Het leven is in te delen in verschillende levensfasen: Kind, student, werken en pensioen. De
verschillende opeenvolgende levensfasen noem je de levensloop. Iedere fase heeft een andere
financiële situatie:
❖ Voorraadgrootheden: de financiële stand van zaken op een bepaald moment.
o Bv. de bezittingen en schulden(een banksaldo)
o Het vermogen = bezittingen - schulden.
❖ Stroomgrootheden: financiële veranderingen in een periode. (bv. aflossing of rentebetaling.
o Overschot/tekort = inkomen – uitgaven.
o Inkomen(gezinshuishouding): beloning voor het beschikbaar stellen van arbeid,
natuur, ondernemerschap of kapitaal.
Menselijk kapitaal; de kennis en vaardigheden die je verkrijgt door opleiding, training en ervaring.
De verdiencapaciteit is het inkomen dat past bij je opleiding, training en ervaring.
Ruilen over tijd of intertemporele substitutie is het uitstellen of vervroegen van consumptie.
1.2 Sparen of lenen?
Bij sparen stel je consumptie uit door een deel van je budget niet uit te geven. Spaarmotieven zijn:
1. Zekerheidsmotief: sparen uit voorzorg; tijden van minder inkomen of onverwachte uitgaven.
2. Doelmotief: sparen voor een doel; bv. vakantie, een huis of auto.
3. Vermogensmotief: vermogen verhogen door het ontvangen van rente; bij lage rentestand is
dit lastiger te realiseren.
Bij lenen haal je consumptie naar voren en betaal je het later terug. Leenmotieven zijn:
1. Om een tegenslag op te vangen 3. Voor de aanschaf van (duurdere) consumptiegoederen
2. Lenen om een tijdelijk tekort op te vangen
Consumptief krediet: zijn alle geld leningen die bedoeld zijn voor aanschaf van consumptiegoederen,
zoals creditcard, rood staan, doorlopend krediet, een persoonlijke lening & onderhandse lening.
Een hypothecaire lening: is een lening met een ontroerend goed als onderpand, bv. huis & heeft
hierdoor laagste risico voor de bank en daardoor de laagste rente. Als je niet meer voldoet aan je
rente en aflossing verplichtingen heeft de hypotheek verschaffer het recht om het onderpand te
verkopen, en daarmee geleende geld terug te krijgen.
De algemene prijs van tijd is de rente die je betaalt voor een lening.
De individuele prijs van tijd is de prijs die je bereid bent om te betalen voor een lening.
Mate waarin mensen uitgaven kunnen uitstellen is de tijdsvoorkeur (hoge tijdsvoorkeur = lastig uit te
stellen) (lage tijdsvoorkeur is makkelijk uit te stellen)
Onderhandse lening: lening tussen 2 partijen zonder tussenkomst van de bank, deze kan pas in geld
worden omgezet als de looptijd versteken is → geldgever hogere rente.
Over het algemeen geld: hoe langer de looptijd, hoe hoger het risico om de uitstaande schuld terug
te krijgen, dus hoe hoger de rente.
Uiteindelijk bepalen vraag en aanbod de prijs van vermogen: de rente.