,1. Wat is het fundamentele verschil tussen de 'oude' definitie van risicotaxatie
door Kemshall en de 'nieuwe' definitie door Brown & Singh?
A) De oude definitie was gebaseerd op klinische intuïtie, terwijl de nieuwe definitie
uitsluitend gebruikmaakt van actuariële data.
B) De nieuwe definitie legt de nadruk op maatschappelijke veiligheid, terwijl de oude
definitie uitsluitend gericht was op de rechten van de dader.
C) Kemshall richtte zich op de frequentie van gedrag, terwijl Brown & Singh uitsluitend
kijken naar de ernst van de maatschappelijke impact.
D) De focus verschoof van een puur statistische kansberekening van herhaling naar het
identificeren van specifieke behandelbehoeften om risico te minimaliseren.
2. Hoe verhoudt de intensiteit van een interventie zich tot het recidiverisico
volgens het Risicoprincipe binnen het RNR-model?
A) Lage risicoprofielen moeten intensieve behandeling krijgen om escalatie naar
ernstigere delicten te voorkomen.
B) Daders met een hoog risico reageren doorgaans contraproductief op intensieve zorg,
waardoor de focus moet liggen op daders met een gemiddeld risico.
C) De intensiteit van de interventie moet evenredig zijn aan het risiconiveau, waarbij
intensieve zorg gereserveerd is voor daders met een hoog risico.
D) Interventies moeten onafhankelijk van het risiconiveau worden toegepast om
ethische gelijkheid binnen het rechtssysteem te waarborgen.
3. Wat typeert het Behoefteprincipe (Need) binnen het RNR-model in relatie tot
recidivevermindering?
A) Het richt zich op het verbeteren van het algemeen welzijn van de dader, zoals
zelfvertrouwen en fysieke gezondheid.
B) Het stelt dat behandeling alleen effectief is als de dader intrinsiek gemotiveerd is om
zijn gedrag te veranderen.
C) Het geeft prioriteit aan statische risicofactoren omdat deze de meest stabiele
voorspellers zijn voor toekomstig gedrag.
D) Het richt zich specifiek op criminogene behoeften; dynamische risicofactoren die
direct gecorreleerd zijn aan crimineel gedrag.
4. Op welke wijze dient een behandelaar het Responsiviteitsprincipe toe te passen
bij een dader met een verstandelijke beperking?
A) Door de methode en stijl van communicatie aan te passen aan het intellectuele
niveau en de specifieke leerstijl van de cliënt.
B) Door de nadruk te leggen op de ernst van het delict en de consequenties daarvan
voor het slachtoffer.
C) Door de behandeldoelen uitsluitend te richten op statische factoren die minder
2
,cognitieve verwerking vereisen.
D) Door de behandeling te intensiveren conform de principes van de tweede generatie
risicotaxatie-instrumenten.
5. Wat is de voornaamste methodologische verschuiving geweest in de
geschiedenis van risicotaxatie die leidde tot de ontwikkeling van SPJ-methoden?
A) De behoefte om wetenschappelijk onderbouwde risicofactoren te combineren met
gestructureerde klinische expertise voor een individueel oordeel.
B) De integratie van neurologische scans als vervanging voor gedragsmatige
observaties in de forensische psychiatrie.
C) Een verschuiving van de focus op maatschappelijke veiligheid naar de
therapeutische alliantie tussen dader en behandelaar.
D) De volledige verwerping van klinische ervaring ten gunste van puur statistische
algoritmen en actuariële tabellen.
6. Welke factoren behoren volgens de literatuur tot de 'Big Four' criminogene
behoeften, die de sterkste voorspellers zijn voor recidive?
A) Psychopathische trekken, seksuele afwijkingen, werkloosheid en gebrek aan
empathie.
B) Lage intelligentie, een voorgeschiedenis van trauma, huisvestingsproblemen en
financiële schulden.
C) Criminele geschiedenis, antisociale persoonlijkheid, antisociale cognities en
antisociale contacten.
D) Middelengebruik, gezinsproblemen, gebrekkige vrijetijdsbesteding en lage opleiding.
7. In de context van het voorspellend vermogen van risicotaxatie-instrumenten,
wat duidt een AUC-waarde van 0.75 aan?
A) Er is een kans van 75% dat een willekeurige dader die recidiveert een lagere score
heeft dan een dader die niet recidiveert.
B) Het instrument presteert aanzienlijk beter dan toeval en wordt beschouwd als een
goede voorspeller voor recidive.
C) Het instrument heeft een perfecte voorspellende waarde en maakt geen fouten in het
classificeren van daders.
D) De score is te laag voor professioneel gebruik; een minimale waarde van 0.90 is
vereist voor juridische besluitvorming.
8. Waarom worden instrumenten van de tweede generatie (actuarieel) vaak als
onvoldoende beschouwd voor het vormgeven van een behandelplan?
A) Omdat ze uitsluitend statische factoren meten die niet veranderbaar zijn door middel
van een therapeutische interventie.
B) Omdat ze te veel nadruk leggen op de sterke kanten van de cliënt in plaats van op de
3
, risico's.
C) Omdat ze een lage interbeoordelaarsbetrouwbaarheid hebben door het ontbreken
van vaste criteria.
D) Omdat ze geen rekening houden met de criminele geschiedenis, wat de belangrijkste
voorspeller is voor toekomstig gedrag.
9. Wat is het onderscheidende kenmerk van de derde generatie risicotaxatie-
instrumenten vergeleken met de tweede generatie?
A) De integratie van case management en behandelplanning direct in het
scoreformulier.
B) Het gebruik van ongestructureerd klinisch oordeel om de statistische scores aan te
vullen.
C) Het uitsluitend focussen op de 'Moderate Four' in plaats van op de 'Big Four'
factoren.
D) De opname van dynamische risicofactoren, waardoor veranderingen in risiconiveau
gedurende de tijd meetbaar worden.
10. Hoe faciliteert de vierde generatie risicotaxatie-instrumenten het traject van
een dader in de forensische zorg?
A) Door het statistisch gewicht van historische factoren te verhogen ten opzichte van
klinische observaties.
B) Door gebruik te maken van faliometrie om de interne validiteit van de verklaringen
van de dader te toetsen.
C) Door het integreren van risicotaxatie met case management, behandelplanning en
het monitoren van responsiviteit.
D) Door de focus volledig te verleggen van risicofactoren naar de beschermende
factoren van het individu.
11. Welke rol spelen stabiele dynamische factoren binnen een risicobeoordeling?
A) Ze vormen de historische basis van het risicoprofiel en kunnen nooit veranderen door
behandeling.
B) Ze representeren veranderbare persoonlijkheidskenmerken die als
langetermijndoelen voor behandeling dienen.
C) Ze fungeren als triggers voor een delict en veranderen binnen uren of dagen.
D) Ze dienen uitsluitend om te bepalen welk beveiligingsniveau noodzakelijk is in een
tbs-instelling.
12. Een patiënt in een forensische kliniek vertoont plotselinge woede-
uitbarstingen na een conflict met zijn partner. Onder welk type factor valt dit
binnen de risicotaxatie?
A) Beschermende factor
4