H2 (Hoe geef je aardrijkskunde?)
2.2 Didactische werkvormen
2.2.1 Inleiding
Didactische werkvormen zijn de activiteiten van zowel leerkracht als leerling. Welke het meest
effectief is, hangt af van de verschillen tussen leerlingen, de motivatie van de leerlingen en de doelen
die je wilt bereiken. Je hebt spelvormen, interactievormen, opdrachtvormen e instructievormen.
2.2.2 Verhalend ontwerpen
Verhalend ontwerpen: werkwijze
Verhalend ontwerpen (storyline approach) is ontwikkeld door Steve Bell. Leerlingen stellen eigen
vragen, zoeken eigen oplossingen en antwoorden. Door een verhaallijn vergroot de betrokkenheid
van de leerlingen.
De onderdelen van een verhalend ontwerp
Verhaallijn: begint met een opening waarbij de plaats, personen of het probleem geïntroduceerd
worden. Verder zijn er episoden (hoofdstukken) die dienen als kapstok waaraan de leerinhoud en de
activiteiten opgehangen kunnen worden. Belangrijk is dat de leerkracht de verhaallijn in zijn hoofd
heeft en weet waar deze ongeveer moet eindigen.
Sleutelvragen: deze geven richting aan de activiteiten. Ze beginnen vaak met ‘wat denk je hoe…’ of
‘Wat zou er gebeuren als…’. De vragen nodigen uit tot onderzoek. Door sleutelvragen wordt de
volgende episode aan de orde gesteld.
Activiteiten: de activiteiten zorgen ervoor dat er antwoord gegeven kan worden op de sleutelvragen.
Materialen: deze zijn soms nodig bij de activiteiten.
Organisatie: denk hier goed over na. Aan de wand komen de producten van kinderen te hangen over
het thema, van begin tot eind.
Aandachtspunten: geheugensteuntjes om dingen in de gaten te houden.
2.2.3 Samenwerken
Waarom samenwerken?
Door samenwerking kunnen kinderen verder weg gelegen plekken zelf bestuderen zonder de
leerkracht. De leerkracht heeft als rol te begeleiden. Het is belangrijk dat de leerkracht voldoende
achtergrondkennis heeft.
Samenwerken organiseren
Het is belangrijk dat aan de volgende punten wordt voldaan: de leerlingen hebben elkaar nodig bij
het uitvoeren van de opdracht, iedere leerling kan aangesproken op de eigen bijdrage, maar ook op
groep als geheel en de klas moet zo ingericht zijn dat samenwerking goed mogelijk is.
Vormen van samenwerken
1) In tweetallen op zoek naar de oplossing van een probleem. Zo wordt overleggen en
beargumenteren goed geoefend.
2) Iedere leerling neemt een eigen taak op zich.
Reflectie
Door klassikaal te presenteren krijgt iedereen een beeld van het totale onderwerp. Daarnaast kan
het helpen te vragen naar de moeilijkheden voor de volgende samenwerking.
2.2.4 Foto’s
Het ontwerpen van goede kijkvragen
Door kijkvragen te stellen worden kinderen gestimuleerd zelf goed te kijken naar foto’s.
De functionaliteit van afbeeldingen
Sommige foto’s zijn een plaatje bij het praatje. Foto’s die informatie bevatten kun je via Haubrich
,onderzoeken.
Wanneer gebruik je de indeling van Haubrich?
Deze is bruikbaar voor iedere informatierijke foto. Of om te kijken of een foto bruikbaar is. Hoe meer
categorieën op de afbeelding van toepassing zijn, hoe meer informatie de afbeelding biedt.
2.2.5 Boeken en films
De beelden in boeken en films zorgen voor een geografische beeldvorming.
Boeken
Boeken met goede afbeeldingen of een goede beschrijven zijn goed bruikbaar, zowel voor jonge als
oudere kinderen.
Films
Films zijn bruikbaar als ze geografische beelden laten zien. Het verhaal hoeft dan niet eens vertelt te
worden. Het is belangrijk dat je de film eerst zelf bekijkt.
2.2.6 Werkstuk
Doelen van een werkstuk
Met een werkstuk leer je de leerlingen zelfstandig te kijken op een geografische manier. Je kunt met
werkstukken ook meer algemenere doelen bereiken. De informatie krijgt betekenis en blijft beter
hangen. De leerlingen zijn actief en hebben zelf invloed op het onderwijsleerproces. Leerlingen
kunnen werken op hun eigen niveau.
Een stappenplan
1) Onderwerp kiezen: baken dit af, zodat de onderwerpen binnen het thema blijven.
2) Vragen stellen: Thematische werkstukken vragen om de geografische vierslag (waarnemen,
herkennen, verklaren, waarderen), regionale werkstukken vragen om multiperspectiviteit.
3) Informatie zoeken en ordenen: bekend worden met bronvermelding en leren bepalen wat
bruikbare informatie is.
4) Het werkstuk schrijven: dit gebeurt al vanaf het begin.
2.2.7 Onderzoek
Wat is een aardrijkskundig onderzoek?
Onderzoeken is een manier van werken om een antwoord op een vraag te zoeken. Twee belangrijke
elementen zijn dat er een vraag moet zijn en dat het een manier van werken is om tot een antwoord
te komen. Bij een aardrijkskundig onderzoek houdt je steeds de vragen van de geografische vierslag
in je achterhoofd. Het is belangrijk dat de fysische- en sociale geografie geïntegreerd worden. De
onderzoeker stelt een onderzoeksvraag op, formuleert een mogelijk antwoord (hypothese), zoekt
bestaande informatie, gaat aan de slag met het antwoord op de vraag te vinden, trekt conclusies uit
het onderzoek, presenteert de resultaten en evalueert het geheel. Bij fysische aardrijkskunde staat
de proef centraal. Bij sociale aardrijkskunde worden algemene gegevens vaker gebruikt.
Onderzoeksstappen en de rol van de leerkracht
Een onderzoek heeft vaak 3 stappen. Voorbereiding, uitvoering en evaluatie.
Voorbereiding:
1) Oriëntatie: wat weten de leerlingen al van het onderwerp?
2) Vraagstelling: wat wil ik weten? Hoofdvraag en eventueel deelvragen noteren. De docent kijkt of
de vragen haalbaar zijn om te beantwoorden.
3) Hypothese: formuleren van een verwachting, zo concreet mogelijk. De docent kijkt of dit gedaan
wordt.
4) Plan van aanpak: wie doet wat, hoe, waar, waarmee en wanneer? De docent kijkt of het plan van
aanpak haalbaar is en geeft eventueel alternatieven.
, Uitvoering:
5) Gegevens verzamelen
6) Informatie verwerken
7): Conclusie trekken: kinderen kijken of dit een antwoord is op de hoofdvraag of een van de
deelvragen en als er een hypothese genoteerd is, wordt er gekeken of deze klopt.
De leerkracht kijkt van een afstand, informeert naar hoe het gaat en biedt eventueel hulp.
Evaluatie:
8) Beoordelen: de leerlingen kijken terug op het onderzoek. De leerkracht is de luisteraar en leider
van de discussies.
9) Presenteren
Onderzoeksvragen
Beschrijvings- en herkenningsvragen: als je een goede beschrijving maakt, zijn de volgende vragen
vaak ook makkelijker te beantwoorden.
Verklaringsvragen: dit zijn oorzaak-gevolg vragen. Het is belangrijk rekening te houden met het
niveau van de leerlingen.
Waarderingsvragen: mening en attitude spelen een belangrijke rol.
Criteria voor een goede onderzoeksvraag: de vraag is duidelijk (één uitleg mogelijk), de vraag is
uitdagend en de vraag moet op te lossen zijn door de leerlingen (moeilijkheidsgraad-niveau leerling,
niet te veel gezichtspunten, duidelijk beeld van de benodigde vaardigheden, er zijn verschillende
bronnen te vinden, genoeg tijd voor onderzoek en organisatie is overzichtelijk).
Onderzoeksmethoden
Interviewen: denk eraan dat je uit één interview geen algemene conclusie kan trekken.
Enquêteren: je kunt hier een algemene conclusie uit trekken.
Experimenteren
Observeren, tellen, meten, berekenen: observeren is gericht waarnemen wat er gebeurt.
Bronnen raadplegen
De waarde van onderzoek doen
Door onderzoek doen leren leerlingen op een bepaalde manier denken, betrokkenheid bij het
onderwerp, werkvormen buiten de klas, integratie van vakken, leren van diverse technische
vaardigheden, het stimuleert de sociale vaardigheden, eigen specialisatie en oefening voor latere
onderzoeken.
Onderzoek stimuleren
Om onderzoek toe te passen zijn twee factoren van belang: de rol van de leerkracht en de rol van de
omgeving.
2.3 Methode
2.3.2 De methode de baas
Sommige lessen moeten vervangen worden i.v.m. bijv. de actualiteit, schoolomgeving of motivatie.
2.3.3 Flexibel methodegebruik
Waarom?: aansluiting bij andere vakgebieden, de maatschappij, de actualiteit en de kinderen.
2.3.4 Taalniveau
Doelen bepalen
In de doelen moeten de aardrijkskunde begrippen benoemd worden. Feitelijke kennis is vaak maar
van toepassing op één gebied en niet voor lange tijd.
2.2 Didactische werkvormen
2.2.1 Inleiding
Didactische werkvormen zijn de activiteiten van zowel leerkracht als leerling. Welke het meest
effectief is, hangt af van de verschillen tussen leerlingen, de motivatie van de leerlingen en de doelen
die je wilt bereiken. Je hebt spelvormen, interactievormen, opdrachtvormen e instructievormen.
2.2.2 Verhalend ontwerpen
Verhalend ontwerpen: werkwijze
Verhalend ontwerpen (storyline approach) is ontwikkeld door Steve Bell. Leerlingen stellen eigen
vragen, zoeken eigen oplossingen en antwoorden. Door een verhaallijn vergroot de betrokkenheid
van de leerlingen.
De onderdelen van een verhalend ontwerp
Verhaallijn: begint met een opening waarbij de plaats, personen of het probleem geïntroduceerd
worden. Verder zijn er episoden (hoofdstukken) die dienen als kapstok waaraan de leerinhoud en de
activiteiten opgehangen kunnen worden. Belangrijk is dat de leerkracht de verhaallijn in zijn hoofd
heeft en weet waar deze ongeveer moet eindigen.
Sleutelvragen: deze geven richting aan de activiteiten. Ze beginnen vaak met ‘wat denk je hoe…’ of
‘Wat zou er gebeuren als…’. De vragen nodigen uit tot onderzoek. Door sleutelvragen wordt de
volgende episode aan de orde gesteld.
Activiteiten: de activiteiten zorgen ervoor dat er antwoord gegeven kan worden op de sleutelvragen.
Materialen: deze zijn soms nodig bij de activiteiten.
Organisatie: denk hier goed over na. Aan de wand komen de producten van kinderen te hangen over
het thema, van begin tot eind.
Aandachtspunten: geheugensteuntjes om dingen in de gaten te houden.
2.2.3 Samenwerken
Waarom samenwerken?
Door samenwerking kunnen kinderen verder weg gelegen plekken zelf bestuderen zonder de
leerkracht. De leerkracht heeft als rol te begeleiden. Het is belangrijk dat de leerkracht voldoende
achtergrondkennis heeft.
Samenwerken organiseren
Het is belangrijk dat aan de volgende punten wordt voldaan: de leerlingen hebben elkaar nodig bij
het uitvoeren van de opdracht, iedere leerling kan aangesproken op de eigen bijdrage, maar ook op
groep als geheel en de klas moet zo ingericht zijn dat samenwerking goed mogelijk is.
Vormen van samenwerken
1) In tweetallen op zoek naar de oplossing van een probleem. Zo wordt overleggen en
beargumenteren goed geoefend.
2) Iedere leerling neemt een eigen taak op zich.
Reflectie
Door klassikaal te presenteren krijgt iedereen een beeld van het totale onderwerp. Daarnaast kan
het helpen te vragen naar de moeilijkheden voor de volgende samenwerking.
2.2.4 Foto’s
Het ontwerpen van goede kijkvragen
Door kijkvragen te stellen worden kinderen gestimuleerd zelf goed te kijken naar foto’s.
De functionaliteit van afbeeldingen
Sommige foto’s zijn een plaatje bij het praatje. Foto’s die informatie bevatten kun je via Haubrich
,onderzoeken.
Wanneer gebruik je de indeling van Haubrich?
Deze is bruikbaar voor iedere informatierijke foto. Of om te kijken of een foto bruikbaar is. Hoe meer
categorieën op de afbeelding van toepassing zijn, hoe meer informatie de afbeelding biedt.
2.2.5 Boeken en films
De beelden in boeken en films zorgen voor een geografische beeldvorming.
Boeken
Boeken met goede afbeeldingen of een goede beschrijven zijn goed bruikbaar, zowel voor jonge als
oudere kinderen.
Films
Films zijn bruikbaar als ze geografische beelden laten zien. Het verhaal hoeft dan niet eens vertelt te
worden. Het is belangrijk dat je de film eerst zelf bekijkt.
2.2.6 Werkstuk
Doelen van een werkstuk
Met een werkstuk leer je de leerlingen zelfstandig te kijken op een geografische manier. Je kunt met
werkstukken ook meer algemenere doelen bereiken. De informatie krijgt betekenis en blijft beter
hangen. De leerlingen zijn actief en hebben zelf invloed op het onderwijsleerproces. Leerlingen
kunnen werken op hun eigen niveau.
Een stappenplan
1) Onderwerp kiezen: baken dit af, zodat de onderwerpen binnen het thema blijven.
2) Vragen stellen: Thematische werkstukken vragen om de geografische vierslag (waarnemen,
herkennen, verklaren, waarderen), regionale werkstukken vragen om multiperspectiviteit.
3) Informatie zoeken en ordenen: bekend worden met bronvermelding en leren bepalen wat
bruikbare informatie is.
4) Het werkstuk schrijven: dit gebeurt al vanaf het begin.
2.2.7 Onderzoek
Wat is een aardrijkskundig onderzoek?
Onderzoeken is een manier van werken om een antwoord op een vraag te zoeken. Twee belangrijke
elementen zijn dat er een vraag moet zijn en dat het een manier van werken is om tot een antwoord
te komen. Bij een aardrijkskundig onderzoek houdt je steeds de vragen van de geografische vierslag
in je achterhoofd. Het is belangrijk dat de fysische- en sociale geografie geïntegreerd worden. De
onderzoeker stelt een onderzoeksvraag op, formuleert een mogelijk antwoord (hypothese), zoekt
bestaande informatie, gaat aan de slag met het antwoord op de vraag te vinden, trekt conclusies uit
het onderzoek, presenteert de resultaten en evalueert het geheel. Bij fysische aardrijkskunde staat
de proef centraal. Bij sociale aardrijkskunde worden algemene gegevens vaker gebruikt.
Onderzoeksstappen en de rol van de leerkracht
Een onderzoek heeft vaak 3 stappen. Voorbereiding, uitvoering en evaluatie.
Voorbereiding:
1) Oriëntatie: wat weten de leerlingen al van het onderwerp?
2) Vraagstelling: wat wil ik weten? Hoofdvraag en eventueel deelvragen noteren. De docent kijkt of
de vragen haalbaar zijn om te beantwoorden.
3) Hypothese: formuleren van een verwachting, zo concreet mogelijk. De docent kijkt of dit gedaan
wordt.
4) Plan van aanpak: wie doet wat, hoe, waar, waarmee en wanneer? De docent kijkt of het plan van
aanpak haalbaar is en geeft eventueel alternatieven.
, Uitvoering:
5) Gegevens verzamelen
6) Informatie verwerken
7): Conclusie trekken: kinderen kijken of dit een antwoord is op de hoofdvraag of een van de
deelvragen en als er een hypothese genoteerd is, wordt er gekeken of deze klopt.
De leerkracht kijkt van een afstand, informeert naar hoe het gaat en biedt eventueel hulp.
Evaluatie:
8) Beoordelen: de leerlingen kijken terug op het onderzoek. De leerkracht is de luisteraar en leider
van de discussies.
9) Presenteren
Onderzoeksvragen
Beschrijvings- en herkenningsvragen: als je een goede beschrijving maakt, zijn de volgende vragen
vaak ook makkelijker te beantwoorden.
Verklaringsvragen: dit zijn oorzaak-gevolg vragen. Het is belangrijk rekening te houden met het
niveau van de leerlingen.
Waarderingsvragen: mening en attitude spelen een belangrijke rol.
Criteria voor een goede onderzoeksvraag: de vraag is duidelijk (één uitleg mogelijk), de vraag is
uitdagend en de vraag moet op te lossen zijn door de leerlingen (moeilijkheidsgraad-niveau leerling,
niet te veel gezichtspunten, duidelijk beeld van de benodigde vaardigheden, er zijn verschillende
bronnen te vinden, genoeg tijd voor onderzoek en organisatie is overzichtelijk).
Onderzoeksmethoden
Interviewen: denk eraan dat je uit één interview geen algemene conclusie kan trekken.
Enquêteren: je kunt hier een algemene conclusie uit trekken.
Experimenteren
Observeren, tellen, meten, berekenen: observeren is gericht waarnemen wat er gebeurt.
Bronnen raadplegen
De waarde van onderzoek doen
Door onderzoek doen leren leerlingen op een bepaalde manier denken, betrokkenheid bij het
onderwerp, werkvormen buiten de klas, integratie van vakken, leren van diverse technische
vaardigheden, het stimuleert de sociale vaardigheden, eigen specialisatie en oefening voor latere
onderzoeken.
Onderzoek stimuleren
Om onderzoek toe te passen zijn twee factoren van belang: de rol van de leerkracht en de rol van de
omgeving.
2.3 Methode
2.3.2 De methode de baas
Sommige lessen moeten vervangen worden i.v.m. bijv. de actualiteit, schoolomgeving of motivatie.
2.3.3 Flexibel methodegebruik
Waarom?: aansluiting bij andere vakgebieden, de maatschappij, de actualiteit en de kinderen.
2.3.4 Taalniveau
Doelen bepalen
In de doelen moeten de aardrijkskunde begrippen benoemd worden. Feitelijke kennis is vaak maar
van toepassing op één gebied en niet voor lange tijd.