1. Wat is het fundamentele onderscheid tussen algemene wetenschappelijke
diagnostiek en empirisch-wetenschappelijke diagnostiek?
A) Wetenschappelijke diagnostiek richt zich op de hulpverleningsrelatie, terwijl
empirische diagnostiek zich uitsluitend richt op testpsychologie.
B) Algemene diagnostiek gebruikt uitsluitend intuïtie, terwijl empirische diagnostiek zich
baseert op systematische observatie.
C) Het onderscheid ligt in het gebruik van labels; empirische diagnostiek vermijdt
etikettering volledig om objectiviteit te behouden.
D) Empirisch-wetenschappelijke diagnostiek baseert conclusies uitsluitend op
wetenschappelijk getoetste theorieën om verifieerbaarheid te garanderen.
2. Waarom wordt intervisie beschouwd als een essentieel onderdeel van het
'handelen als psychodiagnosticus'?
A) Het is de enige methode om het 'ik moet iets doen'-syndroom volledig uit de praktijk
van de hulpverlener te bannen.
B) Het stelt de diagnosticus in staat om de cliëntgerichte attitude te laten varen ten
gunste van een puur autoritaire rol.
C) Het dient als een juridische indekking voor het stellen van complexe diagnoses bij
cliënten met een dubbele problematiek.
D) Het versterkt de professionaliteit door resultaten uit te wisselen en de effectiviteit van
gebruikte theorieën kritisch te toetsen.
3. Binnen de cliëntgerichte benadering van Rogers wordt de therapeut gezien als
een 'facilitator'. Wat houdt deze rol in met betrekking tot zelfactualisering?
A) De therapeut fungeert als een rolmodel dat de cliënt instrueert hoe zelfactualisering
in de praktijk bereikt moet worden.
B) De therapeut analyseert de cognitieve informatieverwerking en corrigeert foutieve
schema's die groei belemmeren.
C) De therapeut stuurt het proces directief aan om de cliënt zo snel mogelijk naar
maatschappelijk aangepast gedrag te leiden.
D) De therapeut schept de noodzakelijke condities zodat de cliënt via een natuurlijk
groeiproces zelf tot inzichten komt.
4. Waarom is het 'ik moet iets doen'-syndroom een specifieke valkuil tijdens de
verkennende fase van de diagnostiek?
A) Omdat de cliënt doorgaans geen behoefte heeft aan verandering, maar enkel aan
onvoorwaardelijke positieve waardering.
B) Omdat de hulpverlener hiermee zijn professionele autoriteit verliest en te veel
2
,nabijheid creëert bij de cliënt.
C) Omdat het direct geven van advies de overdracht en tegenoverdracht tussen cliënt
en hulpverlener onmogelijk maakt.
D) Omdat ongevraagd advies de complexiteit vaak miskent en de cliënt de autonomie
ontneemt om zelf eigenaar van de oplossing te worden.
5. Wat is volgens Rogers het gevolg van 'conditional regard' op de
psychologische ontwikkeling van een individu?
A) Het bevordert de integratie van nieuwe ervaringen door duidelijke maatschappelijke
kaders te stellen.
B) Het leidt tot een verbeterde informatieverwerking omdat de cliënt leert differentiëren
tussen wat 'is' en wat 'moet'.
C) Het versterkt de therapeutische alliantie doordat de cliënt de grenzen van de
hulpverlener leert respecteren.
D) Het belemmert de spontaniteit omdat de cliënt zich gaat gedragen naar de
verwachtingen van anderen om waardering te krijgen.
6. Hoe definieert de cliëntgerichte benadering de staat van 'incongruence'?
A) Een discrepantie tussen wie de persoon werkelijk is (zijn) en wie de persoon denkt te
moeten zijn voor anderen.
B) Een gebrek aan overeenstemming tussen de wetenschappelijke theorie en de
klinische praktijk van de diagnosticus.
C) Een falen in het integreren van traumatische ervaringen in het langetermijngeheugen
volgens cognitieve processen.
D) Een inconsistentie tussen de verbale en non-verbale signalen die de hulpverlener
tijdens een sessie uitzendt.
7. Een cliënt vertoont gevaarlijk rijgedrag in een woonwijk. Hoe past een
hulpverlener hier 'onvoorwaardelijke aanvaarding' toe?
A) Door het gedrag niet te veroordelen, maar op zoek te gaan naar de achterliggende
motivatie of de intentie van de cliënt.
B) Door expliciet te benoemen dat het gedrag gevaarlijk is, om de cliënt te confronteren
met de maatschappelijke realiteit.
C) Door het gedrag te negeren en uitsluitend te focussen op de gevoelens die de cliënt
op dat moment ervaart.
D) Door de cliënt te vertellen dat dit gedrag acceptabel is binnen de context van zijn
persoonlijke groei en zelfontplooiing.
8. Op welke manier kan 'betrokkenheid' zich uiten als een instrument voor
onvoorwaardelijke positieve waardering?
A) Het geven van persoonlijke cadeaus aan de cliënt om de therapeutische werkrelatie
3
, te versterken.
B) Het respecteren van het wantrouwen van een cliënt en het consistent nakomen van
gemaakte afspraken.
C) Het direct corrigeren van irrationele gedachten zodra de cliënt deze uitspreekt tijdens
de sessie.
D) Het delen van alle privéproblemen van de hulpverlener om een sfeer van volledige
openheid te creëren.
9. Wanneer is het uiten van 'nabijheid' door de hulpverlener bijzonder bruikbaar in
het diagnostisch proces?
A) Uitsluitend wanneer er sprake is van een cliënt met een zeer hoog intellectueel
niveau die kan reflecteren.
B) Wanneer de cliënt weigert om productdoelen op te stellen aan het begin van de
behandeling.
C) Bij het hanteren van fenomenen zoals overdracht en tegenoverdracht in het hier-en-
nu.
D) Om de emotionele afstand te vergroten wanneer de hulpverlener zich te veel
persoonlijk betrokken voelt.
10. Wat is het primaire doel van een 'metagesprek' binnen de
hulpverleningsrelatie?
A) Het bespreekbaar maken van de dynamiek of communicatieproblemen binnen de
sessie zelf.
B) Het instrueren van de cliënt over de theoretische kaders van de cliëntgerichte
benadering.
C) Het verzamelen van biografische gegevens die nog ontbreken in het dossier van de
cliënt.
D) Het vaststellen van de definitieve diagnose op basis van DSM-5 criteria na afloop van
de intake.
11. Hoe verhoudt 'echtheid' zich tot 'rolgedrag' in de visie van de
psychodiagnosticus?
A) Echtheid betekent dat de hulpverlener geen enkele methodiek volgt, maar puur op
intuïtie reageert op de cliënt.
B) De hulpverlener moet zijn professionele rol strikt scheiden van zijn persoonlijkheid om
objectiviteit te waarborgen.
C) De hulpverlener is expert van het proces en treedt op als gelijke, in plaats van een
superieure autoriteit uit te stralen.
D) Rolgedrag is noodzakelijk om de emotionele veiligheid van de hulpverlener te
beschermen tegen overdracht.
4