Compacte SAMENVATTING (in volgorde leerstof, geel =
tentamenonderwerp in what’s app groep, blauw= eigen
tentamenvraag)
Neuropsychologie wetenschapsgebied waarin de samenhang tussen
gedrag en de werking van de hersenen wordt
bestudeerd. Dit gedrag bestaat uit waarneembare
acties en reacties (overt gedrag), maar ook uit
innerlijke mentale processen zoals denken
(cognitie) en voelen (emotie). meer toegepast en
klinisch, vaak bij hersenschade
cognitieve meer fundamenteel en experimenteel, vaak bij
neurowetenschap gezonde mensen en doel is vaak begrijpen hoe
bepaalde cognitieve processen (als geheugen,
waarneming, aandacht etc.) ontstaan.
hersendisfuncties ‘schade’ niet te zien is of aan te tonen is op
hersenscans bijvoorbeeld de ontwikkelingsstoornis
autisme
Aristoteles (derde eeuw voor Christus) beweerde dat de ‘zetel
van de ziel’ zich in het hart bevond en zag de
hersenen als een orgaan van weinig belang. Hart
speelde centrale rol bij mentale functies.
Herophilus 4e eeuw voor Christus Ventrikelleer, daarin
waarneming, begrip en geheugen. Dit bleef
gangbare theorie tot in de 18e eeuw.
René Descartes (1596-1650) Franseman. Onder invloed van hem
veranderde deze visie. formuleerde een meer
relationeel standpunt waarbij de ratio (de geest) los
stond van het lichaam. Hij zag ook de geest als een
ongedeelde immateriële eenheid, ondanks dat
beweerde hij wel dat deze zich op een specifieke
plaats in de hersenen bevond, namelijk in de
pijnappelklier (Epifyse), midden tussen de twee
hersenhelften in
Gall mentale functies zijn gelokaliseerd in het brein =
lokalisatietheorie. Verschillende mentale functies,
onafhankelijk van elkaar, functioneren zelfstandig
Die delen zitten in de hersenschors; de cortex.
Frenologie
Frenologie sterkte hersenfunctie obv knobbels dikte,
‘taalknobbel’
Phineas Gage Schade lin frontale kwab, gedragsverandering, white
matter schade
Broca Spraak productie, linker frontaal kwab, Fransman
Wernicke Taal begrip, linker temporaal kwab, Duitser. niet
alleen dat specifieke hersengebieden voor spreken
en begrijpen bestaan, maar hij stelde ook dat deze
gebieden via verbindingsbanen in de hersenen
met elkaar verbonden zijn. Schade aan deze
verbindingsbanen zou volgens hem ook tot
Biologische grondslagen: neuropsychologie en psychofarmacologie 1
, specifieke functiestoornissen leiden
Heinrich Lissauer (1861-1891) Theoretisch model van
objectwaarneming. herkennen van objecten in
twee fase:
1. Apperceptie = actief en bewust betekenis geven
aan informatie/waarnemingen,
2. Associatie = passief verbinden van ideeën,
beelden of ervaringen in je geheugen; ‘klas-school-
leraarboeken’ /een abstract concept 4 poten, een
vlak, rechtopstaand einde = stoel wordt herkend als
iets waar je op kunt zitten.
apperceptieve Stoornissen in objectwaarneming bij apperceptie. Je
agnosie kunt verschillende elementen van een object niet
meer tot geheel vormen (verstoorde 1e fase =
onvermogen om losse elementen samen te voegen
tot een geheel + afbeelding van stoel niet
herkennen + natekenen)
associatieve Verstoorde 2e fase = fase kun je wel natekenen,
agnosie maar kun je niet herkennen wat je getekend hebt =
geen betekenisgeving =
Kurt Goldstein pleitte voor een meer holistische kijk op het
(1878-1965) functioneren van de hersenen. Mensen reageren
namelijk niet alleen op stimuli, hun gedrag wordt
ook beïnvloed door de omgeving, herinneringen,
gevoelens en motivatie. mensen daardoor heel
verschillend om gaan met de gevolgen van een
hersenbeschadiging in het dagelijks leven, ten dele
afhankelijk van de locatie of zelfs de ernst van de
hersenbeschadiging is een belangrijk uitgangspunt
geworden van (cognitieve) revalidatie.
Wilhelm Wundt grondlegger van de experimentele psychologie,
(1832-1920) ontwikkelde verschillende experimentele methode.
Wundt onderzocht uitsluitend gezonde
proefpersonen. De onderzoeksresultaten =>
verschillende theorieën over cognitieve functies
zoals waarneming, aandacht en cognitieve controle.
Franciscus een Utrechtse oogarts en hoogleraar fysiologie,
Donders (1818- grondlegger van de chronometrische analyse van
1889), mentale processen. ontwikkelde reactietijden taken:
eenvoudige reactietijden taken (druk op de knop bij
het verschijnen van een stimulus; detecteren),
keuzereactietijdtaken (druk op knop 1 bij stimulus A
en op knop 2 bij stimulus B; discrimineren) en go/no
go reactietijdentaken (druk op de knop bij stimulus
A, maar niet bij stimulus B = inhiberen).
beargumenteerde dat de verschillende reactietijden
tussen de verschillende taakcondities informatie
gaven over verschillende cognitieve functies.
Substractiemethod = systematische en kwantitatieve vergelijking van
e verschillende taakconditities (bijv bij fMri en
Biologische grondslagen: neuropsychologie en psychofarmacologie 2
, responstijden).
