1. Hoe onderscheidt de positieve psychologie zich fundamenteel van het
traditionele 'ziekte-model' in de psychologie?
A) Door zich te richten op het bevorderen van welbevinden en sterke kanten in plaats
van enkel het herstellen van defecten.
B) Door de invloed van de sociale omgeving op de geestelijke gezondheid volledig te
negeren.
C) Door de focus volledig te verleggen naar genetische predisposities voor
psychopathologie.
D) Door enkel gebruik te maken van kwalitatieve onderzoeksmethoden in plaats van
kwantitatieve data.
2. Op welk niveau van onderzoek binnen de positieve psychologie staan
maatschappelijke deugden en instituties die burgerschap bevorderen centraal?
A) Het subjectieve niveau
B) Het biologische niveau
C) Het individuele niveau
D) Het groepsniveau
3. Met welk specifiek doel lanceerde Martin Seligman de positieve psychologie
officieel in 1998?
A) Om de psychologie te herbalanceren door naast psychopathologie ook aandacht te
schenken aan menselijke bloei.
B) Om een nieuwe vorm van cognitieve gedragstherapie te introduceren die gericht is
op intelligentie.
C) Om aan te tonen dat psychopathologie niet langer relevant is voor de moderne mens.
D) Om de humanistische psychologie van Maslow volledig te vervangen door een
biologische benadering.
4. In de geschiedenis van de psychologie wordt vaak een onderscheid gemaakt
tussen twee vormen van welbevinden. Welke vorm focust specifiek op
betekenisgeving en zelfverwezenlijking?
A) Hedonistisch welbevinden
B) Emotioneel welbevinden
C) Eudaimonisch welbevinden
D) Cognitief welbevinden
5. Welke neurobiologische stof wordt in de positieve psychologie vaak het
'knuffelhormoon' genoemd vanwege zijn rol in hechting en verbinding?
2
,A) Oxytocine
B) Dopamine
C) Vasopressine
D) Serotonine
6. Wat wordt bedoeld met het begrip 'propinquity' als determinant van
interpersoonlijke aantrekkingskracht?
A) De gelijkenis in waarden en persoonlijkheidskenmerken.
B) De fysieke nabijheid tussen individuen.
C) De wederkerigheid in het uiten van positieve affectie.
D) De mate waarin uiterlijke kenmerken overeenkomen.
7. Welke factor is volgens de bevindingen van Gottman cruciaal voor de stabiliteit
en tevredenheid binnen een langdurige relatie?
A) Het hebben van exact dezelfde persoonlijkheidskenmerken.
B) Het minimaliseren van emotionele responsiviteit om stress te vermijden.
C) De volledige afwezigheid van conflicten of meningsverschillen.
D) De ratio tussen positieve en negatieve interacties.
8. Wat is een kenmerkend effect van de transitie naar ouderschap op het
welbevinden binnen de levenscyclus van een gezin?
A) Een tijdelijke daling in de gerapporteerde huwelijkstevredenheid.
B) Een onmiddellijke en blijvende stijging in de algemene huwelijkstevredenheid.
C) Een toename in de emotionele afstand tussen partners door biologische rijping.
D) Een significante afname van stress gerelateerd aan de huishoudelijke taakverdeling.
9. Hoe verschilt de focus op welbevinden in collectivistische culturen doorgaans
van individualistische culturen?
A) De focus ligt primair op sociale harmonie en het vervullen van sociale rollen.
B) Er wordt vaker gebruik gemaakt van zelfrapportage-vragenlijsten zoals de SWLS.
C) Er is een grotere nadruk op persoonlijke prestaties en individueel geluk.
D) Het concept welbevinden wordt als irrelevant beschouwd voor de maatschappelijke
status.
10. In de context van uitmuntendheid wordt onderscheid gemaakt tussen passie-
vormen. Wat kenmerkt 'harmonieuze passie'?
A) Een dwangmatige drang om de activiteit uit te voeren onder sociale druk.
B) Een tijdelijke interesse die verdwijnt zodra de uitdaging toeneemt.
C) Een gezonde integratie van de activiteit in de identiteit van de persoon.
D) Het uitsluitend gericht zijn op externe beloningen en erkenning.
3
, 11. Wat is volgens de theorie over 'Grit' de belangrijkste voorspeller voor het
bereiken van langetermijndoelen?
A) De afwezigheid van tegenslagen gedurende de carrière.
B) Het beschikken over een groot sociaal netwerk en externe financiering.
C) De combinatie van passie en doorzettingsvermogen.
D) Een bovengemiddeld IQ en aangeboren talent.
12. Uit welke drie specifieke componenten bestaat de wetenschappelijke definitie
van subjectief welbevinden (SWB)?
A) Optimisme, veerkracht en zelfvertrouwen.
B) Sociale steun, autonomie en competentie.
C) Leventevredenheid, positieve emoties en de afwezigheid van negatieve emoties.
D) Flow, mindfulness en positieve gezondheid.
13. Waarom wordt bij het meten van subjectief welbevinden (SWB) vaak gebruik
gemaakt van zelfrapportage zoals de 'Satisfaction with Life Scale'?
A) Omdat men ervan uitgaat dat het individu de beste expert is over zijn eigen interne
staat.
B) Omdat observaties door derden altijd leiden tot een vertekend beeld van geluk.
C) Omdat zelfrapportage de enige methode is die niet beïnvloed wordt door sociale
wenselijkheid.
D) Omdat objectieve fysiologische metingen minder betrouwbaar zijn dan hersenscans.
14. Wat verklaart de 'set-point theory' met betrekking tot de stabiliteit van ons
geluksniveau?
A) Er is een vast punt in de levensloop waarop geluk niet meer kan stijgen of dalen.
B) Mensen keren na ingrijpende gebeurtenissen vaak terug naar een genetisch bepaald
basisniveau.
C) Alleen door actieve interventies kan het basisniveau van welbevinden permanent
worden verhoogd.
D) Het geluksniveau wordt volledig bepaald door de kwaliteit van onze
jeugdherinneringen.
15. Wat is een belangrijke nuancering in de relatie tussen inkomen en subjectief
welbevinden?
A) Er is geen enkel wetenschappelijk verband tussen inkomen en levenstevredenheid.
B) Er is een lineair verband: hoe meer inkomen, hoe gelukkiger men blijft worden.
C) Het effect van inkomen op geluk neemt af zodra een bepaald verzadigingspunt is
bereikt.
D) Inkomen is alleen een predictor voor geluk in collectivistische culturen.
4