Inhoudsopgave
Stramien............................................................................................................................. 3
Wetgeving....................................................................................................................... 3
Besluit modellen jaarrekening......................................................................................... 3
Opbouw jaarrekening....................................................................................................... 3
IFRS/ RJ............................................................................................................................ 4
Conceptual framework/ stramien.....................................................................................4
Grondbeginselen.......................................................................................................... 4
Kwalitatieve kenmerken...............................................................................................4
Waarderingsgrondslagen................................................................................................. 4
Belastingen na de winst...................................................................................................... 5
Definitie........................................................................................................................... 5
Verwerking...................................................................................................................... 5
Waardering...................................................................................................................... 6
Fiscale eenheid................................................................................................................ 6
Voorbeeld........................................................................................................................ 6
Duurzaamheid.................................................................................................................... 7
Definitie........................................................................................................................... 7
ESG.................................................................................................................................. 7
Dubbele materialiteit....................................................................................................... 8
EU-taxonomie.................................................................................................................. 8
FVA..................................................................................................................................... 9
Soorten FVA..................................................................................................................... 9
Deelneming.................................................................................................................. 9
Dochtermaatschappij.................................................................................................... 9
Joint ventures............................................................................................................... 9
Waardering...................................................................................................................... 9
Deelnemingen met invloed van betekenis..................................................................10
Deelnemingen zonder invloed van betekenis.............................................................10
Deelnemingen met negatief eigen vermogen.............................................................10
Wettelijke reserve deelneming...................................................................................10
Consolidatie...................................................................................................................... 11
Voorwaarden................................................................................................................. 11
Consolidatieplicht.......................................................................................................... 11
Soorten consolidatie...................................................................................................... 11
1
, IFRS............................................................................................................................... 12
Gebeurtenissen na balansdatum......................................................................................13
Wettelijke reserve............................................................................................................. 14
Dividenduitkering.......................................................................................................... 14
Soorten wettelijke reserves........................................................................................... 14
Pensioenen....................................................................................................................... 16
Op aandelen gebaseerde betalingen................................................................................17
Definitie......................................................................................................................... 17
Verwerking.................................................................................................................... 17
Organisaties zonder winstoogmerk...................................................................................19
Crypto............................................................................................................................... 20
Bijzondere waardevermindering.......................................................................................21
Impairmenttest.............................................................................................................. 21
Terugdraaien bijzondere waardevermindering..............................................................22
2
,STRAMIEN
WETGEVING
BW2, titel 9 dient gevolgd te worden
IFRS, RJ, Dutch GAAP is invulling van de wet
Artikel 2:362 kapstokartikel jaarrekening geeft volgens maatschappelijk
aanvaardbare normen zodanig inzicht dat er een verantwoord oordeel kan worden
gevormd omtrent het vermogen en het resultaat van de onderneming, alsmede voor
zover de activiteiten dit toelaten de solvabiliteit en liquiditeit.
Derogatiebeginsel = afwijken van de BW2, titel 9 MOET wanneer het volgen van de
wet een misleidend beeld geeft
Aanvullende gegevens opnemen, afwijking toelichten
Toelichting mag geen correctie zijn op balans of W/V
Afwijken van RJ richtlijnen de dikgedrukte regels MOETEN gevolgd worden, overige
regels niet. Maar in principe geldt, RJ volgen = voldoen aan de wet
BESLUIT MODELLEN JAARREKENING
BMJ is onderdeel van de wet en moet gevolgd worden, afwijken hiervan is een
stelselwijziging
- Benamingen mogen worden aangepast als dat het inzicht vergroot
- Tussentellingen mogen worden opgenomen als dat de structuur niet verstoort
Als wordt afgeweken van de modellen kan de accountant niet verklaren dat de
jaarrekening aan BW2, titel 9 voldoet.
