalt
3. Stadium 3: afbreken is in strijd met redelijkheid & billijkheid
- In dit stadium als je mag vertrouwen dat er in ieder geval enigerlei contract zou komen
(misschien niet alle details). Dan kan ook plaats zijn voor gederfde winst.
Is wel vrij radicaal. In het buitenland is vaak pas gederfde winst als er al een contract was.
HR heeft nog paar dingen gezegd:
- Speelt alleen bij langere onderhandelingsperioden. Als je iets kleins koopt, zoals brood,
heb je niet die stadia.
- Situatie kan ook heen en weer gaan – dichterbij elkaar, maar kan ook weer verder uit
elkaar. Niet zo dat het alleen maar dichter bij elkaar wordt
- CBB/JPO arrest – 2 ondernemingen in sfeer projectontwikkeling. Jpo zou grond kopen en
doorgeven aan cbb. Maar slechte gesprekken met gemeente en elkaar. Cbb stopt met
onderhandelingen jpo – beschuldigen elkaar dat de ander meer had moeten doen. Hoe
zit het met schadevergoeding? HR: ieder is in principe vrij om onderhandelingen af te
breken (principe contractsvrijheid hier veel zwaarder dan Plas/Valburg), tenzij dat
onaanvaardbaar is in verband met: