Werkgroepen Verbintenissenrecht
WG 1
WG docent: Niels Dempen (?). Voor eerste 4 weken, daarna Tobias van der Wal.
Verbintenissen opgesplitst in 2 delen:
1. Rechtshandelingen & overeenkomsten
2. Verbintenissen uit de wet (OR, ongerechtvaardigde verrijking, onverschuldigde betaling)
Vandaag begin van rechtshandeling & overeenkomst. Casussen oplossen aan de hand van het
stappenplan. In casussen wordt behandeld:
1. Totstandkoming ovk
2. Vertegenwoordiging krachtens volmacht & totstandkoming ovk
3. Precontractuele fase: aansprakelijkheid voor afgebroken onderhandelingen
Gelaagde structuur BW van algemeen naar specifiek:
1. Rechtshandelingen – art. 3:32 e.v.
2. Obligatoire overeenkomsten – art. 6:213 e.v.
3. Wederkerige overeenkomsten – art. 6:261 e.v.
4. Koopovereenkomsten – art. 7:1 e.v.
Casus 1
K wil Korg 1000 bestellen, maar bij bestelformulier gaat met scannen iets mis, waardoor Korg 10
staat.
Bestelling is op verzoek van Litjes gedaan door te scannen en te mailen.
Algemeen kader
Totstandkoming ovk: 6:217 BW – aanbod en aanvaarding. Gaat om een aanvaarding daarvan – ziet
op het aanbod. Aanbod en aanvaarding moeten overeenstemmen. Anders komt geen ovk tot stand.
Aanbod & aanvaarding zijn rechtshandelingen. Dan kijken naar hoe die tot stand komen: art. 3:33 –
op rechtsgevolg gerichte wil + verklaring waarin de wil wordt openbaard. 2 situaties denkbaar:
De wil stemt overeen met de verklaring: iemand wil iets en verklaart dat ook
rechtshandeling.
De wil stemt niet overeen met de verklaring: iemand wil iets, maar verklaart iets anders =
discrepantie tussen wil en verklaring in beginsel komt geen rechtshandeling tot stand.
o Uitzondering waardoor alsnog tot stand komt: gerechtvaardigd vertrouwen - art.
3:35:
Verklaring/gedraging van een ander – iemand moet iets zeggen of iets doen
Verklaring/gedraging moet zijn opgevat als verklaring van een bepaalde
strekking – verklaring op een bepaalde manier opgevat, is subjectief
Verklaring mocht in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs zo worden
opgevat – hoe mocht je het in de gegeven omstandigheden interpreteren, is
objectief criterium art. 3:11 BW (goede trouw).
o Rechtsgevolg: je kan gene beroep doen op: wil stemde niet overeen met verklaring
komt alsnog geldige rechtshandeling tot stand.
Dit zijn de 2 manieren voor totstandkoming rechtshandeling. Is wilsvertrouwensleer.
Wie doet hier aanbod: Litjens via catalogus. Is een openbaar aanbod – richt zich tot heel veel
mensen. Staat zowel aanbod in voor de Korg 10 als voor de Korg 1000.
,Litjens wilde aanbieden, ja. Verklaarde ook: ja. Wil en verklaring stemmen overeen, dus komt geldige
rechtshandeling tot stand geldig aanbod.
Wil Karstens: koop Korg 1000. Verklaring: Korg 10. Wil en verklaring komen niet overeen in
beginsel geen rechtshandeling, dus geen aanvaarding. Er is een uitzondering op meteen doorgaan
naar art. 3:35: art. 3:37 lid 4. Heeft tenzij clausule. Lid 4 uitgangspunt: als je ervoor kiest om met
postduif verklaring te sturen, en er gebeurt iets met je postduif, komt voor jouw rekening. TENZIJ de
ontvanger deze wijze heeft gekozen.
Hier: medewerker Litjens heeft gezegd dat Karstens moet scannen en mailen. Bij het scannen gaat
iets mis valt onder tenzij clausule art. 3:37 lid 4 komt voor rekening Litjens, dus geen geldige
rechtshandeling tot stand – geen aanvaarding, dus geen overeenkomst.
Je kan ook zeggen dat art. 3:37 lid 4 niet van toepassing is – Karstens had moeten nakijken, en in
hoeverre valt het eronder dat jouw scanapparaat kapot is bij de verzendmethode van een scan per e-
mail? Gaat eigenlijk iets mis voorafgaand aan verzenden, want met mail gaat het wel goed.
Dus gaat om interpretatie tenzijclausule: ruim of beperkt. Bij beperkt – valt er niet onder, dan
toetsen aan art. 3:35.
Sprake verklaring een ander: ja, van Karstens via scan.
Hoe is verklaring opgevat: als Korg 10.
Mocht Litjens in gegeven omstandigheden verklaring zo opvatten: omdat deel formulier weg is
gevallen en ze dat hadden gezien, rust onderzoeksplicht op Litjens om navraag te doen bij klant. Niet
te veel in de casus lezen: kan zijn dat alleen de 2 nullen weg waren gevallen, dan is twijfelgeval. Dan
kan je het meer gooien op dat Karstens zelf even het formulier had moeten checken voordat hij het
opstuurde.
Wanneer aan alle vereisten 3:35 voldaan: aanvaarding is geldige rechtshandeling, dus overeenkomst
tot stand voor 2 Korg 10.
Als 3:37 lid 4 opgaat, dan is 3:35 niet meer van toepassing.
Casus 2 a
1 nov: V sluit in naam van A een ovk met D.
2 nov: A verzendt bekrachtiging en A ontvangt e-mail van D met: ‘koop ongeldig”
3 nov: D ontvangt brief met bekrachtiging.
Volmacht: art. 3:60. Algemeen plaatje volmacht.
Achterman (A) – tussenpersoon (V) – derde (D).
Achterman geeft volmacht aan tussenpersoon, volgens art. 3:60 lid 1 BW, bijv. ‘sluit in mijn naam een
ovk’. Tussenpersoon gaat naar derde en sluit ovk in naam van achterman. Art. 3:66 lid 1: binnen de
grenzen van bevoegdheid handelen, moet in naam van de achterman zijn gehandeld en moet gaan
om een rechtshandeling. Als daaraan voldaan: achterman wordt getroffen door de gevolgen, dus
overeenkomst komt tot stand tussen de achterman en de derde. Gevolg: tussenpersoon valt
ertussenuit.
In casus: wat is volmacht hier onderhandelen. Expliciet niet onder volmacht: overeenkomst
sluiten. Wat deed V: sloot ovk in naam van Alberts. Komt ovk tot stand: niet voldaan aan art. 3:66 lid
1, want bevoegdheid is overschreden. Dus op grond dit artikel in beginsel geen ovk tot stand.
Art. 3:70 gaat niet over of ovk tot stand is gekomen, maar over schadevergoeding.
Voor totstandkoming kijken naar 3:33 en 3:35. V had niet wil om namens zichzelf te handelen en ook
niet verklaard. Ook geen gerechtvaardigd vertrouwen. Dus geen ovk tussen V en D.
3:70 is voor schadevergoeding derde die hij lijdt vanwege onbevoegde vertegenwoordiging, om te
verhalen bij tussenpersoon.
,Uitzondering: art. 3:61 lid 2 – gerechtvaardigd vertrouwen. Moet sprake zijn van rechtshandeling
zonder toereikende volmacht, en derde moet vanwege verklaring/gedraging achterman denken dat
wel toereikende volmacht is.
Hier geen sprake van, want A heeft uitdrukkelijk gezegd dat geen volmacht was voor sluiten ovk.
Tweede uitzondering: art. 3:69 lid 1 – bekrachtiging. Hier wil A bekrachtigen, stuurt brief met
mededeling dat akkoord gaat. Vanaf wel moment heeft bekrachtiging werking: ontvangsttheorie art.
3:37 lid 3 BW. Voor werking moet verklaring de persoon hebben bereikt / ontvangen zijn. Dat is hier
3 november. Dus bekrachtiging heeft werking vanaf 3 november.
Maar, op 2 november ontvangt A e-mail van D, waarin koop ongeldig wordt verklaard. Dan art. 3:69
lid 3 (is uitzondering op lid 1) – bekrachtiging heeft geen gevolg wanneer wederpartij reeds te kennen
heeft gegeven dat handeling ongeldig is wegens ontbreken volmacht.
Wanneer heeft verklaring D werking: ontvangsttheorie 3:37 lid 3 = op 2 november.
Maar weer tenzijclausule van art. 3:69 lid 3 – tenzij wederpartij wist of behoorde te weten dat geen
toereikende volmacht was verleend. Dus tenzijclausule gaat op, dus uitzondering 3:69 lid 3 gaat niet
op, dus D mag niet zeggen dat ongeldig is wegens ontbreken volmacht.
Dus komt ovk tot stand want bekrachtigd. Maar wanneer? Niet ontvangsttheorie 3:37 lid 3, want: art.
3:69 lid 1 – terugwerkende kracht bekrachtiging, naar moment dat ovk tot stand zou zijn gekomen als
wel met toereikende volmacht zou zijn gehandeld. Dat is hier 1 november.
Conclusie: koopovk komt tot stand op 1 november tussen A en D.
Casus 2 b
1 nov: V licht A in over aanbod.
2 nov: A verzendt aan D. A ontvangt e-mail van D over terugtrekking.
3 nov: D ontvangt brief aanvaarding.
Probleem: D heeft aanbod teruggetrokken = herroeping – art. 6:219 lid 1. Uitgangspunt: aanbod kan
worden herroepen. Tenzij termijn is of onherroepelijkheid uit aanbod volgt. Hier beide niet van
toepassing.
Dus aanbod kan worden herroepen in beginsel. Lid 2: moment dat je kan herroepen is beperkt in de
tijd. Kan niet meer wanneer aanbod is aanvaard én ook niet meer wanneer mededeling houdende de
aanvaarding is verzonden. Is een voorbeeld van de verzendtheorie.
In casu is de aanvaarding al verzonden, dus kan D niet meer herroepen – art. 6:219 lid 1 heeft geen
werking.
Komt ovk tot stand: 3:37 lid 3 ontvangsttheorie – aanvaarding heeft werking vanaf moment
ontvangst. Is 3 november.
(probleem met wanneer is verzonden, hoe bewijs je dat? Regels van bewijsverdeling, wie draagt
bewijslast. Als jij niet kan bewijzen dat je brief eerder is verzonden dan dat e-mail is gestuurd, dan
ben je de sjaak. Hier wordt in casu gegeven).
Casus 3
Wat is hier probleem: precontractuele fase, De Nees gaat uit van contract krijgen, maar
onderhandelingen worden afgebroken.
3 arresten van belang.
Baris/Riezenkamp arrest – wordt basisregel gegeven door HR: rechtsverhouding van
onderhandelende partijen wordt beheerst door de goede trouw/ redelijkheid en billijkheid.
betekent dat als je in onderhandelingen zit, je je handelingen moet afstemmen op belangen van
wederpartij.
Plas/Valburg arrest – HR onderscheidt 3 situaties:
, 1. Contractsvrijheid. Afbreken onderhandelingen mag. Bijv. opvragen offerte, dat je niet
aanneemt.
2. Onderhandelingen zijn al verder, je mag niet terugtrekken zonder dat je de gemaakte kosten
vergoedt. Is vergoeding van het negatief contractsbelang.
3. Onderhandelingen ver gevorderd, vertrouwen op contract. Afbreken mag niet meer. Als je
dit schendt, moet je positief contractsbelang vergoeden = vergoeding kosten + gederfde
winst.
CBB/JPO arrest – HR: contractsvrijheid wordt heel sterk benadrukt. Uitgangspunt is de eerste fase
zoals in Plas/Valburg. En HR benadrukt dat je heel terughoudend moet zijn met het aannemen van de
derde fase; dat je odnerhandelingen niet meer mag afbreken – moet echt sprake zijn van
onaanvaardbaarheid van afbreken = hele hoge drempel. Moet onaanvaardbaar zijn dat je terugtrekt
zonder dat je kosten vergoedt. Worden ook gezichtspunten gegeven – lees arrest !!!! O.a. – mate
waarin en wijze waarop wederpartij heeft bijgedragen aan vertrouwen tot stand komen, kan
meewegen in of mag afgebroken.
In welke fase je zit op moment afbreken is cruciaal – want je kan heen en weer tussen fases.
Nu naar casus – in welke situatie zitten we? In verleden al zaken gedaan, dus kan eerder op
vertrouwen dat contract komt. Maar derde fase moet heel terughoudend worden aangenomen – dus
geen fase 3 op basis CBB/JPO, want niet onaanvaardbaar om af te breken.
Hier fase 2: partijen zijn al vertrouwd, dus draagt bij aan vertrouwen. En kosten die De Nees vergoed
wil, zijn gemaakt omdat de Stichting specifiek vroeg om wijziging offerte, en daarvoor is advies
ingewonnen. Dus kosten zijn gemaakt op basis gedrag stichting. Dus beveiligingsadvies vergoed, niet
gederfde winst.
Kan ook betogen dat in fase 1: is offerte uitgebracht, hoort bij onderhandeling tussen partijen, is nog
geen toezegging gedaan. Bouwonderneming heeft zelf besloten om kosten te maken. Beide
professionele partijen, hadden moeten opletten.
Maar fase 2 meest aannemelijk. Speel met feiten uit casus, die toepassen op juridisch kader. Goede
beredenering is belangrijk.
WG2
Vandaag:
1. Wilsgebreken: dwaling (6:228). Gevolgen van vernietiging.
2. Strijd met wet, openbare orde, goede zeden (3:40)
3. Dwaling, vernietiging, nietigheid.
Casus II-1
Tijdlijn:
7 feb koopovk tussen Anita en Verstappen. A betaalt 1000, is verplicht nog 9000 te betalen.
Maart: reparaties auto.
Mei: keuringsrapport: km-stand is mee gesjoemeld.
31 mei: A stuurt brief met vernietiging ovk.
Juni: A verkoopt auto, die gaat naar Gambia.
Juli: V dagvaardt A voor betaling 9000. A beroept zich op dwaling.
Vordering V voor betaling bedrag is een vordering tot nakoming = art. 3:296. Hij kan dit doen, want
er bestaat een overeenkomst en Anita is bedrag nog verschuldigd.
Dwaling is een bevrijdend verweer: bevrijdt je van verplichting tot betaling. Art. 6:228. Vernietiging
kent meerdere voorwaarden:
1. Sprake van dwaling = een onjuiste voorstelling van zaken.
2. Causaal verband tussen dwaling en totstandkoming van de overeenkomst. Zou
overeenkomst onder dezelfde voorwaarden ook zijn gesloten als er geen dwaling was?
WG 1
WG docent: Niels Dempen (?). Voor eerste 4 weken, daarna Tobias van der Wal.
Verbintenissen opgesplitst in 2 delen:
1. Rechtshandelingen & overeenkomsten
2. Verbintenissen uit de wet (OR, ongerechtvaardigde verrijking, onverschuldigde betaling)
Vandaag begin van rechtshandeling & overeenkomst. Casussen oplossen aan de hand van het
stappenplan. In casussen wordt behandeld:
1. Totstandkoming ovk
2. Vertegenwoordiging krachtens volmacht & totstandkoming ovk
3. Precontractuele fase: aansprakelijkheid voor afgebroken onderhandelingen
Gelaagde structuur BW van algemeen naar specifiek:
1. Rechtshandelingen – art. 3:32 e.v.
2. Obligatoire overeenkomsten – art. 6:213 e.v.
3. Wederkerige overeenkomsten – art. 6:261 e.v.
4. Koopovereenkomsten – art. 7:1 e.v.
Casus 1
K wil Korg 1000 bestellen, maar bij bestelformulier gaat met scannen iets mis, waardoor Korg 10
staat.
Bestelling is op verzoek van Litjes gedaan door te scannen en te mailen.
Algemeen kader
Totstandkoming ovk: 6:217 BW – aanbod en aanvaarding. Gaat om een aanvaarding daarvan – ziet
op het aanbod. Aanbod en aanvaarding moeten overeenstemmen. Anders komt geen ovk tot stand.
Aanbod & aanvaarding zijn rechtshandelingen. Dan kijken naar hoe die tot stand komen: art. 3:33 –
op rechtsgevolg gerichte wil + verklaring waarin de wil wordt openbaard. 2 situaties denkbaar:
De wil stemt overeen met de verklaring: iemand wil iets en verklaart dat ook
rechtshandeling.
De wil stemt niet overeen met de verklaring: iemand wil iets, maar verklaart iets anders =
discrepantie tussen wil en verklaring in beginsel komt geen rechtshandeling tot stand.
o Uitzondering waardoor alsnog tot stand komt: gerechtvaardigd vertrouwen - art.
3:35:
Verklaring/gedraging van een ander – iemand moet iets zeggen of iets doen
Verklaring/gedraging moet zijn opgevat als verklaring van een bepaalde
strekking – verklaring op een bepaalde manier opgevat, is subjectief
Verklaring mocht in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs zo worden
opgevat – hoe mocht je het in de gegeven omstandigheden interpreteren, is
objectief criterium art. 3:11 BW (goede trouw).
o Rechtsgevolg: je kan gene beroep doen op: wil stemde niet overeen met verklaring
komt alsnog geldige rechtshandeling tot stand.
Dit zijn de 2 manieren voor totstandkoming rechtshandeling. Is wilsvertrouwensleer.
Wie doet hier aanbod: Litjens via catalogus. Is een openbaar aanbod – richt zich tot heel veel
mensen. Staat zowel aanbod in voor de Korg 10 als voor de Korg 1000.
,Litjens wilde aanbieden, ja. Verklaarde ook: ja. Wil en verklaring stemmen overeen, dus komt geldige
rechtshandeling tot stand geldig aanbod.
Wil Karstens: koop Korg 1000. Verklaring: Korg 10. Wil en verklaring komen niet overeen in
beginsel geen rechtshandeling, dus geen aanvaarding. Er is een uitzondering op meteen doorgaan
naar art. 3:35: art. 3:37 lid 4. Heeft tenzij clausule. Lid 4 uitgangspunt: als je ervoor kiest om met
postduif verklaring te sturen, en er gebeurt iets met je postduif, komt voor jouw rekening. TENZIJ de
ontvanger deze wijze heeft gekozen.
Hier: medewerker Litjens heeft gezegd dat Karstens moet scannen en mailen. Bij het scannen gaat
iets mis valt onder tenzij clausule art. 3:37 lid 4 komt voor rekening Litjens, dus geen geldige
rechtshandeling tot stand – geen aanvaarding, dus geen overeenkomst.
Je kan ook zeggen dat art. 3:37 lid 4 niet van toepassing is – Karstens had moeten nakijken, en in
hoeverre valt het eronder dat jouw scanapparaat kapot is bij de verzendmethode van een scan per e-
mail? Gaat eigenlijk iets mis voorafgaand aan verzenden, want met mail gaat het wel goed.
Dus gaat om interpretatie tenzijclausule: ruim of beperkt. Bij beperkt – valt er niet onder, dan
toetsen aan art. 3:35.
Sprake verklaring een ander: ja, van Karstens via scan.
Hoe is verklaring opgevat: als Korg 10.
Mocht Litjens in gegeven omstandigheden verklaring zo opvatten: omdat deel formulier weg is
gevallen en ze dat hadden gezien, rust onderzoeksplicht op Litjens om navraag te doen bij klant. Niet
te veel in de casus lezen: kan zijn dat alleen de 2 nullen weg waren gevallen, dan is twijfelgeval. Dan
kan je het meer gooien op dat Karstens zelf even het formulier had moeten checken voordat hij het
opstuurde.
Wanneer aan alle vereisten 3:35 voldaan: aanvaarding is geldige rechtshandeling, dus overeenkomst
tot stand voor 2 Korg 10.
Als 3:37 lid 4 opgaat, dan is 3:35 niet meer van toepassing.
Casus 2 a
1 nov: V sluit in naam van A een ovk met D.
2 nov: A verzendt bekrachtiging en A ontvangt e-mail van D met: ‘koop ongeldig”
3 nov: D ontvangt brief met bekrachtiging.
Volmacht: art. 3:60. Algemeen plaatje volmacht.
Achterman (A) – tussenpersoon (V) – derde (D).
Achterman geeft volmacht aan tussenpersoon, volgens art. 3:60 lid 1 BW, bijv. ‘sluit in mijn naam een
ovk’. Tussenpersoon gaat naar derde en sluit ovk in naam van achterman. Art. 3:66 lid 1: binnen de
grenzen van bevoegdheid handelen, moet in naam van de achterman zijn gehandeld en moet gaan
om een rechtshandeling. Als daaraan voldaan: achterman wordt getroffen door de gevolgen, dus
overeenkomst komt tot stand tussen de achterman en de derde. Gevolg: tussenpersoon valt
ertussenuit.
In casus: wat is volmacht hier onderhandelen. Expliciet niet onder volmacht: overeenkomst
sluiten. Wat deed V: sloot ovk in naam van Alberts. Komt ovk tot stand: niet voldaan aan art. 3:66 lid
1, want bevoegdheid is overschreden. Dus op grond dit artikel in beginsel geen ovk tot stand.
Art. 3:70 gaat niet over of ovk tot stand is gekomen, maar over schadevergoeding.
Voor totstandkoming kijken naar 3:33 en 3:35. V had niet wil om namens zichzelf te handelen en ook
niet verklaard. Ook geen gerechtvaardigd vertrouwen. Dus geen ovk tussen V en D.
3:70 is voor schadevergoeding derde die hij lijdt vanwege onbevoegde vertegenwoordiging, om te
verhalen bij tussenpersoon.
,Uitzondering: art. 3:61 lid 2 – gerechtvaardigd vertrouwen. Moet sprake zijn van rechtshandeling
zonder toereikende volmacht, en derde moet vanwege verklaring/gedraging achterman denken dat
wel toereikende volmacht is.
Hier geen sprake van, want A heeft uitdrukkelijk gezegd dat geen volmacht was voor sluiten ovk.
Tweede uitzondering: art. 3:69 lid 1 – bekrachtiging. Hier wil A bekrachtigen, stuurt brief met
mededeling dat akkoord gaat. Vanaf wel moment heeft bekrachtiging werking: ontvangsttheorie art.
3:37 lid 3 BW. Voor werking moet verklaring de persoon hebben bereikt / ontvangen zijn. Dat is hier
3 november. Dus bekrachtiging heeft werking vanaf 3 november.
Maar, op 2 november ontvangt A e-mail van D, waarin koop ongeldig wordt verklaard. Dan art. 3:69
lid 3 (is uitzondering op lid 1) – bekrachtiging heeft geen gevolg wanneer wederpartij reeds te kennen
heeft gegeven dat handeling ongeldig is wegens ontbreken volmacht.
Wanneer heeft verklaring D werking: ontvangsttheorie 3:37 lid 3 = op 2 november.
Maar weer tenzijclausule van art. 3:69 lid 3 – tenzij wederpartij wist of behoorde te weten dat geen
toereikende volmacht was verleend. Dus tenzijclausule gaat op, dus uitzondering 3:69 lid 3 gaat niet
op, dus D mag niet zeggen dat ongeldig is wegens ontbreken volmacht.
Dus komt ovk tot stand want bekrachtigd. Maar wanneer? Niet ontvangsttheorie 3:37 lid 3, want: art.
3:69 lid 1 – terugwerkende kracht bekrachtiging, naar moment dat ovk tot stand zou zijn gekomen als
wel met toereikende volmacht zou zijn gehandeld. Dat is hier 1 november.
Conclusie: koopovk komt tot stand op 1 november tussen A en D.
Casus 2 b
1 nov: V licht A in over aanbod.
2 nov: A verzendt aan D. A ontvangt e-mail van D over terugtrekking.
3 nov: D ontvangt brief aanvaarding.
Probleem: D heeft aanbod teruggetrokken = herroeping – art. 6:219 lid 1. Uitgangspunt: aanbod kan
worden herroepen. Tenzij termijn is of onherroepelijkheid uit aanbod volgt. Hier beide niet van
toepassing.
Dus aanbod kan worden herroepen in beginsel. Lid 2: moment dat je kan herroepen is beperkt in de
tijd. Kan niet meer wanneer aanbod is aanvaard én ook niet meer wanneer mededeling houdende de
aanvaarding is verzonden. Is een voorbeeld van de verzendtheorie.
In casu is de aanvaarding al verzonden, dus kan D niet meer herroepen – art. 6:219 lid 1 heeft geen
werking.
Komt ovk tot stand: 3:37 lid 3 ontvangsttheorie – aanvaarding heeft werking vanaf moment
ontvangst. Is 3 november.
(probleem met wanneer is verzonden, hoe bewijs je dat? Regels van bewijsverdeling, wie draagt
bewijslast. Als jij niet kan bewijzen dat je brief eerder is verzonden dan dat e-mail is gestuurd, dan
ben je de sjaak. Hier wordt in casu gegeven).
