,Inhoudsopgave
1. Het Spijsverteringskanaal...................................................................................................................3
1.1 Mond- en keelholte......................................................................................................................3
1.2 Slokdarm (Oesophagus)................................................................................................................4
1.3 Maag (Gaster/Ventriculus)...........................................................................................................5
1.4 Dunne darm..................................................................................................................................7
1.5 Dikke darm (Colon).....................................................................................................................11
1.6 Lever (Hepar)..............................................................................................................................12
1.7 Alvleesklier (Pancreas)................................................................................................................14
1.8 Galblaas (Vesica fellea/Vesica billiaris).......................................................................................15
1.9 Buikvlies (Peritoneum)................................................................................................................16
2. Spijsverteringsenzymen....................................................................................................................17
2.1 Amylase......................................................................................................................................17
2.2 Pepsine.......................................................................................................................................17
2.3 Lipase..........................................................................................................................................17
, 1. Het Spijsverteringskanaal
Het spijsverteringskanaal is een stelsel van buizen en lichaamsholten, dat in direct contact
staat met de buitenwereld. Voedsel dat we opeten passeert achtereenvolgens de mond, de
slokdarm, de maag, de dunne darm, de dikke darm en de endeldarm. Onverteerbare
voedselresten verlaten ons lichaam vervolgens via de anus. Afhankelijk van de
samenstelling van ons voedsel duurt dit 24 tot 48 uur. Daarnaast spelen ook de lever,
galblaas en alvleesklier een rol bij de spijsvertering.
Het spijsverteringskanaal kan in de volgende spijsverteringsprocessen worden verdeeld:
• De opname van het voedsel
• Het fijnmaken van het voedsel
• De eigenlijke vertering door de inwerking van de verteringssappen
• Het transport van het voedsel
• De opname van de voedingsstoffen in het bloed via de darmwand
• De uitscheiding van de resterende onverteerbare voedingsbestanddelen
1.1 Mond- en keelholte
Het spijsverteringskanaal begint bij de mond. Op de overgang van de mond naar de
keelholte liggen de gehemeltebogen. Tussen deze bogen bevinden zich de tonsillen, die
voor de spijsvertering geen directe betekenis hebben.
Het dak van de mondholte noemen we het palatium (gehemelte). Het voorste deel hiervan
heet het harde gehemelte en het achterste deel het zachte gehemelte. In het midden van het
zachte gehemelte hang de uvula (huig). Op de bodem van de mond ligt de tong (glossa). De
tong bestaat uit spierweefsel en is bedekt met ruw gegroefd slijmvlies. In dit slijmvlies
bevinden zich de smaakorganen, die samenwerkt met reukorgaan. De tong heeft een functie
bij de smaak, het slikken en het spreken.
Het gebit heeft bij de spijsvertering de functie om het voedsel te kauwen. Door te kauwen
wordt het voedsel in kleinere stukken verdeeld en vermengd met het speeksel.
Het speeksel wordt geproduceerd door drie speekselklieren:
1. Oorspeekselklieren (glandula parotis). De afvoerbuizen
monden uit in het slijmvlies van de bovenkaak bij de
tweede ware kies;
2. Onderkaakspeekselklieren (glandula submanidubularis).
De afvoerenbuizen monden uit achter de middelste
snijdtanden van de onderkaak;
3. Ondertongspeekselklieren (glandula sunlingualis). De
afvoerbuizen monden uit aan weerszijden van het
tongriempje.
Het speeksel dient om voedsel te bevochtigen, waardoor het beter doorgeslikt kan worden.
Het speeksel bevat ook amylase, een enzym dat koolhydraten afbreekt. Het speeksel is het
eerste verteringssap waarmee het voedsel in aanraking komt. Per dag wordt ongeveer 1,5L
speeksel geproduceerd.
Vanuit de mondholte komt het voedsel in de keelholte, daarna naar de neuskeelholte (achter
de neusgangen) en daarna na de mondkeelholte (oropharynx) (achter de mondholte). De
keelholte behoort zowel tot de luchtwegen als tot het spijsverteringskanaal. Vanuit de mond
gaat het fijngekauwde en met speeksel (amylase) vermengde voedsel via een slikbeweging
3