2025-2026 Wouter Teitsma
Hoorcollege 1: Inleiding sociaal recht - Kwalificatie arbeidsovereenkomst - Goed
werkgeverschap........................................................................................................................ 3
HR 14 november 1997, ECLI:NL:HR:1997ZC2495 (Groen/Schoevers)............................ 3
HR 24 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9722 (Beurspromovendi UvA)......................... 5
HR 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:443 (Deliveroo).................................................... 6
Hoorcollege 2: Loon - Bedingen - Wijziging arbeidsvoorwaarden......................................7
HR 7 mei 1976 (Wielemaker / De Schelde).........................................................................7
HR 31 maart 2003 (Van der Gulik/Vissers)..........................................................................9
HR 11 juli 2008 (Stoof / Mammoet).................................................................................. 10
HR 28 maart 2008 (Philips/Oostendorp)............................................................................12
Hoorcollege 3: Bescherming bij ziekte en arbeidsongeschiktheid -
Loondoorbetalingsplicht ex art. 7:629 BW, ZW en WIA................................................... 14
HR 13 december 1991 (Goldsteen/Roeland)..................................................................... 14
CRvB 10 april 2001 (vage klachten aanslagregelaar)........................................................ 16
HR 30 september 2011 (Kummeling/Oskam)....................................................................18
CRvB 13 november 2024 (functies bij vaststellen arbeidsongeschiktheid).......................19
Hoorcollege 4: Grondslagen socialezekerheidsrecht - Volks- en
werknemersverzekeringen - Personele werkingssfeer: werknemers en ingezetenen.......20
CRvB 20 juni 2012 (zwervend bestaan op boot)............................................................... 20
HR 12 april 2013 (dubbele woonplaats Marokko).............................................................22
Hoorcollege 5: Systeem van het ontslagrecht - Opzegging - Ontslagvergoedingen -
Beëindigingsovereenkomst.................................................................................................... 24
HR 30 juni 2017 (New Hairstyle)...................................................................................... 24
Hof 's-Hertogenbosch 2 maart 2023 (Onveilige werkomgeving leidend tot
arbeidsongeschiktheid = ernstig verwijtbaar handelen werkgever)................................... 26
HR 15 november 2002 (Sietses/Sneek)..............................................................................28
Hoorcollege 6: Ontbinding - Ontslag op staande voet........................................................ 29
HR 16 februari 2018 (g-grond en verwijtbaarheid wg/wn)................................................29
Rb. Noord-Holland 5 januari 2021 (i-grond)..................................................................... 31
Hoorcollege 7: Werkloosheid (WW)..................................................................................... 33
CRvB 24 juni 2009 (doorwerkingsjurisprudentie).............................................................33
CRvB 8 november 2018 (verwijtbare werkloosheid)........................................................ 35
CRvB 12 november 2020 (zelfstandig onderzoek UWV)..................................................37
CRvB 15 februari 2024 (niet aanvaarden passende arbeid)............................................... 39
Hoorcollege 8: Bijstand (Participatiewet)............................................................................ 40
CRvB 28 augustus 2021 (boodschappenaffaire)................................................................ 40
CRvB 30 november 2021 (woonplaats)............................................................................. 42
, CRvB 10 december 2024 (nieuwe invulling dringende reden terugvordering)................. 44
CRvB 15 mei 2025 (toetsing besluit gebaseerd op beleid)................................................ 46
Hoorcollege 9: Collectief arbeidsrecht - Stakingsrecht.......................................................48
HR 14 januari 2000 (Boonen/Quicken)............................................................................. 48
HR 19 juni 2015 (Amsta)................................................................................................... 50
Ktr. Almere 6 december 2017 (onrechtmatige actie op het spoor).................................... 52
Vzr. Utrecht 20 december 2024 (beperking apothekerstaking Kerstweek)........................54
Hoorcollege 10:....................................................................................................................... 56
HR 17 maart 2023 (uitzendbureau Solutions)....................................................................56
HR 21 november 2025 (Upfield)....................................................................................... 58
Hoorcollege 11:....................................................................................................................... 59
Rb. Den Haag 26 mei 2025 (Beëindiging bed bad en brood onmenselijk)........................59
Rb. Groningen 5 oktober 2012 (Eemshaven).....................................................................61
HvJ EU 6 september 2018 (Alpenrind)..............................................................................63
HvJ EU 10 juni 2021 (Teampower)................................................................................... 65
Hoorcollege 12:....................................................................................................................... 66
,Hoorcollege 1: Inleiding sociaal recht - Kwalificatie
arbeidsovereenkomst - Goed werkgeverschap
HR 14 november 1997, ECLI:NL:HR:1997ZC2495
(Groen/Schoevers)
Feiten: Eiser verrichtte sinds 1991 onderwijswerkzaamheden voor Schoevers op basis van
een mondelinge overeenkomst. Op eigen voorstel van eiser werd de rechtsverhouding zo
ingericht dat de betalingen inclusief BTW geschiedden aan zijn commanditaire vennootschap
op basis van maandelijkse facturen. Schoevers hield geen loonbelasting of premies in, en
eiser genoot geen arbeidsvoorwaarden zoals vakantiebijslag of doorbetaling bij ziekte. Na
beëindiging van de relatie door Schoevers vorderde eiser schadevergoeding op grond van de
stelling dat sprake was van een arbeidsovereenkomst.
Rechtsvraag: Op welke wijze dient te worden vastgesteld of een overeenkomst tot het
verrichten van werk tegen betaling moet worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst in
de zin van art. 7:610 BW (oud art. 7A:1637a BW)?
Overwegingen (Ratio Decidendi):
● Maatstaf: Bij de kwalificatie van een overeenkomst is niet één enkel kenmerk
beslissend; de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben
verbonden, moeten in hun onderling verband worden bezien. Wat tussen partijen heeft
te gelden, wordt bepaald door hetgeen hun bij het sluiten van de overeenkomst voor
ogen stond (de partijbedoeling), mede in aanmerking genomen de wijze waarop zij
feitelijk uitvoering en inhoud aan de overeenkomst hebben gegeven.
● Subsumptie: De Hoge Raad oordeelt dat de Rechtbank terecht heeft gekeken naar de
inrichting van de overeenkomst. De tegenprestatie week zodanig af van wat bij een
arbeidsovereenkomst gebruikelijk is (geen looninhoudingen, betaling aan een CV) dat
van 'loon' in arbeidsrechtelijke zin geen sprake was. Daarnaast was de
gezagsverhouding onvoldoende aangetoond; de verplichting om op vaste tijden
aanwezig te zijn en richtlijnen te volgen past ook bij een overeenkomst van opdracht
(art. 7:402 BW). De maatschappelijke positie van eiser en het feit dat deze constructie
op zijn eigen initiatief was gekozen, wogen hierbij mee.
Beslissing: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en veroordeelt eiser in de
proceskosten. De uitspraak van de Rechtbank, waarin werd geoordeeld dat er geen sprake
was van een arbeidsovereenkomst, blijft in stand.
Rechtsregel: Of een overeenkomst een arbeidsovereenkomst is, hangt af van wat partijen bij
het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond en de wijze waarop zij hieraan feitelijk
uitvoering hebben gegeven. Hierbij is niet één kenmerk doorslaggevend, maar moeten alle
overeengekomen rechten en verplichtingen in onderling verband worden bezien.
, HR 24 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9722 (Beurspromovendi
UvA)
Feiten: De Universiteit van Amsterdam (UvA) stelde vanaf 1995 beurspromovendi aan die
op basis van een stipendium promotieonderzoek verrichtten en een dissertatie schreven. In de
overeenkomst was vastgelegd dat intellectuele eigendomsrechten toekwamen aan de UvA en
dat de hoogte van het stipendium afhankelijk was van de tijdsbesteding (fulltime of parttime).
Hoewel de UvA en de promovendi beoogden een promotiemodel te hanteren dat aansloot bij
de status van student, vorderde vakbond Abvakabo een verklaring voor recht dat er sprake
was van een arbeidsovereenkomst.
Rechtsvraag: Dienen de werkzaamheden van een beurspromovendus, gelet op de wettelijke
vereisten van arbeid, loon en gezagsverhouding, gekwalificeerd te worden als een
arbeidsovereenkomst in de zin van art. 7:610 BW?
Overwegingen (Ratio Decidendi):
● Maatstaf: De kwalificatie van de rechtsverhouding geschiedt aan de hand van art.
7:610 BW, waarbij beslissend is of de overeengekomen rechten en verplichtingen
voldoen aan de wettelijke definitie. Conform de maatstaf uit Groen/Schoevers komt
betekenis toe aan de partijbedoeling en de feitelijke uitvoering, maar de juridische
kwalificatie is dwingendrechtelijk indien aan de criteria wordt voldaan.
● Subsumptie:
○ Arbeid: Er is sprake van productieve arbeid omdat promovendi actief
bijdragen aan het primaire doel van de universiteit (wetenschappelijk
onderzoek) en de UvA hierbij financieel en prestigieus belang heeft.
○ Loon: Het stipendium wordt als tegenprestatie voor de arbeid aangemerkt; het
verband tussen de hoogte van het stipendium en de wekelijkse tijdsbesteding
ondersteunt dit loonkarakter.
○ Gezag: Het wettelijk rechtsvermoeden van art. 7:610a BW is van toepassing.
De UvA is er niet in geslaagd dit vermoeden te weerleggen, waardoor een
gezagsverhouding wordt aangenomen.
● Aanvullende Maatstaf (Collectieve actie): De rechter moet ambtshalve de
ontvankelijkheid toetsen aan art. 3:305a lid 2 BW (overlegverplichting) indien dit
verweer niet expliciet is prijsgegeven.
Beslissing: De Hoge Raad vernietigt het vonnis van de rechtbank wegens het niet behandelen
van een ontvankelijkheidsverweer en verwijst de zaak naar het gerechtshof voor verdere
behandeling. De inhoudelijke oordelen over de kwalificatie als arbeidsovereenkomst blijven
in cassatie echter overeind.
Rechtsregel: Bij de kwalificatie van een overeenkomst als arbeidsovereenkomst (art. 7:610
BW) is de feitelijke bijdrage aan de doelstellingen van de werkgever doorslaggevend voor het
element 'arbeid'; een andersluidende partijbedoeling kan niet voorkomen dat een
rechtsverhouding die materieel aan alle wettelijke vereisten voldoet, als arbeidsovereenkomst
wordt aangemerkt.