Potentiële groei = hoeveel de economie kan groeien gegeven de groei van de productiecapaciteit.
Feitelijke groei = De groei van het bbp, (hoeveel de economie daadwerkelijk is gegroeid)
Output gap is het verschil tussen potentiële en feitelijke groei (van het bbp)
Trend = verwachte gem. economische groei, o.b.v. historische trend + economische vooruitzichten.
Conjunctuurgolf/beweging = veranderingen in de productiegroei van een economie. (=daadwerkelijke
groei bbp).
Er is een Recessie wanneer het volume van het bbp (de economie) 2 kwartalen achter elkaar krimpt.
Gevolgen laagconjunctuur(periode waarin economische groei lager is dan je op basis van de trend
mag verwachten).
1. Bezettingsgraad neemt af → omzet + winst bedrijven daalt
2. Onderbesteding, bestedingen kleiner dan productiecapaciteit.
3. Conjuncturele werkeloosheid, onderbesteding → minder productie, meer werkeloosheid
4. Beperkte inflatie, beperkte vraag dus prijzen stijgen niet.
5. Negatieve output gap
Gevolgen hoogconjunctuur(periode waarin de economische groei hoger is dan je op basis van de
trend mag verwachten).
1. Bezettingsgraad neem toe → meer vraag, meer productie, omzet + winst bedrijven stijgt
2. Overbesteding, bestedingen zijn groter dan de productiecapaciteit.
3. Alleen natuurlijke werkeloosheid, als gevolg van potentiële groei altijd aanwezig.
4. Veel inflatie, bestedingsinflatie = inflatie veroorzaakt door overbesteding
5. Positieve output gap
Geldillusie = de neiging van mensen om over geld in nominale en niet in reële waarde te denken.
1.2, De conjunctuur van de overheid.
Ingebouwde/automatische stabilisatoren = in het verleden genomen overheidsmaatregelen, die in
wetten zijn vastgelegd, die zorgen voor een demping van de conjunctuur (de schommelingen
beperken). BV:
- Sociale zekerheidsstelsel, bv werkeloosheid uitkering of AOW
- Progressief belastingstelsel, in hoogconjunctuur hoge inkomens maar veel belasting. In laag
conjunctuur lage inkomens maar weinig belasting. Zo blijven de bestedingen/bbp meer gelijk.
- Minimumloon, werknemers zekerheid van inkomen, dus altijd bestedingen.
Procyclisch conjunctuurbeleid = overheidsbeleid van bij de conjunctuurbeweging wordt versterkt
Anticyclisch conjunctuurbeleid = overheidsbeleid waarbij de conjunctuurbeweging wordt afgevlakt.
De overheid zal bij een laagconjunctuur bestedingen stimuleren en tijdens een hoogconjunctuur
afremmen.
Anticyclisch is lastig want:
- Je kunt de precieze stand van de conjunctuur niet vaststellen.
- Politieke besluitvorming duurt lang.
- Goede timing moeilijk, als maatregelen te laat worden ingezet kunnen ze procyclisch werken.
- Overheidssaldo, als het slecht gaat met de conjunctuur moet overheid geld investeren maar dat
is lastig omdat ze dan een laag/negatief saldo hebben.
- 1
Politieke motieven, overheid moet in hoogconjunctuur meer belasting vragen (als buffer voor
later), maar hoe verkoop je dit aan de mensen als het juist heel goed gaat.
, Inverdieneffecten = overheidsmaatregelen die zich gedeeltelijk terugverdienen. Belastingen worden
lager, overheid geeft meer uit om economie te stimuleren. Mensen houden meer geld over, geven
meer geld uit, waardoor overheid alsnog meer belasting ontvangt, en dus daalt het overheidstekort.
Uitverdieneffecten = overheidsmaatregelen die leiden tot minder opbrengsten elders dan de
maatregel zelf. Belastingen worden lager en overheid geeft minder uit. Economie wordt niet
gestimuleerd, en verder afgeremd. Mensen geven minder geld uit en overheid ontvangt nog minder
belasting, en dus stijgt het overheidstekort.
1.3 De Centrale Bank:
De centrale bank is de bank van de banken. Bv ECB en DNB (Europese en NL bank). Taken ECB:
- Ze zorgen voor een veilig betalingsverkeer
- Prijsstabiliteit(prijzen mogen niet te snel stijgen/dalen). → Monetair beleid = is beleid
waarmee de ECB prijsstabiliteit probeert te bereiken. Iets minder dan 2% inflatie per jaar.
- Toezicht houden op financiële instellingen (banken, verzekeraars en pensioeninstellingen)
- Beheren externe reserves.
Soms heeft een centrale bank ook als taak de economische groei te stimuleren (duaal mandaat). Dit
geld niet voor ECB+DNB, wel is VS (FED).
Totale geldhoeveelheid in handen van publiek (bedrijven + gezinnen) = giraal (bank) + chartaal (cash)
Geldschepping, stijging van de geldhoeveelheid. Geldvernietiging, daling van de geldhoeveelheid.
Geldscheppende instellingen zijn de overheid, de centrale bank en private banken.
Hoe vind geldschepping plaats?
1. Kredietverlening: als iemand geld leent bij de bank gaat de hoeveelheid geld in handen van
het publiek gaat omhoog.
2. Transformatie: producten omzetten in geld. Bv winkelpand verkopen, auto verkopen.
Geldvernietiging → lening terugbetalen aan bank, winkelpand/auto kopen.
Bank moet altijd voldoen aan liquiditeitseisen centrale bank. Elke euro die ze uitlenen moeten ze een
% aan kasmiddelen moeten hebben.
Liquiditeits % bank =
Refirente = het rente tarief dat de banken betalen voor het lenen van geld bij de ECB. Met rente
verlagingen wil de ECB de economie een impuls geven.
Zero lower bound = een situatie waarbij de centrale bank de rente niet verder kan verlagen om de
economie te stimuleren omdat die te dicht bij de 0% zit.
Hoe stuurt de ECB de rente (hoeveel de bank extra vraagt voor een lening)?
1. Open markttransactie: kwantitatieve verruiming is opkopen op grote schaal van obligaties en
ander schuldpapier door de centrale bank waarmee ze geld in de economie pompen. Als ze
obligaties weer verkopen halen ze geld uit de economie.
2. Reserve verplichtingen: banken hebben de verplichting om reserves te houden bij de ECB. Dit
geld kunnen ze niet gebruiken om aan hun verplichtingen te kunnen voldoen. Hoe groter de
reserve hoe minder ze uit kunnen geven.
3. Permanente faciliteiten: korte termijn geld lenen of storten bij de ECB
2