OPBOUW JAARREKENING
Volgens BW2, titel 9:
- Balans
- W/V rekening
- Toelichting (mag geen correctie zijn op balans en W/V)
- Bestuursverslag
- Overige gegevens (resultaatbestemming, controleverklaring, zeggenschap)
Volgens RJ
- Kasstroomoverzicht (middelgroot)
- Overzicht totaalresultaat (groot)
3
,IFRS/ RJ
Bij jaarrekening volgens RJ mag IFRS 15 (opbrengstverantwoording) en IFRS16 (leasing)
worden toegepast. Vergelijkbaarheid komt hierdoor wel in het geding.
Wanneer Nederlandse beursgenoteerde onderneming IFRS toepast, moet BW2, titel 9
worden gevolg voor:
- Wettelijke reserve ontwikkelingskosten
- Vermelding verschil tussen EV en resultaat enkelvoudig en geconsolideerd
- Herwaarderingsreserve
- Bestuursverslag
CONCEPTUAL FRAMEWORK/ STRAMIEN
GRONDBEGINSELEN
Continuïteitsbeginsel onderneming kan op dezelfde voet doorgaan
Toerekeningsbeginsel activiteiten toerekenen aan periode waarop het ziet
Matchingprincipe kosten matchen aan opbrengsten
Realisatieprincipe winsten pas nemen als ze gerealiseerd zijn, kosten direct
KWALITATIEVE KENMERKEN
Begrijpelijkheid begrijpelijk voor gebruiker met redelijke kennis
Vergelijkbaarheid zowel in de tijd als tussen jaarrekeningen (stelselmatigheidsbeginsel)
Betrouwbaarheid vrij van wezenlijke onjuistheden en vooroordelen (substance over
form en voorzichtigheidsbeginsel)
Relevantie mate waarin informatie economische beslissingen van gebruikers
beïnvloed (toerekeningsbeginsel + materialiteitsbeginsel)
WAARDERINGSGRONDSLAGEN
Historische kostprijs
1. Verkrijgingsprijs prijs waartegen actief is verworven incl. bijkomende kosten
2. Vervaardigingsprijs kosten van grond- en hulpstoffen + direct toerekenbare
kosten
Actuele waarde (fair value)
1. Actuele kostprijs wat het op dit moment zou kosten
2. Opbrengstwaarde wat het op dit moment zou opleveren – kosten voor verkoop
3. Bedrijfswaarde contante waarde van toekomstige kasstromen (indirecte
opbrengstwaarde)
4. Marktwaarde/ fair value/ reële waarde niet in stramien wat 2 onafhankelijke,
goed geïnformeerde partijen zouden betalen. Level 1 t/m 3 waarbij 1 het
betrouwbaarste en 3 vooral op basis van schattingen.
4
,BELASTINGEN NA DE WINST
DEFINITIE
Belastingen voor de winst
- Omzetbelasting
- Loonbelasting
- Dividendbelasting
- Invoerrechten
- Accijns
- Gemeentelijke heffingen
Belastingen na de winst zijn alle binnenlandse en buitenlandse belastingen die worden
geheven over de fiscale winst vennootschapsbelasting
VERWERKING
Waarom?
Latente belastingen worden gevormd voor het toerekeningsbeginsel (matchingprincipe).
Je wil de kosten toerekenen aan de periode waar zij hebben plaats gevonden. De
belastinglast is hoger of lager door de wijziging in de fiscale winst, daarom moet er een
belastinglatentie gevormd worden.
