1. Wat is het fundamentele onderscheid tussen objectieve en subjectieve cultuur
binnen de psychologie?
A) Objectieve cultuur wordt bestudeerd via kwantitatief onderzoek, terwijl subjectieve
cultuur uitsluitend via kwalitatieve observatie kan worden begrepen.
B) Objectieve cultuur betreft tastbare artefacten zoals architectuur, terwijl subjectieve
cultuur onzichtbare elementen zoals sociale normen en waarden omvat.
C) Objectieve cultuur verwijst naar universele menselijke gedragingen, terwijl
subjectieve cultuur specifiek is voor individuele persoonlijkheidskenmerken.
D) Objectieve cultuur is gebaseerd op aangeboren biologische driften, terwijl subjectieve
cultuur voortkomt uit sociale leerprocessen.
2. Waarom vormt de dominantie van WEIRD-populaties in psychologisch
onderzoek een methodologisch risico?
A) Omdat deze populaties vaak uitschieters zijn in hun gedrag, waardoor hun resultaten
niet representatief zijn voor de globale menselijke variatie.
B) Omdat onderzoekers in WEIRD-landen vaker gebruikmaken van de emic-benadering
in plaats van gestandaardiseerde instrumenten.
C) Omdat WEIRD-populaties de enige groepen zijn die complexe cognitieve dissonantie
vertonen in experimentele settings.
D) Omdat de economische rijkdom in deze landen de biologische basis van
psychologische processen structureel heeft veranderd.
3. Binnen de dimensie individualisme-collectivisme, wat typeert de relatie tussen
het individu en de 'in-group' in collectivistische samenlevingen?
A) Er is sprake van een levenslange, onvoorwaardelijke loyaliteit in ruil voor
bescherming en harmonie.
B) De banden zijn tijdelijk en afhankelijk van de persoonlijke prestaties van het individu
binnen de groep.
C) Individuen behouden hun autonomie maar kiezen strategisch voor samenwerking op
basis van wederkerigheid.
D) De focus ligt op het minimaliseren van machtsafstand om de groepsstabiliteit te
waarborgen.
4. Hoe verhoudt de absolutistische benadering zich tot cross-culturele
meetinstrumenten?
A) Men stelt dat instrumenten overbodig zijn omdat cultuur slechts een leeg etiket is.
B) Men past instrumenten aan om de lokale culturele nuances en 'display rules' te
reflecteren.
C) Men weigert instrumenten te vergelijken omdat de betekenis van gedrag
2
,cultuurspecifiek is.
D) Men gebruikt gestandaardiseerde instrumenten direct over culturen heen omdat
basisprocessen identiek worden geacht.
5. Een onderzoeker wil depressie in een specifieke gemeenschap begrijpen door
uitsluitend lokale concepten en betekenisgeving te gebruiken. Welke term
beschrijft deze werkwijze?
A) De universalistische methode, waarbij men zoekt naar variaties op een universeel
thema.
B) De etic-benadering, die streeft naar de identificatie van universele
psychopathologische patronen.
C) De emic-benadering, die zich richt op unieke aspecten vanuit het perspectief van de
cultuur zelf.
D) De ecologische methode, waarbij men de invloed van de fysieke omgeving op
emoties minimaliseert.
6. Welke stelling vat de kern van het universalisme in de cultuurpsychologie het
beste samen?
A) Psychologische fenomenen zijn in alle culturen fundamenteel hetzelfde, onafhankelijk
van de context.
B) Gedrag is volledig geworteld in de cultuur en kan daarom nooit buiten die context
vergeleken worden.
C) Er bestaan universele psychologische basisprocessen, maar de culturele context
bepaalt de specifieke uiting ervan.
D) Cultuur is een storende variabele die de ware universele aard van de menselijke
psyche maskeert.
7. Wat is het voornaamste doel van de etic-benadering in vergelijkend onderzoek?
A) Het blootleggen van de subjectieve beleving van een individu binnen een gesloten
systeem.
B) Het zoeken naar universele wetmatigheden door verschillende culturen te vergelijken
met externe criteria.
C) Het vervangen van westerse psychologische theorieën door inheemse
kennissystemen.
D) Het elimineren van alle culturele invloeden om de biologische kern van de mens te
bestuderen.
8. Wat is de essentie van de 'ecological fallacy' (ecologische drogreden) bij het
interpreteren van cultuurdata?
A) Het trekken van conclusies over individuen op basis van geaggregeerde gegevens
op groeps- of landelijk niveau.
3
, B) Het negeren van historische en politieke contexten bij het verklaren van nationale
persoonlijkheidstrekken.
C) Het onterecht aannemen dat de fysieke omgeving geen invloed heeft op het ontstaan
van culturele waarden.
D) Het overschatten van de verschillen tussen landen terwijl de variatie binnen landen
kleiner is.
9. Wanneer spreekt men van 'construct bias' in cross-cultureel onderzoek naar
intelligentie?
A) Wanneer het begrip intelligentie in de onderzochte culturen een wezenlijk andere
betekenis heeft, zoals sociale wijsheid versus logica.
B) Wanneer deelnemers uit een bepaalde cultuur de neiging hebben om extreem te
scoren op een Likert-schaal.
C) Wanneer de proefpersonen door een slechte vertaling de specifieke bewoording van
een vraag niet begrijpen.
D) Wanneer de steekproeven uit de verschillende landen niet vergelijkbaar zijn op basis
van sociaaleconomische status.
10. In een onderzoek worden studenten uit de VS vergeleken met ongeschoolde
boeren uit een rurale regio. Welke vorm van bias is hier primair aanwezig?
A) Item bias, vanwege de specifieke taalnuances in de vragenlijsten.
B) Construct bias, omdat de cognitieve processen fundamenteel onvergelijkbaar zijn.
C) Waarde bias, omdat de onderzoeker zijn eigen culturele waarden oplegt aan de
boeren.
D) Method bias, specifiek in de vorm van 'sample bias' door niet-vergelijkbare groepen.
11. Welk scenario illustreert 'item bias' in een psychologische test?
A) De testleider beïnvloedt de resultaten door onbewust non-verbale signalen te geven
aan één groep.
B) De proefpersonen uit een collectivistische cultuur geven sociaal wenselijke
antwoorden op de gehele vragenlijst.
C) Eén specifieke vraag bevat een culturele referentie waardoor mensen uit groep A
lager scoren ondanks een gelijke vaardigheid.
D) De hele test is ongeschikt voor een cultuur omdat het concept 'tijd' daar anders wordt
beleefd.
12. Wat is het belangrijkste verschil tussen enculturatie en socialisatie?
A) Enculturatie richt zich op cognitieve vaardigheden, terwijl socialisatie zich richt op
emotionele ontwikkeling.
B) Enculturatie is een biologisch proces, terwijl socialisatie een puur psychologisch
proces is.
4