1. Wat is de kernfocus van psychodynamische therapie met betrekking tot de
therapeutische relatie?
A) Het aanleren van nieuwe sociale vaardigheden door middel van modellering door de
therapeut.
B) Het verkrijgen van inzicht in hoe onderliggende patronen zich herhalen in de relatie
met de therapeut.
C) Het creëren van een onvoorwaardelijke acceptatie zodat de cliënt zelf tot groei kan
komen.
D) Het direct uitdagen van disfunctionele overtuigingen die binnen de sessie naar voren
komen.
2. Hoe definieert Carl Rogers de 'niet-directieve houding' binnen de
humanistische stroming?
A) De therapeut vermijdt elk persoonlijk contact om de objectiviteit van de behandeling
te waarborgen.
B) De therapeut fungeert als een blanco scherm waarop de cliënt zijn emoties kan
projecteren.
C) De therapeut stuurt de cliënt actief weg van onbewuste conflicten naar het hier-en-
nu.
D) De therapeut biedt een steunend klimaat zonder te sturen, waarbij de autonomie van
de cliënt centraal staat.
3. Welke theoretische aanname vormt de fundamentele basis van het Cognitieve
Gedragstherapie (CGT) model?
A) De interpretatie van een gebeurtenis bepaalt de emotionele en gedragsmatige
reactie, niet de gebeurtenis zelf.
B) Psychische klachten ontstaan primair door biologische tekorten in de
neurotransmissie.
C) Gedrag is een direct resultaat van onbewuste driften die door vroege trauma's zijn
gevormd.
D) Emotionele blokkades kunnen alleen worden opgeheven door het herbeleven van de
primaire emotie.
4. Wat is een essentieel onderdeel van Evidence-based practice bij het kiezen van
een behandelmethode?
A) De voorkeur van de instelling waar de behandeling plaatsvindt als leidend principe
hanteren.
B) Het uitsluitend vertrouwen op de meest recente gerandomiseerde gecontroleerde
onderzoeken (RCT's).
2
,C) Het toepassen van de methode die de therapeut tijdens zijn basisopleiding het beste
heeft geleerd.
D) De integratie van wetenschappelijk bewijs met klinische expertise en de unieke
context van de cliënt.
5. Waarom zijn 'common factors' volgens onderzoekers zoals Wampold cruciaal
voor de effectiviteit van therapie?
A) Omdat zij een groter deel van de variantie in behandeluitkomsten verklaren dan
specifieke technieken.
B) Omdat zij de enige factoren zijn die meetbaar zijn in een gestandaardiseerde
klinische setting.
C) Omdat common factors de biologische basis van psychische stoornissen direct
beïnvloeden.
D) Omdat specifieke technieken alleen werken bij cliënten met een zeer hoge mate van
intelligentie.
6. Uit welke drie componenten bestaat de therapeutische alliantie volgens de
klassieke definitie van Bordin?
A) Echtheid, empathie en onvoorwaardelijke positieve acceptatie van de cliënt.
B) Vrije associatie, droomanalyse en de interpretatie van overdracht door de therapeut.
C) Sociale steun, psycho-educatie en de technische vaardigheid van de behandelaar.
D) Overeenstemming over doelen, overeenstemming over taken en de emotionele
band.
7. Wat karakteriseert de 'echte relatie' tussen therapeut en cliënt, in tegenstelling
tot overdracht?
A) Het is de hiërarchische verhouding waarbij de therapeut de expertrol op zich neemt.
B) Het omvat de technische afspraken over de duur en de kosten van de behandeling.
C) Het is de persoonlijke band gebaseerd op oprechtheid, los van rollen of projecties.
D) Het is de onbewuste herhaling van de ouder-kind relatie binnen de behandelkamer.
8. Hoe beïnvloedt een onveilige hechtingsstijl bij een cliënt doorgaans het
therapeutisch proces?
A) Het leidt tot een onmiddellijke en diepe emotionele band met de therapeut door de
noodzaak aan steun.
B) Het heeft geen invloed op de alliantie, aangezien de therapeut getraind is om
neutraal te blijven.
C) Het vereist vaak meer tijd en inspanning van de therapeut om een stabiele alliantie
en vertrouwen op te bouwen.
D) Het zorgt ervoor dat de cliënt de specifieke technieken van de therapie sneller
internaliseert.
3
, 9. Wanneer wordt 'overdracht' als een bedreiging voor de therapeutische relatie
beschouwd?
A) Wanneer de cliënt de therapeut begint te zien als een deskundige op het gebied van
de klachten.
B) Wanneer de cliënt weigert om over ervaringen uit de vroege jeugd te praten.
C) Wanneer het leidt tot onbewuste weerstand of onbegrip die de samenwerking
belemmert.
D) Wanneer de therapeut gevoelens van de cliënt herkent als afkomstig uit diens
verleden.
10. Wat is essentieel voor een therapeut bij het hanteren van 'tegenoverdracht'?
A) De eigen emoties volledig onderdrukken om een professionele afstand te bewaren.
B) Alle eigen gevoelens direct delen met de cliënt om de echtheid van de relatie te
bevorderen.
C) De therapie direct beëindigen zodra er sprake is van enige emotionele reactie op de
cliënt.
D) Zich bewust zijn van de eigen reacties om de objectiviteit en kwaliteit van de zorg te
bewaken.
11. Wat is het belangrijkste onderscheid tussen het medisch model en Wampolds
contextueel model?
A) Het contextueel model negeert de rol van de therapeut en focust volledig op de
omgeving van de cliënt.
B) Het contextueel model stelt dat de genezende setting en sociale context bepalend
zijn, niet specifieke ingrediënten.
C) Het medisch model is alleen voor fysieke klachten, terwijl het contextueel model voor
psyche is.
D) Het medisch model focust op praten, terwijl het contextueel model focust op
medicatie.
12. Wat houdt het humanistische concept van de 'actualisatietendens' in?
A) De automatische aanpassing van het individu aan de sociale normen van de directe
omgeving.
B) De neiging van een cliënt om symptomen te verergeren om aandacht van de
omgeving te krijgen.
C) De noodzaak om trauma's uit het verleden te herhalen om ze uiteindelijk te kunnen
verwerken.
D) Een aangeboren drang van ieder mens om het eigen potentieel te verwezenlijken en
te groeien.
4