Nieuwe tijd (1500 – heden)
- De vroege nieuwe tijd (1500 - 1650 nChr.) is de periode waarin de internationale
markteconomie opkomt. Door inpoldering vindt er commerciële landaanwinning
plaats.
- De midden nieuwe tijd (1650 - 1850 nChr.) is de periode gekenmerkt door een
sterke groei van de West-Nederlandse steden en kolonialisme. Beginnende
industrialisatie, ten dienste van scheepvaart en internationale handel (Zaanstreek).
- De late nieuwe tijd (1850 nChr. - 5-5-1945) is de periode van industrialisatie en
verdere verstedelijking. Steden verliezen hun defensieve rol en vorm. Zeer sterke
bevolkingsgroei, massaproductie, dekolonisatie en secularisatie (rol van kerken
neemt af)
Late middeleeuwen – Nieuwe tijd
Stedelijke ontwikkeling
- Stadskernopgravingen: funderingen, beerputten, waterputten en veel vondsten!
Vestingwerken
- 16e – 17e eeuw: bouw vestingwerken
- Oud- Nederlands vestingstelsel
Aarden wallen
Brede grachten
Bastions
Ravelijnen
- Tot in de 19e eeuw in gebruik, daarna afbraak en stadsuitbreidingen
Nieuwe tijd
- Industriële productie
- Bevolkingsgroei
- Explosie aan materiele cultuur
- Status verschillen
- Verdwijnen beerputten en opkomst riolen
- Waterleiding
Maritieme archeologie
- Maritieme archeologie / scheepsarcheologie / onderwaterarcheologie
- Schip = tijdscapsule: schip, lading, inventaris
- Gouden eeuw (16e – 17e eeuw): VOC
Conflictarcheologie/strijdarcheologie
- Tweede wereldoorlog
Sporen en vondsten:
Loopgraven
Afweergeschut
Munitie
Zichtbare resten: atlantikwall ’40-45’
Gesneuvelden (geenarcheologie!)
Kamparcheologie
Gevoelig: nabestaanden, ooggetuigen