Hoorcollege 1: Introductie en Beschrijving van Diagnose & Assessment van DSM - 5
Persoonlijkheidsstoornissen.....................................................................................................................................2
Hoorcollege 2: Epidemiologie, Verloop en Risicofactoren van Persoonlijkheidsstoornissen...............................20
Hoorcollege 3: Cluster C Persoonlijkheidsstoornissen en Assessment..................................................................38
Etiologie: Gen-Omgevingsinteractie......................................................................................................................41
In de Diepte: Afhankelijke Persoonlijkheidsstoornis.............................................................................................44
In de Diepte: Vermijdende Persoonlijkheidsstoornis.............................................................................................46
Drie Huidige Grote Studies over Cluster C Persoonlijkheidsstoornissen..............................................................49
Assessment van Persoonlijkheidsstoornissen in de Klinische Praktijk..................................................................50
Cluster B: Psychopathie en Antisociale Persoonlijkheidsstoornis.........................................................................55
Psychopathie en de criteria van Cleckley...............................................................................................................56
Hoorcollege 5: Borderline Persoonlijkheidsstoornis..............................................................................................69
Persoonlijkheidsstoornissen: Uitgebreide samenvatting (2023)............................................................................69
Persoonlijkheidsstoornissen...................................................................................................................................76
Narcistische en Histrionische Persoonlijkheidsstoornis.........................................................................................83
Assessment van Narcistische Persoonlijkheidsstoornis.........................................................................................91
Histrionische/ Theatrale Persoonlijkheidsstoornis.................................................................................................92
Histrionische Persoonlijkheidsstoornis in de Diepte..............................................................................................93
Histrionische Persoonlijkheidsstoornis en Gender.................................................................................................94
Hoorcollege 7: Schema Therapie...........................................................................................................................98
Hoorcollege 8: Schizotypische, Schizoïde en Paranoïde Persoonlijkheidsstoornis.............................................110
Paranoïde Persoonlijkheidsstoornis in de Diepte.................................................................................................120
Hoorcollege 9: Mentalization Based Treatment...................................................................................................122
Biobehavioral “Switch” Model............................................................................................................................128
Hoorcollege 1: Introductie en Beschrijving van
Diagnose & Assessment van DSM - 5
Persoonlijkheidsstoornissen
Persoonlijkheid
Langdurige patronen van waarnemen, omgaan met en denken over de omgeving en zichzelf
die worden vertoond in een breed scala van sociale en persoonlijke contexten.
Persoonlijkheidsstoornis
Een langdurig en blijvend patroon van innerlijke ervaring en gedrag dat afwijkt van de
verwachting van de cultuur van een individu. Het is pervasief (in meerdere levensdomeinen
aanwezig) en inflexibel. De stoornis begint doorgaans in de adolescentie of vroege
2
,volwassenheid, is stabiel over de tijd en leidt tot klinisch significant lijden of beperkingen op
sociaal, beroepsmatig of andere gebieden van functioneren.
Egosyntonisch
Een kenmerk van persoonlijkheidsstoornissen waarbij de patiënt de symptomen en
gedragingen ervaart als passend bij de eigen identiteit en het zelfbeeld. Dit staat in contrast
met egodystonische stoornissen (zoals angststoornissen), waarbij de symptomen als vreemd
of ongewenst worden ervaren.
Interferentie met adaptief interpersoonlijk functioneren
De mate waarin een persoonlijkheidsstoornis het vermogen van een individu belemmert om
op een gezonde en functionele manier interacties aan te gaan met anderen in de sociale
omgeving.
De Drie P’s
De drie kernvoorwaarden waaraan voldaan moet worden om van een
persoonlijkheidsstoornis te kunnen spreken: Pervasief (aanwezig in verschillende
contexten), Persistent (blijvend en langdurig) en Pathologisch (leidend tot lijden of
beperkingen).
Prognostische factoren
De specifieke situatie, toestand of karakteristieken van een persoon die door een
diagnosticus in overweging worden genomen bij het opstellen van een prognose (de
voorspelling over het verloop van de stoornis).
Differentiële diagnose
Het identificeren van een alternatieve diagnose voor de klachten van een patiënt, om uit te
sluiten dat de symptomen door een andere (mentale) ziekte worden veroorzaakt.
Algemene Criteria DSM - 5 Persoonlijkheidsstoornissen
Criterium A (Langdurig patroon)
Een patroon van innerlijke ervaring en gedrag van minstens 5 jaar dat opmerkelijk afwijkt
van de verwachtingen binnen de samenleving van het individu. Dit moet tot uiting komen
op twee of meer van de volgende gebieden: cognitie, affectiviteit, interpersoonlijk
functioneren of impulscontrole.
Cognitie
3
, Binnen de context van persoonlijkheidsstoornissen verwijst dit naar de specifieke manieren
waarop een individu zichzelf, anderen en gebeurtenissen in de wereld om zich heen
waarneemt en interpreteert.
Affectiviteit
De emotionele huishouding van een individu, inclusief het bereik, de intensiteit, de
aansprakelijkheid (labiliteit) en de geschiktheid van de emotionele reacties op situaties.
Impulscontrole
Het vermogen om directe impulsen te beheersen. Bij bepaalde stoornissen, zoals de
antisociale persoonlijkheidsstoornis, is er sprake van moeite met het remmen van impulsen,
een gebrek aan inlevingsvermogen in anderen en een sterke focus op
kortetermijnbevrediging van behoeften.
Criterium B (Inflexibiliteit)
De eis dat het pathologische patroon inflexibel is en pervasief aanwezig is over een breed
scala aan persoonlijke en sociale situaties.
Criterium C (Lijden en beperking)
De voorwaarde dat het langdurige patroon moet leiden tot klinisch significant lijden of
beperkingen in het sociaal of beroepsmatig functioneren, ook wel functionele beperking en
leed genoemd.
Criterium D (Stabiliteit)
De vaststelling dat het patroon stabiel is en van lange duur, waarbij het beginpunt kan
worden herleid tot ten minste de adolescentie of de vroege volwassenheid.
Criterium E (Uitsluiting andere mentale stoornis)
Het patroon mag niet beter verklaard kunnen worden als een manifestatie of een direct
gevolg van een andere mentale stoornis.
Criterium F (Fysiologische oorzaken)
Het blijvende patroon mag niet te wijten zijn aan de directe fysiologische effecten van een
middel (zoals drugs of medicatie) of een andere medische aandoening (zoals een
hoofdtrauma).
Exclusiecriteria
Onderscheid van situationele stressoren
4