is van het vermogensrecht. Verbintenissen ontstaan uit de wet (art. 6:1 BW) en uit overeenkomsten
(art. 6:213 BW). Een verbintenis is in beginsel afdwingbaar (art. 3:296 BW). Een uitzondering hierop is
de natuurlijke verbintenis, die niet afdwingbaar is. Het algemeen overeenkomstenrecht vormt een
essentieel onderdeel van het verbintenissenrecht, dat op zijn beurt deel uitmaakt van het bredere
vermogensrecht. Het vermogensrecht omvat zowel het verbintenissenrecht als het goederenrecht en
vormt daarmee een kerngebied binnen het privaatrecht (burgerlijk recht).Het verbintenissenrecht
regelt rechtsverhoudingen tussen personen waarbij de ene partij (schuldeiser) een prestatie kan
vorderen van een andere partij (schuldenaar). Deze prestaties kunnen bijvoorbeeld bestaan uit het
leveren van een zaak, het verrichten van een dienst of het nalaten van een bepaalde handeling.
Binnen het verbintenissenrecht wordt onderscheid gemaakt tussen:
het overeenkomstenrecht (verbintenissen uit overeenkomst)
het aansprakelijkheidsrecht (verbintenissen uit de wet, zoals onrechtmatige daad)
Een overeenkomst is een meerzijdige rechtshandeling die gericht is op rechtsgevolg. Dit betekent dat
partijen de bedoeling moeten hebben om juridisch gebonden te zijn. Sociale afspraken, zoals samen
afspreken om muziek te maken of te sporten, vallen hier niet onder en leiden niet tot afdwingbare
verbintenissen. De overeenkomst is een belangrijke bron van verbintenissen, maar niet de enige. Op
grond van art. 6:1 BW ontstaan verbintenissen slechts indien de wet daarin voorziet. Dit betekent dat
de overeenkomst als bron van verbintenissen ondergeschikt is aan de wet.
Aan het bestaan van een verbintenis zijn ingrijpende rechtsgevolgen verbonden:
De verbintenis is in beginsel afdwingbaar via de rechter (art. 3:296 BW)
De schuldeiser kan zich verhalen op het gehele vermogen van de schuldenaar (art. 3:276 BW)
Een uitzondering vormt de natuurlijke verbintenis: een niet-afdwingbare verbintenis die wel
rechtsgevolgen kan hebben (bijvoorbeeld geen onverschuldigde betaling
Bij elke overeenkomst geldt de gelaagde structuur van het Burgerlijk Wetboek. Boek 3 BW bevat
regels over rechtshandelingen, Boek 6 BW over het algemene verbintenissenrecht en Boek 7 BW over
bijzondere overeenkomsten. Deze boeken moeten in samenhang worden toegepast.
Het overeenkomstenrecht wordt beheerst door drie belangrijke beginselen. Het eerste beginsel is
contractsvrijheid, wat inhoudt dat partijen vrij zijn om te bepalen of, met wie en onder welke
voorwaarden zij een overeenkomst sluiten. Deze vrijheid wordt begrensd door art. 3:40 BW. Het
tweede beginsel is de verbindende kracht van de overeenkomst (pacta sunt servanda), wat betekent
dat afspraken moeten worden nagekomen. Dit beginsel wordt beperkt door art. 6:248 lid 2 BW en
art. 6:258 BW. Het arrest Saladin/HBU (HR 1965) geeft criteria voor wanneer een beroep op een
beding onaanvaardbaar is, zoals de aard van de overeenkomst, de positie van partijen en de ernst van
de gedraging.
Overeenkomsten kunnen op verschillende manieren worden onderscheiden:
Benoemde en onbenoemde overeenkomsten
Benoemde overeenkomsten: geregeld in de wet (bijv. koop in Boek 7 BW)
Onbenoemde overeenkomsten: niet specifiek geregeld
Obligatoir en niet-obligatoir
Obligatoire overeenkomst: schept verbintenissen (meest voorkomend)
Niet-obligatoire overeenkomst: geen verbintenissen
In de precontractuele fase geldt als uitgangspunt dat partijen vrij zijn om te onderhandelen en deze
onderhandelingen af te breken. Het arrest Baris/Riezenkamp (HR 1957) bepaalt dat partijen zich
tijdens onderhandelingen moeten gedragen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid. In het
,arrest Plas/Valburg (HR 1982) werd een fasenmodel geïntroduceerd. In de eerste fase mogen
onderhandelingen vrij worden afgebroken. In de tweede fase mag dat nog steeds, maar kunnen
gemaakte kosten moeten worden vergoed (negatief contractsbelang). In de derde fase is afbreken
niet meer toegestaan en kan het positief contractsbelang worden vergoed.
Latere arresten zoals VSH/Shell (HR 1987), Comsys/Van den End (HR 1996) en De Ruiterij/MBO (HR
1996) hebben dit verder uitgewerkt en benadrukken dat alle omstandigheden van het geval relevant
zijn. De huidige hoofdregel volgt uit het arrest CBB/JPO (HR 2005). Hierin is bepaald dat
onderhandelingen mogen worden afgebroken, tenzij dit naar maatstaven van redelijkheid en
billijkheid onaanvaardbaar is. Dit is een strenge toets en de rechter moet terughoudend zijn. Deze lijn
wordt bevestigd in latere arresten zoals Regiopolitie/Hovax (HR 2005), ING Bank/Yin Yang,
Vogelaar/Skil, HR 20 december 2019 (ECLI:NL:HR:2019:2006) en het arrest Projectontwikkeling (HR
14 juni 2024). Ook in het arrest Erfpacht Utrecht (HR 2024) wordt deze lijn bevestigd, waarbij geldt
dat ook de overheid zich aan deze norm moet houden.
Bij de beoordeling of het afbreken van onderhandelingen onaanvaardbaar is, spelen verschillende
factoren een rol. Van belang zijn onder andere het gerechtvaardigd vertrouwen dat de overeenkomst
tot stand zou komen, het stadium van de onderhandelingen, de gedragingen van partijen, de
gemaakte kosten en eventuele voorbehouden.
STAPPENPLAN VOOR ELKE CASUS
BEGINPUNT
Is er een overeenkomst?
Ja → ga naar nakoming / tekortkoming
Nee → ga naar precontractuele fase -> Partijen zijn vrij om onderhandelingen af te breken.
Let op: sociale afspraken zijn geen overeenkomst.
1. Baris/Riezenkamp
a. Partijen moeten zich gedragen naar redelijkheid en billijkheid.
2. Plas/Valburg
a. Vrij afbreken – geen schadevergoeding
b. Afbreken mag – wel kosten vergoeden (negatief contractsbelang)
c. Niet meer afbreken -> schadevergoeding (positief contractsbelang)
3. CBB/JPO
a. Afbreken is alleen onaanvaardbaar als dit naar maatstaven van redelijkheid en
billijkheid onaanvaardbaar is.
4. Factoren toepassen
a. Gerechtvaardigd vertrouwen
b. Stadium van onderhandelingen
c. Gedragingen van partijen
d. Gemaakte kosten
e. Voorbehouden
f. Overige omstandigheden
5. Koppelen aan arresten
a. VSH/Shell (1987)
→ vertrouwen kan ontstaan door onderhandelingen
b. Comsys/Van den End (1996)
→ alle omstandigheden tellen mee
c. De Ruiterij/MBO (1996)
→ terughoudendheid
d. Regiopolitie/Hovax (2005)
→ niet snel aansprakelijkheid
, e. ING Bank/Yin Yang
→ gedrag kan vertrouwen wekken
f. HR 2019:2006
→ omstandigheden van het geval centraal
g. Projectontwikkeling (HR 2024)
→ bevestigt huidige lijn
h. Erfpacht Utrecht (HR 2024)
→ ook overheid gebonden
6. Wat is de schade?
a. Negatief contactsbelang
b. Positief contractsbelang
Afbreken van onderhandelingen is toegestaan, tenzij dit naar maatstaven van redelijkheid en
billijkheid onaanvaardbaar is, waarbij alle omstandigheden van het geval, in het bijzonder het
gerechtvaardigd vertrouwen, een rol spelen.
De Richtlijn 93/13/EEG speelt een belangrijke rol bij de bescherming van consumenten tegen
oneerlijke bedingen. Een beding is oneerlijk wanneer het een aanzienlijke verstoring van het
evenwicht tussen partijen veroorzaakt. De rechter is verplicht om dit ambtshalve te toetsen.
Volgens Asser/Sieburgh wordt het overeenkomstenrecht gekenmerkt door contractsvrijheid, die
wordt begrensd door redelijkheid en billijkheid. Deze literatuur sluit aan bij de rechtspraak van de
Hoge Raad.
Leereenheid 2: Vertegenwoordiging bij volmacht (studieboekversie)
Inleiding en plaats in het vermogensrecht
Binnen het Nederlandse vermogensrecht geldt als uitgangspunt dat degene die een rechtshandeling
verricht, zichzelf bindt. Dit volgt uit het algemene systeem van het contractenrecht, waarin een
overeenkomst tot stand komt door aanbod en aanvaarding (art. 6:217 BW), en waarbij de
rechtsgevolgen in beginsel intreden voor degene die deze verklaring aflegt. Vertegenwoordiging
vormt op deze hoofdregel een belangrijke uitzondering. Van vertegenwoordiging is sprake wanneer
iemand een rechtshandeling verricht in naam van een ander, met als gevolg dat de rechtsgevolgen
niet voor hemzelf, maar voor die ander intreden. Men spreekt in dit verband van directe of
onmiddellijke vertegenwoordiging. De maatschappelijke betekenis van vertegenwoordiging is groot.
Zo maakt vertegenwoordiging het mogelijk dat handelingsonbekwamen deelnemen aan het
rechtsverkeer via hun wettelijke vertegenwoordigers (bijvoorbeeld art. 1:245 lid 4 BW). Daarnaast is
vertegenwoordiging essentieel voor het functioneren van rechtspersonen, die slechts door natuurlijke
personen kunnen handelen (vgl. art. 2:130 en 2:240 BW). Ook in samenwerkingsverbanden zoals de
maatschap of vennootschap onder firma speelt vertegenwoordiging een centrale rol. Ten slotte kan
vertegenwoordiging zich voordoen bij zaakwaarneming (art. 6:198 BW), wanneer in naam van een
ander wordt gehandeld.
Het Burgerlijk Wetboek bevat geen algemene regeling van vertegenwoordiging, maar wel een
regeling van volmacht in titel 3.3 BW. Via de schakelbepalingen van art. 3:78 en 3:79 BW kan deze
regeling ook op andere vormen van vertegenwoordiging worden toegepast.
2. De driehoeksverhouding
Kenmerkend voor vertegenwoordiging is dat er steeds sprake is van een driehoeksverhouding tussen
drie partijen:
de vertegenwoordigde (ook wel: achterman of volmachtgever),
de vertegenwoordiger (gevolmachtigde),
de wederpartij.
Deze drie verhoudingen – tussen achterman en vertegenwoordiger, vertegenwoordiger en
wederpartij, en achterman en wederpartij – kunnen elk afzonderlijk juridische vragen oproepen. Bij