Gecombineerde samenvatting van Ademhaling 1, 2 en 3
1. Verbranding en energie
• Bij verbranding is een brandstof en zuurstof nodig. In het lichaam is glucose een belangrijke brandstof.
• Bij verbranding ontstaan verbrandingsproducten: koolstofdioxide en water. Er komt ook energie vrij, vaak als warmte en
soms als licht of beweging.
• De formule is: glucose + zuurstof -> koolstofdioxide + water + energie.
• Voorbeeld kaars: kaarsvet is de brandstof. De vlam gaat uit als er te weinig zuurstof is.
• Voorbeeld auto: verbranding levert beweging en warmte op; uitlaatgassen zijn verbrandingsproducten.
2. Indicatoren
• Een indicator is een stof waarmee je een andere stof kunt aantonen, meestal doordat de kleur verandert.
• Helder kalkwater toont koolstofdioxide aan.
• Jodium toont zetmeel aan.
3. Ingeademde en uitgeademde lucht
• Lucht bestaat uit verschillende stoffen. Door ademhaling verandert vooral de hoeveelheid zuurstof, koolstofdioxide,
waterdamp en warmte.
Stof / eigenschap Ingeademde lucht Uitgeademde lucht
Stikstof 78% 78%
Zuurstof 21% 16%
Edelgassen 1% 1%
Koolstofdioxide 0,04% 5%
Waterdamp weinig veel
Temperatuur laag hoog
Hieruit blijkt: het lichaam neemt zuurstof op en geeft koolstofdioxide, waterdamp en warmte af.
4. De weg van lucht door het lichaam
• Zuurstof komt binnen via neus of mond en gaat daarna langs: neus-/mondholte -> keelholte -> strottenhoofd -> luchtpijp -
> bronchien -> longen -> longblaasjes -> bloed.
• Neusholte: maakt lucht vochtig en warm, filtert met neusharen en slijm en controleert met het reukzintuig.
• Keelholte: kruispunt van voedsel en lucht. Bij slikken sluiten huig en strotklepje de juiste openingen, zodat voedsel niet in
de luchtpijp komt.
• Strottenhoofd: ligt tussen keelholte en luchtpijp en bevat de stembanden.
• Luchtpijp en bronchien: hebben kraakbeenringen die de luchtwegen open houden. Slijm vangt stof en ziekteverwekkers
op; trilharen verplaatsen dit naar de keelholte.
5. Ademhalingsbewegingen en longvolume
• Bij rib- of borstademhaling bewegen de ribben waardoor de borstkas groter of kleiner wordt.
• Bij middenrif- of buikademhaling beweegt het middenrif. Als het middenrif samentrekt, wordt de borstholte groter en
stroomt lucht naar binnen; bij ontspanning stroomt lucht naar buiten.
• Longvolume en vitale capaciteit geven aan hoeveel lucht de longen kunnen verplaatsen.
6. Longblaasjes en gaswisseling
• Longblaasjes zitten aan het uiteinde van de longen.
• Ze hebben een wand van maar een cellaag dik. Daardoor kunnen gassen snel uitwisselen met de longhaarvaten.
• In de longblaasjes gaat zuurstof uit de lucht naar het bloed. Koolstofdioxide gaat vanuit het bloed naar de lucht in de
longblaasjes en wordt uitgeademd.
7. Gaswisseling bij dieren
• Eencelligen wisselen gassen uit via diffusie door het celmembraan.
Samenvatting gemaakt uit de drie presentaties over ademhaling