Jurisprudentie
WEEK 1: INLEIDING; GRONDSLAGEN
• HR 12-09-1978, ECLI:NL:PHR:1978:AC2616, NJ 1979/60 (LETALE LONGEMBOLIE)
De rechtbank en het hof zijn van mening dat er wel sprake is van een voldoende causaal verband tussen het
ongeluk en de dood van het slachtoffer. De verdachte wordt daarom door de rechtbank en het hof ook
veroordeeld. De verdachte klaagt over de aanname van het causale verband tussen het ongeluk en de letale
longembolie. De Hoge Raad buigt zich over de zaak en is van mening dat de letale longembolie niet van
zodanige aard is dat het overlijden niet aan verdachte kan worden toegerekend. In dit arrest maakt de Hoge
Raad voor het eerst gebruik van de leer van redelijke toerekening. De Hoge Raad rekent de schuld toe aan de
verdachte en verwerpt het cassatieberoep.
Bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van een causaal verband wordt de leer van redelijke
toerekening toegepast in de casus. Voorheen was het criterium de voorzienbaarheid of zeldzaamheid van het
gevolg die werd gebruikt door de Hoge Raad.
• HR 25-06-1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0496, NJ 1997/563 (NIET-BEHANDELDE LONGINFECTIE)
Het middel strekt ten betoge dat door de bewuste keus van het slachtoffer om af te zien van medische
behandeling van een als complicatie van de schotwoning opgetreden longinfectie het oorzakelijk verband
tussen de bewezenverklaarde handelingen van de verdachte en de dood van het slachtoffer is verbroken.
Het Hof heeft tot uitdrukking gebracht dat de verdachte de omstandigheden in het leven heeft geroepen die
het slachtoffer ertoe hebben gebracht de beslissing te nemen af te zien van medische behandeling en dat die
beslissing in de keten der gebeurtenissen niet een zodanige invloed heeft gebracht, dat de dood van het
slachtoffer redelijkerwijs niet meer als gevolg van het handelen van de verdachte aan deze zou kunnen worden
toegerekend.
De Hoge Raad geeft aan dat dit oordeel van het Hof geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en is ook
zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen het buitengewoon ernstig letsel dat het
slachtoffer door toedoen van de verdachte had opgelopen. Het middel faalt dus en de Hoge Raad verwerpt het
beroep.
• HR 27-03-2012, ECLI:NL:HR:2012:BT6362, NJ 2012/301 (GRONINGER HIV)
Voor wat betreft de causaliteit oordeelt de Hoge Raad dat onvoldoende is gemotiveerd dat de gedragingen
van de verdachte daadwerkelijk het ingetreden gevolg ten aanzien van ieder van de aangevers heeft
bewerkstelligd. Dat de kans op HIV-besmetting door gedragingen van derden veel geringer is in verhouding tot
de kans op besmetting door gedragingen van de verdachte, betekent nog niet dat die eerstbedoelde kans zo
klein is, dat daaraan als hoogstonwaarschijnlijk kan worden voorbijgegaan.
WEEK 2: STRAFBAAR FEIT EN WEDERRECHTELIJKHEID
Geen verplichte jurisprudentie voorgeschreven.
WEEK 3: SCHULDBEGINSEL, VERWIJTBAARHEID, DOLUS EN CULPA
• HR 25-03-2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049, NJ 2003/552 (HIV I)
De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven
roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de
, gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Er is geen grond de inhoud van het begrip
“aanmerkelijke kans” afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg. Het zal in alle gevallen moeten gaan om
een kans die naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk is te achten.
Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen
vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook
dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Uit de
enkele omstandigheid dat die wetenschap bij de verdachte aanwezig is dan wel bij hem moet worden
verondersteld, kan niet zonder meer volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft
aanvaard, omdat in geval van die wetenschap ook sprake kan zijn van bewuste schuld.
Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op
een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de
aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.
• HR 29-05-2018, ECLI:NL:HR:2018:718, NJ 2019/103 (AANMERKELIJKE KANS II)
De Hoge Raad verwijst in dit arrest naar het eerder gewezen HIV I-arrest.
Onder “de naar algemene ervaringsregels aanmerkelijke kans” dient te worden verstaan de in de gegeven
omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. Met de thans gebruikte formulering van de
maatstaf van de aanmerkelijke kans is geen wezenlijk andere of grotere mate van waarschijnlijkheid tot
uitdrukking gebracht dan met de in oudere rechtspraak gebruikte formulering “de geenszins als denkbeeldig te
verwaarlozen kans”.
• HR 12-07-2022, ECLI:NL:HR:2022:982 (IBOGA NATUURGENEZERES)
De Hoge Raad verwijst naar de eerder gewezen arresten HIV-I en Aanmerkelijke Kans II.
In de conclusie wordt de aard van de gedraging gekoppeld aan een vorm van Garantenstellung. Bij een
dergelijke behandeling mag van de behandelaar gevergd worden dat alle redelijkerwijs te vermijden risico’s
worden vermeden en de regelen van de kunst in acht worden genomen.
• HR 15-10-2024, ECLI:NL:HR:2024:1407 (DOODSLAG IN HET VERKEER)
De Hoge Raad verwijst wederom naar de eerder gewezen arresten HIV-I en Aanmerkelijke Kans II.
Het oordeel van het hof dat de gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm zodanig
gericht waren op het veroorzaken van een potentieel dodelijk ongeval, dat het niet anders kan zijn dan dat de
verdachte de aanmerkelijke kans daarop bewust heeft aanvaard, is niet toereikend gemotiveerd.
WEEK 4: VOORBEDACHTE RAAD (MOORD) EN ROEKELOOSHEID (IN HET VERKEER)
• HR 19-02-1963, ECLI:NL:HR:1963:2, NJ 1963/512 (VERPLEEGSTER)
De Hoge Raad heeft uit de gebezigde bewijsmiddelen, gelet met name op de opleiding van de verdachte (de
Garantenstellung), de aard van de werkzaamheden die door haar werden verricht met het oog op verdoving
ter gelegenheid van een operatieve ingreep, alsmede haar wetenschap omtrent het vertrouwen dat in haar
moest worden gesteld en omtrent het ontbreken van controle door de andere zuster en door de chirurg,
kunnen afleiden dat verdachte aanmerkelijk is te kort geschoten voor wat betreft de op haar rustende
verplichting om de nodige oplettendheid te betrachten en dat de handelswijze van de verdachte mitsdien
getuigt van een min of meer grove mate van onoplettendheid, welke schuld oplevert in de zin van artikel 307
van het Wetboek van Strafrecht.
• HR 01-06-2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822, NJ 2005/252 (BLACKOUT)
De aanmerkelijke onoplettendheid en/of onachtzaamheid dient te worden vastgesteld aan de hand van het
geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het