Aardrijkskunde SV Systeem Aarde
Toets stof:
Hoofdstuk 2: paragraaf 2.1 & 2.2
Hoofdstuk 3: paragraaf 3.1 t/m 3.3
Hoofdstuk 4: paragraaf 4.2 & 4.3
Hoofdstuk 2
2.1: De aarde als systeem
Vier lagen atmosfeer:
1. troposfeer (0-10 km) = onze focus: klimaatprocessen vinden hier plaats
2. stratosfeer (10-50 km)
- blokkeert ultraviolette straling
3. mesosfeer (50-90 km)
4. thermosfeer (90-100 km)
Hydrosfeer: vloeibare gedeelte van de aardse sferen
Biosfeer: bevat alle levende organismen op aarde
Hydrologische kringloop (waterkringloop)
- evaporatie (verdamping van zee) + verdamping meren/rivieren + transpiratie
(verdamping van planten) condensatie (stijgt) regen (soms ook sneeuw bij
stijging) infiltratie bodem en afstroming over aardoppervlak water terug naar
zee
Kringlopen zorgen voor meerdere relaties tussen de sferen zoals vorming van landschap
, Stralingsbalans: balans tussen inkomende en uitgaande zonne-energie.
- Deel van zonlicht wordt weerkaatst door wolken en aan het aardoppervlak
- Deel van energie wordt door wolken opgenomen en omgezet in warmte
- Ongeveer 50% zonne-energie wordt geabsorbeerd door aarde uitgestraald via
infrarode straling terugkaatsing naar aarde door atmosfeer gevolg: aarde blijft
warmer
o Gevolg klimaatverandering: door te veel CO2 uitstoot wordt er meer
teruggekaatst naar de aarde aarde warmt op
Stralingsbalans over de aarde
- Verschillen door
o Dag en nacht
o Seizoenen
o Breedtegraad: komt door invalshoek van de zonnestralen. Op een hogere
breedtegraat moet dezelfde hoeveelheid zonnestralen een groter oppervlak
bedekken (dus minder warmte per m2) en een grotere afstand afleggen
(warmteverlies door bewolking en stofdeeltjes)
o Albedo: mate van weerkaatsing of reflectie van zonlicht. Hoger albedo
(bijvoorbeeld ijs) kouder, lager albedo (bos) warmer
o Plaatselijke verschillen gecompenseerd door oceaanstromen en
luchtcirculatie (of terwijl wind en zeestroming)
2.2 Klimaten
Lagedrukgebied: stijgende lucht door opwarmende deeltjes
- Rond de evenaar (ICTZ)
- 60 graden NB en ZB
Hogedrukgebied: lucht is afgekoeld in troposfeer zakt naar beneden wind gaat terug
naar ‘oorspronkelijk lagedrukgebied’
- Rond 30 graden NB en ZB
- 90 graden NB en ZB
Bij de polaire cel gaat de wind richting 50 graden. Door deze koude wind wordt de
tegemoetkomende wind rond 60 graden omhooggeduwd waardoor hier een lagedrukgebied
ontstaat.
Toets stof:
Hoofdstuk 2: paragraaf 2.1 & 2.2
Hoofdstuk 3: paragraaf 3.1 t/m 3.3
Hoofdstuk 4: paragraaf 4.2 & 4.3
Hoofdstuk 2
2.1: De aarde als systeem
Vier lagen atmosfeer:
1. troposfeer (0-10 km) = onze focus: klimaatprocessen vinden hier plaats
2. stratosfeer (10-50 km)
- blokkeert ultraviolette straling
3. mesosfeer (50-90 km)
4. thermosfeer (90-100 km)
Hydrosfeer: vloeibare gedeelte van de aardse sferen
Biosfeer: bevat alle levende organismen op aarde
Hydrologische kringloop (waterkringloop)
- evaporatie (verdamping van zee) + verdamping meren/rivieren + transpiratie
(verdamping van planten) condensatie (stijgt) regen (soms ook sneeuw bij
stijging) infiltratie bodem en afstroming over aardoppervlak water terug naar
zee
Kringlopen zorgen voor meerdere relaties tussen de sferen zoals vorming van landschap
, Stralingsbalans: balans tussen inkomende en uitgaande zonne-energie.
- Deel van zonlicht wordt weerkaatst door wolken en aan het aardoppervlak
- Deel van energie wordt door wolken opgenomen en omgezet in warmte
- Ongeveer 50% zonne-energie wordt geabsorbeerd door aarde uitgestraald via
infrarode straling terugkaatsing naar aarde door atmosfeer gevolg: aarde blijft
warmer
o Gevolg klimaatverandering: door te veel CO2 uitstoot wordt er meer
teruggekaatst naar de aarde aarde warmt op
Stralingsbalans over de aarde
- Verschillen door
o Dag en nacht
o Seizoenen
o Breedtegraad: komt door invalshoek van de zonnestralen. Op een hogere
breedtegraat moet dezelfde hoeveelheid zonnestralen een groter oppervlak
bedekken (dus minder warmte per m2) en een grotere afstand afleggen
(warmteverlies door bewolking en stofdeeltjes)
o Albedo: mate van weerkaatsing of reflectie van zonlicht. Hoger albedo
(bijvoorbeeld ijs) kouder, lager albedo (bos) warmer
o Plaatselijke verschillen gecompenseerd door oceaanstromen en
luchtcirculatie (of terwijl wind en zeestroming)
2.2 Klimaten
Lagedrukgebied: stijgende lucht door opwarmende deeltjes
- Rond de evenaar (ICTZ)
- 60 graden NB en ZB
Hogedrukgebied: lucht is afgekoeld in troposfeer zakt naar beneden wind gaat terug
naar ‘oorspronkelijk lagedrukgebied’
- Rond 30 graden NB en ZB
- 90 graden NB en ZB
Bij de polaire cel gaat de wind richting 50 graden. Door deze koude wind wordt de
tegemoetkomende wind rond 60 graden omhooggeduwd waardoor hier een lagedrukgebied
ontstaat.