Wat is een systeem?
Een systeem is een verzameling elementen die met elkaar verbonden zijn. In het Engels heb je het
in een netwerk dan ook wel over een node (knop) en egde (verbinding). Op allerlei niveaus kan er
worden nagedacht over elementen die met elkaar verbonden zijn. Als je dat helemaal opschaalt
dan kan je de planeet ook als een heel groot systeem zien (belangrijk idee in de ecofilosofie).
Wat is een complex systeem?
Twee dingen zijn belangrijk voor een complex systeem:
• Zelforganisatie: het gedrag van zo’n systeem als geheel dat het voortkomt uit de
interacties tussen elementen in het systeem zonder dat er één achterliggende oorzaak is.
Denk hierbij aan de zwerm vogels in de lucht die samen een patroon vormen. Je kunt
hierbij op een modernere manier gaan nadenken over het model van Bronfenbrenner.
• Emergentie: het patroon dat het systeem als geheel laat zien, kan niet worden
gereduceerd tot losse elementen. Het kan alleen ontstaan uit interacties. Een zwerm kan
niet worden gereduceerd tot één vogel. Denk bijvoorbeeld aan een paniekaanval.
Complexe systeem theorie
Dynamische patronen
Het belangrijkste punt van de complexe systeem theorie (CST) is dat je (dynamische) patronen
kunt hebben zonder achterliggende oorzaak. Dit geeft een hele andere kijk op verklaringen en
wetenschap. Veel concepten die worden gebruikt, onder andere in de pedagogiek, die fungeren
een beetje als impliciete achterliggende oorzaak (‘hij gedraagt zich zo, omdat hij ADHD heeft’).
Vanuit de CST is dat een soort verstoppertje spelen met een niet geldige verklaring. Het is wel echt
zo dat sommige kinderen heel druk zijn, maar het is niet zo dat de concepten (bijvoorbeeld ADHD)
die worden gebruikt dat in een keer verklaren. Je gaat het meer proberen te begrijpen als proces
in plaats van door te verklaren door andere dingen.
Additieve oorzaken versus interactie
Additieve oorzaken kun je zien als puzzelstukjes. Als je bijvoorbeeld wil begrijpen waarom een
kind antisociaal gedrag vertoont, dan kun je kijken naar de oxytocine dat niet helemaal goed zit,
opvoeding et cetera. Dan heb je van die puzzelstukjes en dat komt voort uit de
standaardmethodologie (regressiemodel). Bij regressie probeer je bepaald gedrag te verklaren
met puzzelstukjes dat samen het rondje van verklaarde variantie volmaken. Dit werkt niet goed,
want je ziet bijna nooit een verklaarde variantie die groter is dan 10%. Vanuit CST ga je dus ook
anders nadenken over die puzzelstukjes (alle processen die een rol spelen bij gedrag), namelijk
als interactie en niet als iets dat je op kan tellen. Als je hier vanuit gaat dan ga je ook van lineaire
groeps-statistiek naar individueel proces onderzoek.
,Lineair groeps-statistiek versus individueel proces onderzoek
Bij A is een plaatje van het algemene idee. Je probeert bepaald gedrag te verklaren met iets
anders. Bij B, systeembenadering, ga je dat gedrag proberen te begrijpen vanuit zichzelf als
proces.
Standaard pad versus unieke processen
Als er naar die processen worden gekeken dan is daar ook nog een belangrijk onderscheid:
standaard pad en unieke processen. Standaard groei curves voor kinderen worden bijna nooit
helemaal doorlopen. In de systeembenadering ga je onderzoek doen naar die individuele
processen. Bijna niemand volgt het gemiddelde lijntje (bij groei, cortisol door de dag heen et
cetera).
Onderzoek
Wat voor onderzoek doen mensen die vanuit de CST kijken?:
• Modellen
o Computermodellen
o Psychologische modellen
• Time series/tijdreeksen
• Kwalitatief onderzoek
o Redelijk statisch, maar wordt gekeken hoe hier CST kan worden toegepast.
Praktijk: Anders denken
Complexe systeem theorie geeft goede redenen om anders te gaan denken over de klinische
praktijk of denken hoe je het al doet. Voornaamste is dat je die patronen gaat leren begrijpen
zonder dat je een beroep doet op één achterliggende oorzaak. Je gaat proberen na te denken zijn
er van die feedback loops, van die processen waardoor iemand steeds weer in de knoei komt.
, Hoorcollege 1B – Personalisatie A
Waarom is personalisatie belangrijk?
Populatie statistiek geeft kennis over een populatie, maar kunnen we daar ook wat mee voor het
individu? Is iedereen hetzelfde? Of is iedereen uniek? Of iets er tussen in?
Populatie statistiek: Kleine effectgroottes in de pedagogiek
Effectgroottes van interventies zijn vrij klein.
Als je de ene groep wel de interventie,
medicatie of iets dergelijks geeft dan kan je
een verschil zien.
Als je een groot een effect hebt dan heb je het
verschil dat je ziet bij het onderste plaatje.
Blauwe groep heeft de interventie gehad en
de rode groep niet. In zo’n wolk zitten
allemaal mensen en daarin zie je dat heel
veel mensen die de interventie hebben
gehad, slechter af zijn dan de mensen die
hem niet hebben gehad. Er zit veel overlap in
die groepen.
Traditionele kijk: diversiteit als ‘ruis’, ‘error’, ‘afwijkend’
De traditionele kijk voor populatiestatistiek is dat je diversiteit (variatie) tussen mensen ziet als
ruis, error of afwijkend. Er zit een normatief idee achter, een groepje is normaal en er zijn mensen
die afwijken. Het gemiddelde geldt als norm(aal). De afwijking van het gemiddelde is diversiteit (=
error). Het gemiddelde geldt voor de meeste mensen. Todd Rose laat in zijn boek ook zien dat dat
niet zo is. Bijvoorbeeld het gemiddelde Nederlandse gezicht, niet iedereen ziet er zo uit.
Adolphe Quetelet (1797 – 1874)
Hoe groter het aantal individuen dat men observeert, hoe meer de individuele bijzonderheden,
hetzij fysiek of moreel (psychologisch), worden uitgewist en hoe meer zij de algemene feiten
bepalen op grond waarvan de samenleving bestaat en zichzelf in stand houdt. Wat hij eigenlijk
zegt is: het gaat om die gemiddelde persoon, dus de ware persoon, daar zitten de algemene
feiten.