Voorbereiding tentamen
WEEK 1: INLEIDING; GRONDSLAGEN
Objectieve en subjectieve zijde strafbaar feit
- Objectieve zijde: gedraging, wettelijke omschrijving, wederrechtelijkheid
- Subjectieve zijde: verwijtbaarheid
Strafrechtelijke causaliteit
Leer van de redelijke toerekening (HR LETALE LONGEMBOLIE):
- Ondergrens: is er een conditio sine qua non-verband?
o Het gedrag van de verdachte moet redelijkerwijs een onmisbare, noodzakelijke
voorwaarde voor het gevolg zijn geweest.
- Zo ja, toerekening in beginsel mogelijk, tenzij er andere indicaties zijn op grond van “oude”
causaliteitstheorieën:
o Relevantie (wetgeversintentie): selecteert binnen de onmisbare voorwaarden voor
het intreden van het gevolg de oorzaak die in de optiek van de wetgever voor het
delict in kwestie als de meest relevante geldt of gelden.
o Voorzienbaarheid (adequatietheorie): leer die bepaalt of een handeling
daadwerkelijk een juridisch relevante oorzaak is van een gevolg, door te kijken of het
gevolg redelijkerwijs voorzienbaar was vanuit die handeling, als een 'normale'
reactie.
o Causa proxima: leer die stelt dat alleen de meest directe, effectieve en
dichtstbijzijnde oorzaak van een gebeurtenis relevant is voor het vaststellen van
strafbaarheid
▪ Categorieën bij medisch ingrijpen (noot A.C. ’t Hart, HR NIET-BEHANDELDE
LONGINFECTIE)
• Letsel veroorzaakt dat op zichzelf niet letaal is maar wel medisch
ingrijpen noodzakelijk maakt en de dood vloeit voort uit het misgaan
van dat medisch ingrijpen
• Bij het letsel ontstaan complicaties die tot de dood leiden
• Het toegebrachte letsel leidt op zichzelf tot de dood van het
slachtoffer, maar dit gevolg had kunnen worden voorkomen indien
er medisch juist zou zijn ingegrepen.
- Zo nee, toerekening in beginsel niet mogelijk, tenzij:
o Alternatieve causaliteit: er is nog een tweede oorzaak mogelijk die het gevolg kan
hebben bewerkstelligd (HR GRONINGER HIV)
o Nalaten
▪ Wanneer de verdachte een nalaten verweten wordt, ontbreekt de vereiste
gedraging en is het causale verband moeilijker vast te stellen.
▪ Allereerst moet worden vastgesteld dat de verdachte een plicht had om wél
te handelen.
▪ Vervolgens moet vaststaan dat de verdachte het risico op het ingetreden
gevolg zodanig heeft verhoogd dat het gevolg redelijkerwijs aan hem kan
worden toegerekend als gevolg van diens nalaten om te handelen (HR
SHAKEN BABY)
, WEEK 2: STRAFBAAR FEIT EN WEDERRECHTELIJKHEID
Wederrechtelijkheid:
- Als beginsel: strafwaardigheid van gedrag in het algemeen
- Als element: algemene voorwaarde voor strafbaarheid
o HR DREIGBRIEF: het overschrijden van de grenzen van maatschappelijke
betamelijkheid
- Als bestanddeel: onderdeel van delictsomschrijving
o Leer van de totaalwederrechtelijkheid: wederrechtelijkheid als bestanddeel betekent
hetzelfde als wederrechtelijkheid als element
▪ Heersende leer, aldus HR DREIGBRIEF
o Leer van de facetwederrechtelijkheid: wederrechtelijkheid als bestanddeel betekent
niet hetzelfde als wederrechtelijkheid als element
▪ Bestanddeel krijgt een delictsafhankelijke interpretatie; voor elke
delictsomschrijving moet worden vastgesteld wat wederrechtelijkheid
betekent
Rechtvaardigingsgronden tasten de wederrechtelijkheid aan.
Beslisschema artikel 350 Sv:
1. Kan het feit worden bewezen? Zo niet, vrijspraak
2. Is de daad strafbaar? Zo niet, OVAR
3. Is de dader strafbaar? Zo niet, OVAR
4. Welke straf/maatregel? Zo niet, OVAR
Als wederrechtelijkheid een element is, zal het aannemen van een rechtvaardigingsgrond tot OVAR
leiden.
In dat geval is het geen bestanddeel, dus hoeft het niet bewezen te worden. Als er een
rechtvaardigingsgrond wordt aangenomen, wordt de wederrechtelijkheid aangetast. Dit komt pas
aan bod bij de beantwoording van de tweede vraag. Om die reden volgt OVAR.
Als wederrechtelijkheid een bestanddeel is, hangt de betekenis van het bestanddeel en dus ook de
einduitspraak af van de leer die men aanhangt.
- Leer van de totaalwerkelijkheid: wederrechtelijkheid betekent “in strijd met het recht”. Als
de rechtvaardigingsgrond wordt aangenomen, terwijl wederrechtelijkheid een bestanddeel
is, kan het feit niet worden bewezen. Dat is vraag 1 van artikel 350 Sv en een negatieve
beantwoording leidt daarom tot vrijspraak.
- Leer van de facetwerkelijkheid: wederrechtelijkheid krijgt een delictsafhankelijke
interpretatie. Als de rechtvaardigingsgrond wordt aangenomen, wordt de
wederrechtelijkheid aangetast en kan de daad niet als strafbaar worden aangemerkt. Dit is
vraag 2 van artikel 350 Sv en een negatieve beantwoording leidt daarom tot OVAR.
WEEK 3: OPZET
Vormen van schuld:
- Schuld in het strafrecht: algemeen
- Schuld als element: verwijtbaarheid
- Schuld als bestanddeel: opzet en culpa
Vormen van opzet: