H1
Leerdoelen
1. Je kent het begrip globalisering.
2. Je kent de oorzaken en kenmerken van internationale handel.
3. Je kent de kenmerken en verschillen van vrijhandel en protectionisme.
4. Je kent verschillende vormen en voorbeelden van internationale
samenwerking.
Samenvatting
Tussen landen in de Verenigde Naties vindt steeds meer interactie plaats. Deze
internationalisering brengt ook internationale handelsstromen met zich mee. Consumenten en
producenten worden steeds afhankelijker van goederen, diensten en productiefactoren uit
andere landen. Globalisering levert in theorie voor alle deelnemende landen een hogere
welvaart op, maar aan de andere kant kan er op korte termijn werkgelegenheid verloren gaan.
Landen die grondstoffen, goederen en diensten kopen in andere landen doen aan import. Het
verkopen van deze zaken heet export. Internationale handel zorgt ervoor dat landen datgene
gaan exporteren waar ze goed in zijn volgens de theorie van de comparatieve
kostenverschillen.
Volgens deze theorie neemt de gezamenlijke welvaart van landen toe als elk land zich
specialiseert in die goederen en diensten waarbij dat land een comparatief kostenvoordeel
heeft. Dat is het geval waarbij de productie van een goed de kleinste achterstand heeft ten
opzichte van de productie in het andere land. Comparatieve kostenverschillen ontstaan door
de verschillen in aanwezige productiefactoren (arbeid, kapitaal en totale factorproductiviteit) in
een land.
Als de opofferingskosten van een goed in een land lager zijn dan in andere landen, dan heeft
dat land een comparatief kostenvoordeel bij de productie van dat goed. De ruilverhoudingen
liggen altijd tussen de binnenlandse ruilverhoudingen (binnenlandse opofferingskosten).
Hoe meer onderhandelingsmacht een land heeft, hoe voordeliger de ruilverhoudingen zijn voor
dat land. De ruilverhoudingen bepalen hoeveel extra goederen er beschikbaar zullen zijn in een
land door internationale handel. Internationale handel zorgt ook voor innovatie.
Multinationals zijn grote ondernemingen die in meerdere landen economisch actief zijn met de
productie en/of verkoop van hun goederen en diensten.
, Protectionisme
Het beschermen van de binnenlandse productie tegen buitenlandse concurrentie (met
negatieve gevolgen voor de welvaart).
Argumenten:
• Infant industry: ontwikkelingskans voor jonge industrieën
• Lagelonenargument: export en lage lonen zorgt voor oneerlijke concurrentie.
• Antidumpingsargument: verkoop onder kostprijs.
• Zelfvoorzieningsargument: niet te afhankelijk van het buitenland.
• Kwaliteitsargument: het waarborgen van een levenskwaliteit door producteisen te stellen.
Tegenargumenten:
• Mogelijke handelsoorlog
• Afremmen van innovatie
Tarifair (geld) Non-tarifair
• Exportsubsidie • Maximale invoer
• Invoertarieven • Wetgeving
Internationale samenwerking gebeurt via handelsverdragen en afspraken over eerlijke
productie, arbeidsvoorwaarden en intellectueel eigendom. Landen overleggen in organisaties
zoals de G7, G20 en WTO om wereldwijde problemen op te lossen en handel soepel te laten
verlopen.
Economische integratie
Vrijhandelszone Alle onderlinge handelsbelemmeringen tussen lidstaten
vervallen.
Douane-unie Gemeenschappelijke buitentarief.
Gemeenschappelijke Vrij verkeer van goederen en diensten en vrij verkeer van
markt productiefactoren.
Economische unie Sociaaleconomische samenwerking (met eigen munt)
(muntunie)