Verandering:
- De wijze waarop mensen zich van elkaar onderscheiden en tot elkaar verhouden
- en de manier waarop samenlevingen in de sociale zin vorm geven aan deze
verschillen.
- Het verwijst ook naar onderlinge betrekkingen tussen staten
H1: Het statensysteem
Moderne statensysteem: gevolg van staatsvorming in West-Europa vanaf 1450, erkenning
van elkaar: 1648.
Statensysteem: regeling van onderlinge verhoudingen tussen staten, binnen Europa
bestaan gelijkwaardige staten.
Non-interventiebeginsel/soevereiniteitsbeginsel: alle staten zijn gelijkwaardig, dus je
mag je niet bemoeien met de interne aangelegenheid van een staat → verspreidde over de
hele wereld, eerst via kolonies (Japan uitzondering), in 21e eeuw werd alles ingedeeld.
Staatsvorming:
- De institutionalisering van politieke macht tot staat.
Kenmerken van een staat:
● Interne soevereiniteit:
○ Het hoogste gezag regeert over een groep mensen
○ binnen een bepaald grondgebied
○ en het hoogste gezag bezit de gewelds- en belastingmonopolie.
● Externe soevereiniteit: andere staten erkennen het hoogste gezag.
Macht:
- Het vermogen om hulpbronnen in te zetten
- om bepaalde doelstellingen te bereiken
- en de handelingsmogelijkheden van anderen te beperken of te vergroten.
Machtsniveaus:
● Microniveau: machtsverschillen tussen personen;
● Mesoniveau: machtsverschillen tussen groepen en organisaties;
● Macroniveau: machtsverschillen tussen landen en/of internationale organisaties.
Formele macht: formeel afgesproken macht, vastgelegd in wetten en contracten.
Informele macht: niet vastgelegde macht, andere redenen zoals charisma.
Machtsbronnen:
● Economische bronnen: geld, productiemiddelen;
● Cognitieve bronnen: kennis;
● Politieke bronnen: wetten, militaire middelen;
● Affectieve bronnen: charisma.
Politieke macht: het vermogen om politieke besluitvorming te beïnvloeden, vastgelegd in
artikel 81 van de Nederlandse grondwet.
, Gezag:
- Macht die als legitiem beschouwd wordt.
Actor ontleend gezag door bronnen:
● Persoonlijke kwaliteiten;
● Positie;
● Prestaties.
Machtsmethodes:
● Besluitvormingsmethode: macht door inbreng in besluiten die gerealiseerd worden;
○ Kritiek law of anticipated reactions: macht bestaat ook op een minder
zichtbare manier, gedrag wordt ook bepaalt door verwachting van besluiten
van machtige landen;
● Positiemethode: hoe meer relaties een land heeft, hoe meer macht;
● Inventarisatie van machtsbronnen: hoe meer hulpbronnen een land heeft, hoe
meer macht.
,H2: Internationale organisaties
2.1 Samenwerken, waarom en hoe?
Samenwerking komt tot stand door wederzijds voordeel/ adequate aanpak van probleem.
→ Wordt belemmerd door:
● Gebrek aan wederzijds vertrouwen;
● Dilemma van de collectieve actie (wat leidt tot het free-riders probleem).
Samenwerking:
● Bilateraal: samenwerking tussen 2 staten.
● Multilateraal: samenwerking tussen meer dan 2 staten:
○ Intergouvernementeel: besluiten op basis van unanimiteit, je kan niet aan
besluiten gebonden worden zonder eigen instemming.
○ Supranationaal: bovenstatelijk orgaan kan besluiten opleggen zonder eigen
instemming, een deel van de autonomie van een staat wordt ingeleverd.
2.2 Verenigde Naties en NAVO
De Verenigde Naties:
● Intergouvernementele multilaterale organisatie;
● Internationale recht, mondiale veiligheid, bevorderen mensenrechten, ontwikkeling
wereldeconomie, onderzoek maatschappelijke en culturele ontwikkelingen;
● Algemene Vergadering: alle lidstaten hebben 1 stem:
○ Voor belangrijke zaken ⅔-meerderheid, anders ½-meerderheid;
○ NIet bindend, verspreidt ideeën en geeft geld uit.
● Veiligheidsraad:
○ Vrede en veiligheid, bindende sancties en militaire geweldsmiddelen;
○ Permanente leden: China, Engeland, Frankrijk, VS en Rusland met vetorecht
mogen tegenstemmen waardoor niks doorgaat;
○ De andere 10 leden worden elke 2 jaar gekozen door Algemene Vergadering.
NAVO:
● Intergouvernementeel;
● 32 landen: Noord-Amerika en Europa;
● Artikel 5: bondgenoten zullen ingrijpen als een deelnemend land bedreigd wordt;
● Tot 1989: collectieve verdediging tegen de Sovjet-Unie (vanaf 1949);
● Na 1989: offensieve inzet, stabiliteit, veiligheid, conflictpreventie en crisisbehering.
2.4 De Europese Unie
Europese Unie:
● 27 lidstaten;
● Doelstellingen: economische voorspoed en oorlog voorkomen;
● Supranationaal: landbouw, milieu en criminaliteit;
● Intergouvernementeel: buitenlandbeleid, defensie, nieuwe stateń;
● Interne markt: vrij verkeer van goederen, diensten en kapitaal binnen de EU.
● Meer samenwerking gaat ten koste van de nationale soevereiniteit.
, Trias politica in de EU
Wetgevende macht Uitvoerende macht Rechterlijke macht
Raad van de Europese Unie Europese Commissie Hof van Justitie van de
Europees Parlement Europese Unie
Europese Commissie
Europese Raad: leider van alle lidstaten, het bepaalt politieke beleidslijnen en prioriteiten.
Raad van de Europese Unie/Ministers: ministers uit de lidstaten, keuren wetsvoorstellen
goed of af.
Europees Parlement: om de 5 jaar direct gekozen waarbij zetels worden bepaald op basis
van inwonersaantal. Ze stellen de wetgeving vast, hebben democratische controle en
begrotingsautoriteit.
Europese Commissie: 1 commissaris per lidstaat, zorgen voor het dagelijks bestuur, maakt
wetsvoorstellen en voert wetten uit.
Europese Hof van Justitie: rechtsprekende instantie, kijkt toe op een uniforme uitleg en
toepassing van het recht in de Europese Unie.
Wetgevingsproces: