Hoorcolleges
WEEK 1: INLEIDING; GRONDSLAGEN
Hoorcollege
Structuur strafbaar feit:
1. Gedraging
2. Wettelijke omschrijving
3. Wederrechtelijk
4. Verwijtbaar
Gedraging, wettelijke omschrijving, wederrechtelijkheid = objectieve zijde strafbaar feit
Verwijtbaarheid = subjectieve zijde strafbaar feit
Algemene en bijzondere strafuitsluitingsgronden: beperking van strafbaarheid
Strafbaarstelling in voorfase, deelneming bijzonder (groepscriminaliteit), daderschap en schuld rechtspersoon:
uitbreiding van strafbaarheid
Straf = vergelding = opzettelijk toebrengen van leed
Vergeldingstheorieën: Duitse filosoof Kant, liberale rechtsstaat
- Misdrijf = grondslag van straf = daad staat centraal
- Klassieke richting: o.a. Beccaria, 1764:
o Uitsluitend geschreven wetboeken
o Geen onnodige strafbaarstellingen
o Duidelijke en heldere forumleringen
o Proportionele straffen
o Effectieve bestraffing
o Geen preventief optreden door de overheid
o Openbare bestraffing
Ontwikkeling naar preventietheorieën:
- Straf = middel om verschillende doelen te bereiken = dader staat centraal
- Moderne richting
o Psychische afwijking
o Opvoeding
o Milieu
o Samenleving
In Nederland: compromis tussen klassieke en moderne richting.
Fundamenten van het strafrecht:
- Vergeldingsbeginsel
- Legaliteitsbeginsel
- Ultimum remedium-beginsel
- Wederrechtelijkheidsbeginsel
- Daadstrafrechtbeginsel
- Schuldbeginsel
De beginselen vormen de voorwaarden/grenzen voor strafrechtelijke aansprakelijkheid (leerstukken).
,Legaliteitsbeginsel: geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling
(artikel 1 lid 1 Sr, maar vgl. artikel 16 Gw, artikel 7 EVRM, artikel 15 IVBPR, artikel 49 Handvest grondrechten
EU).
Bescherming rechtszekerheid, rechtstaatgedachte en schuldbeginsel:
- Verbod van terugwerkende kracht
o Strafbarstellingen en strafbedreigingen ten nadele van verdachte
- Geschreven recht (“wettelijk” in artikel 1 Sr)
- Duidelijke, precieze en specifieke normen in strafbaarstellingen
o Voorzienbaarheid voor burger of tegengaan willekeur door overheid
o Vaagheid, flexibiliteit, open normen, leerstukken, excepties
- Grenzen aan de interpretatieruimte voor de strafrechter
o Verbod analogische toepassing, maar extensieve interpretatie wel mogelijk
o EHRM: consistent with the essence of the offence (NJ 1997/1)
o Interpretatiemethoden
Causaliteit
Strafrechtelijke causaliteit: betreft de relatie tussen een strafrechtelijk relevante gedraging en een
strafrechtelijk relevant gevolg.
Sinds 1978 is de redelijke toerekening in Nederland de heersende causaliteitsleer. Daarbinnen speelt het
conditio sine qua non-verband een belangrijke rol. Indien dat verband afwezig is, zal toerekening niet redelijk
zijn. Voor de invulling moet worden gekeken naar de “oude” causaliteitstheorieën: de causa proxima-theorie,
de adequatietheorie en de relevantietheorie. Deze theorieën kunnen een indicatie geven voor de vraag of het
redelijk is om het gevolg toe te rekenen aan de gedraging van de verdachte.
Leer van de redelijke toerekening (HR LETALE LONGEMBOLIE):
- Ondergrens: is er een conditio sine qua non-verband?
o Het gedrag van de verdachte moet redelijkerwijs een onmisbare, noodzakelijke voorwaarde
voor het gevolg zijn geweest.
o Gedrag van de verdachte: staat de gedraging van de verdachte aan het begin van de keten
van gebeurtenissen dat uiteindelijk tot het gevolg leidt? (HR NIET-BEHANDELDE
LONGINFECTIE)
- Zo ja, toerekening in beginsel mogelijk, tenzij er andere indicaties zijn:
o Relevantie (wetgeversintentie): selecteert binnen de onmisbare voorwaarden voor het
intreden van het gevolg de oorzaak die in de optiek van de wetgever voor het delict in
kwestie als de meest relevante geldt of gelden.
o Voorzienbaarheid (adequatietheorie): leer die bepaalt of een handeling daadwerkelijk een
juridisch relevante oorzaak is van een gevolg, door te kijken of het gevolg redelijkerwijs
voorzienbaar was vanuit die handeling, als een 'normale' reactie.
▪ Feiten van algemene bekendheid en algemene ervaringsregels
▪ De voorzienbaarheid van een gevolg is in zijn algemeenheid niet beslissend voor de
vraag of causaal verband kan worden aangenomen, het gaat uiteindelijk om de
redelijkheid van de toerekening.
o Causa proxima: leer die stelt dat alleen de meest directe, effectieve en dichtstbijzijnde
oorzaak van een gebeurtenis relevant is voor het vaststellen van strafbaarheid
▪ Categorieën bij medisch ingrijpen (noot A.C. ’t Hart, HR NIET-BEHANDELDE
LONGINFECTIE)
• 1: letsel veroorzaakt dat op zichzelf niet letaal is maar wel medisch
ingrijpen noodzakelijk maakt en de dood vloeit voort uit het misgaan van
dat medisch ingrijpen
o In dat geval zal de dood doorgaans buiten de reikwijdte van de
handeling van de verdachte liggen en niet meer in redelijkheid aan
hem zijn toe te rekenen
• 2: bij het letsel ontstaan complicaties die tot de dood leiden (HR LETALE
LONGEMBOLIE)
, o In dat geval zal doorgaans toerekening in redelijkheid wel mogelijk
zijn. De causale keten wordt weliswaar verlengd, doch niet
doorbroken.
• 3: het toegebrachte letsel leidt op zichzelf tot de dood van het slachtoffer,
maar dit gevolg had kunnen worden voorkomen indien er medisch juist zou
zijn ingegrepen.
o Indien de verdachte op zichzelf dodelijk letsel veroorzaakt, is dat
aan hem toe te rekenen, ook als eventueel medisch ingrijpen het
dodelijk gevolg had kunnen voorkomen.
- Zo nee, toerekening in beginsel niet mogelijk, tenzij:
o Alternatieve causaliteit: er is nog een tweede oorzaak mogelijk die het gevolg kan hebben
bewerkstelligd
o Nalaten
▪ Wanneer de verdachte een nalaten verweten wordt, ontbreekt de vereiste
gedraging en is het causale verband moeilijker vast te stellen.
▪ Allereerst moet worden vastgesteld dat de verdachte een plicht had om wél te
handelen.
▪ Vervolgens moet vaststaan dat de verdachte het risico op het ingetreden gevolg
zodanig heeft verhoogd dat het gevolg redelijkerwijs aan hem kan worden
toegerekend als gevolg van diens nalaten om te handelen (HR SHAKEN BABY)
Alternatieve causaliteit
Slechts indien een conditio sine qua non-verband niet duidelijk aanwezig is en een andere gedraging ook
mogelijk het ingetreden gevolg heeft bewerkstelligd, spreekt men van alternatieve causaliteit. Er is dan dus
sprake van twee ketens van gebeurtenissen die los van elkaar bestaan, maar die beide kunnen hebben geleid
tot hetzelfde gevolg.
Alternatieve causaliteit (HR GRONINGER HIV)
- Toetsingskader r.o. 2.4.4.
WEEK 2: STRAFBAAR FEIT EN WEDERRECHTELIJKHEID
Kennisclip “Wederrechtelijkheid”:
Wederrechtelijkheid wordt gezien als één van de kernvoorwaarden voor strafrechtelijke aansprakelijkheid.
- Definitie strafbaar feit: een gedraging die beantwoordt aan een wettelijke delictsomschrijving die
wederrechtelijk is en die bovendien aan de schuld van de dader te wijten is.
Functie van wederrechtelijkheid
Dubbele functie:
- Element
o Algemene voorwaarde voor strafrechtelijke aansprakelijkheid die ook vervuld moet zijn als
aan de delictsomschrijving is voldaan.
o Elementen mogen in beginsel aanwezig worden verondersteld als aan de delictsomschrijving
is voldaan. Bijzondere omstandigheden (strafuitsluitingsgronden) kunnen deze elementen
wegnemen.
- Bestanddeel
o Inperken bereik van een delictsomschrijving
Betekenis van wederrechtelijkheid
Wederrechtelijkheid als element: in strijd met wat hoort of betamelijk is.
- Definitie Hoge Raad in HR DREIGBRIEF: het overschrijden van de grenzen van maatschappelijke
betamelijkheid
- Definitie in literatuur: in strijd met het recht