Casus 3
Wat is hier probleem: precontractuele fase, De Nees gaat uit van contract krijgen, maar
onderhandelingen worden afgebroken.
3 arresten van belang.
Baris/Riezenkamp arrest – wordt basisregel gegeven door HR: rechtsverhouding van
onderhandelende partijen wordt beheerst door de goede trouw/ redelijkheid en billijkheid.
betekent dat als je in onderhandelingen zit, je je handelingen moet afstemmen op belangen van
wederpartij.
Plas/Valburg arrest – HR onderscheidt 3 situaties:
, 1. Contractsvrijheid. Afbreken onderhandelingen mag. Bijv. opvragen offerte, dat je niet
aanneemt.
2. Onderhandelingen zijn al verder, je mag niet terugtrekken zonder dat je de gemaakte kosten
vergoedt. Is vergoeding van het negatief contractsbelang.
3. Onderhandelingen ver gevorderd, vertrouwen op contract. Afbreken mag niet meer. Als je
dit schendt, moet je positief contractsbelang vergoeden = vergoeding kosten + gederfde
winst.
CBB/JPO arrest – HR: contractsvrijheid wordt heel sterk benadrukt. Uitgangspunt is de eerste fase
zoals in Plas/Valburg. En HR benadrukt dat je heel terughoudend moet zijn met het aannemen van de
derde fase; dat je odnerhandelingen niet meer mag afbreken – moet echt sprake zijn van
onaanvaardbaarheid van afbreken = hele hoge drempel. Moet onaanvaardbaar zijn dat je terugtrekt
zonder dat je kosten vergoedt. Worden ook gezichtspunten gegeven – lees arrest !!!! O.a. – mate
waarin en wijze waarop wederpartij heeft bijgedragen aan vertrouwen tot stand komen, kan
meewegen in of mag afgebroken.
In welke fase je zit op moment afbreken is cruciaal – want je kan heen en weer tussen fases.
Nu naar casus – in welke situatie zitten we? In verleden al zaken gedaan, dus kan eerder op
vertrouwen dat contract komt. Maar derde fase moet heel terughoudend worden aangenomen – dus
geen fase 3 op basis CBB/JPO, want niet onaanvaardbaar om af te breken.
Hier fase 2: partijen zijn al vertrouwd, dus draagt bij aan vertrouwen. En kosten die De Nees vergoed
wil, zijn gemaakt omdat de Stichting specifiek vroeg om wijziging offerte, en daarvoor is advies
ingewonnen. Dus kosten zijn gemaakt op basis gedrag stichting. Dus beveiligingsadvies vergoed, niet
gederfde winst.
Kan ook betogen dat in fase 1: is offerte uitgebracht, hoort bij onderhandeling tussen partijen, is nog
geen toezegging gedaan. Bouwonderneming heeft zelf besloten om kosten te maken. Beide
professionele partijen, hadden moeten opletten.
Maar fase 2 meest aannemelijk. Speel met feiten uit casus, die toepassen op juridisch kader. Goede
beredenering is belangrijk.
WG2
Vandaag:
1. Wilsgebreken: dwaling (6:228). Gevolgen van vernietiging.
2. Strijd met wet, openbare orde, goede zeden (3:40)
3. Dwaling, vernietiging, nietigheid.
Casus II-1
Tijdlijn:
7 feb koopovk tussen Anita en Verstappen. A betaalt 1000, is verplicht nog 9000 te betalen.
Maart: reparaties auto.
Mei: keuringsrapport: km-stand is mee gesjoemeld.
31 mei: A stuurt brief met vernietiging ovk.
Juni: A verkoopt auto, die gaat naar Gambia.
Juli: V dagvaardt A voor betaling 9000. A beroept zich op dwaling.
Vordering V voor betaling bedrag is een vordering tot nakoming = art. 3:296. Hij kan dit doen, want
er bestaat een overeenkomst en Anita is bedrag nog verschuldigd.
Dwaling is een bevrijdend verweer: bevrijdt je van verplichting tot betaling. Art. 6:228. Vernietiging
kent meerdere voorwaarden:
1. Sprake van dwaling = een onjuiste voorstelling van zaken.
2. Causaal verband tussen dwaling en totstandkoming van de overeenkomst. Zou
overeenkomst onder dezelfde voorwaarden ook zijn gesloten als er geen dwaling was?