Francis Galton begon de ontwikkeling van de psychometrie; hij
(1822-1911) introduceerde verschillende statistische begrippen
als correlatie, regressie en normaalverdeling.
Psychometrie = ontwikkelen en gebruiken van tests, metingen en
statistiek om mentale functies te meten. Hij
vergelijkt individuele prestaties met een
vergelijkingsgroep, die representatief was voor de
hele populatie, legde daarmee de basis voor gebruik
van referentiegegevens = norm (bij beoordelen van
testprestaties).
Alfred Binet (1857- Fransman psychiater de eerste intelligentietest als
1911) alternatieve manier om naar individuele verschillen
te kijken. Deze test om het ontwikkelingsniveau van
kinderen vast te stellen. populair toen in 1916 de
Amerikaanse versie, de Stanford-Binet schaal, voor
volwassenen bij sollicitatieprocedures en militaire
keuring. later aangepast als neuropsychologische
test.
Luria was een Russische arts en psycholoog en een
belangrijke grondlegger van de moderne klinische
neuropsychologie.
Luria (1902-1977) Functionele theorie, een goede balans tussen
Rusland lokalisatietheorieën en holisme. A. Alle gebieden in
de hersenen zijn bij Luria betrokken bij drie
basisfuncties units, die met elkaar interacteren
1. Subcorticale hersengebieden, (o.a. de
hersenstam) Regulatie (activatie); + alertheid van
de hersenen = nodig om prikkels te kunnen
verwerken. 2.Posterieure gebieden (achterste
cortex; occipitaal, temporaal en pariëtaal) Input;
Zorgt voor verwerking van de zintuigelijke prikkels
(waarneming) 3. Anterior gebieden (frontale
kwabben) Output; planning en organisatie van het
handelen (executieve functies + zelfregulatie)
B. Binnen elke functionele unit wordt info verwerkt
op 3 niveaus/hiërarchisch georganiseerde zones:
C. De 3e globale indeling: gedrag kan worden
gemoduleerd door talige processen in de
linkerhersenhelft of niet-talige processen in de
rechterhersenhelft.
De theorie van Luria met de verschillende zones
wordt niet meer onderschreven.
Info verwerking Binnen elke functionele unit wordt info verwerkt op 3
niveaus/hiërarchisch georganiseerde zones
Primair (registratie, basisinfo verwerken zintuigen
of motoriek, modaliteit specifiek; bv. via ogen
gelijk verwerkt in visuele cortex
secundair (analyseren, betekenis geven van
zintuigen of motoriek)
Biologische grondslagen: neuropsychologie en psychofarmacologie 3
, tertiair (Integratie van informatie uit meerdere
zintuigen = een complexe mentale functie). niet-
modaliteit specifiek, dwz het wordt geïntegreerd
met informatie vanuit andere zintuigen
Hersenhelften Rechts => Niet talig, Linker hersenhelft => Talig,
taal spraak
Geschwind (1929- Droeg veel bij aan klinisch neuropsychologie als
1984) zelfstandig vakgebied. Belangrijke veronderstelling –
ontdekking dat er in de hersenen functionele centra
met elkaar verbonden zijn. verbinding verbroken;
leidt tot specifieke uitvalsverschijnselen. onderzoek
rond taalfuncties (afasie-unit). Dissociatie
Dissociatie Onderzoeken of cogn functies onafhankelijk zijn
Enkelvoudige diss In taak B maar niet in Taak A stoornis, zwak bewijs
Dubbele 2 patiënten tegengestelde patronen, taak A normaal
dissociatie of gestoord, Taak B gestoord of normaal, sterker
bewijs
neuropsychologisc Luria (Rusland): De Meander en de handgrepentest:
he tests gedragsneurologisch van aard –
Arthur Benton (1909-2006):
lichaamsperceptieprocessen, methoden om
motorische, taal spatiële etc. te meten (bij mensen
met hersenbeschadiging, er waren nog geen scans.
Brenda Milner (1918): Onderzoek naar geheugen en
functie van temporaalkwabben à deelfuncties van
geheugen werd hierdoor uitgebreid.
Edith Kaplan en Harold Goodglass: bedachten testen
om taalstoornissen te meten; ‘Boston naming Test’.
Edith Kaplan; testen voor executieve functies (D-
KEFS) = een kwantitatieve manier van meten, maar
ze vinden kwalitatieve analyse; doormiddel van
observatie van gedrag patiënt net zo belangrijk.
(Visie daarop = ‘Boston Proces Approach’) –
Donald Stuss Onderzocht patiënten met NAH + bijdrage aan
meerdere onafh kennis over executieve functies en de (pre)-frontale
netwerken (zie cortex. NAH patiënten blijken WEL goed op
verderop) psychometrische test, maar in de praktijk toch veel
moeite hebben met plannen en doelen stellen:
oorzaak = verminderd functioneren van de
prefrontale cortex.
DLPFC – task setting (dorsaal lateral)
DMPFC – initiëren en volhouden gedrag
Frontopolaire gebieden = monitoring
Gevalstudie Oliver Zangwill (1913-1987; VK) onderzocht
cognitieve functies van patiënten met hersenschade
+ adviseerde mensen in het dagelijks leven hoe ze
er mee om konden gaan door training of
compensatie van verloren vaardigheden. Ook gaf hij
diagnostiek en zorg voor patiënten met hersenletsel
systematisch een plaats in het zorgsysteem.
Biologische grondslagen: neuropsychologie en psychofarmacologie 4