Mogelijke verschillen tussen commercieel en fiscaal
- Tijdelijke verschillen verschillen tussen commerciële boekwaarde en de
fiscale boekwaarde, welke op een latere moment worden teruggedraaid. Dit wordt
teruggedraaid door desinvesteringen en / of afschrijvingen.
o Afschrijving van een pand (fiscaal tot WOZ-waarde, commercieel tot
restwaarde)
o Herwaarderingsreserve
o Voorzieningen (fiscaal mag minder snel een voorziening worden getroffen,
commercieel is vaak ruimer)
o Schulden (fiscaal is nominale waarde, commercieel is geamortiseerde
kostprijs)
- Overige tijdelijke verschillen (permanent) kunnen niet op een later moment
worden teruggedraaid. Dit zorgt voor een afwijking tussen de effectieve en
nominale belastinglast welke toegelicht dient te worden in de jaarrekening.
o Kleinschalige investeringsaftrek (zorgt voor lagere fiscale winst)
o Boetes (hogere fiscale winst)
o Deelnemingsvrijstelling (>50%)
o Veel entiteiten in het buitenland met lagere belasting (geconsolideerd)
Voor de tijdelijke verschillen wordt een belastinglatentie opgenomen.
Behalve voor goodwill, ook niet als dit een tijdelijk verschil betreft, want als je voor
goodwill een belastinglatentie vormt dan beïnvloed dat de waarde van de identificeerbare
activa en passiva waar weer een latentie voor gevormd moet worden.
Er zijn 2 soorten belastinglatenties mogelijk:
1. Latente belastingverplichting commerciële activa is hoger gewaardeerd dan
fiscaal of commerciële passiva is lager gewaardeerd dan fiscaal
Belastingkosten (commerciële winst * 25% van hogere waarde)
A) latente belastingverplichting (commerciële winst – fiscale winst * 25%)
5
, A) te betalen belasting (fiscale winst * 25% van de lagere waarde)
2. Latente belastingvorderingen alleen bij waarschijnlijkheid toekomstige fiscale
winsten
a. Verrekenbare tijdelijke verschillen (commerciële activa lager dan fiscaal
etc.)
b. Voorwaartse verliescompensatie
c. Beschikbare fiscale verrekeningsmogelijkheden
Belastingkosten (commerciële winst * 25% van de lagere waarde)
Latente belastingverplichting (commerciële winst – fiscale winst * 25%)
A) te betalen belasting (fiscale winst * 25% van de hogere waarde)
WAARDERING
Nominale waarde of contante waarde (contant maken o.b.v. netto rente, alleen mogelijk
bij RJ)
Waardering op basis van de verwachte van toepassing zijnde belastingtarieven
FISCALE EENHEID
- De moeder rekent af met de dochter alsof deze zelfstandig belastingplichtig is. De
moeder krijgt direct een vordering op de dochter rekening houdend met
mogelijkheden verliescompensatie door de dochter.
- De moeder draagt de gehele belastinglast, geen allocatie. Er ontstaat hierbij geen
vordering/schuld tussen de moeder en de dochter.
- De moeder rekent af op basis van de fiscale resultaat, met allocatie
belastingvoordeel van de fiscale eenheid. De moeder krijgt direct een vordering op
de winstgevende dochter o.b.v. het fiscale resultaat.
- De moeder rekent af op basis van het commercieel resultaat. De moeder krijgt
direct een vordering op de winstgevende dochter o.b.v. het commercieel resultaat.
VOORBEELD
In mondeling wordt gezegd, er is € 100.000 verlies.
Eerst vragen of dit commercieel of fiscaal verlies is
Is er in het jaar ervoor winst behaald?
Reactie: vorig jaar was 50.000 winst, waarover 10.000 belasting is betaald, hiervan is
40.000 overgehouden
De winst van vorig jaar mag verrekend worden, dus de 10K wordt een vordering
Boeking is dan Vordering 10.000 A) VPB bate 10.000
Is de verwachting dat er in de komende jaren winst gemaakt zal worden?
Reactie: elk jaar 50K winst de komende jaren (maakt niet uit als er na 2 jaar verlies is,
zolang per saldo maar voldoende winst wordt gemaakt) (carry forward is oneindig)
Restant verlies van dit jaar wordt als latentie opgenomen (uitgaande van 20%
VPB)
Boeking is dan Latentie 10.000 A) VPB bate 10.000
6