Kennis heeft 3 voorwaarden :
1. Overtuiging je moet zelf geloven dat een bewering waar is
2. Waarheid het moet objectief gezien waar zijn. Het moet
overeenkomen met de werkelijkheid
3. Rechtvaardiging je moet goede redenen hebben voor je
overtuiging. ( goede argumenten of bewijs )
Het verschil tussen kennis en kunde
Kennis : Weten wat iets is of hoe het werkt ( theorie en feiten )
Kunde : Iets kunnen doen in de praktijk ( vaardigheid )
Soorten kennis :
1. Empirische kennis ( a posteriori = na waarneming ) zintuigelijk,
ervaringskennis
2. Verstandskennis ( a priori = voor waarneming ) logisch redeneren.
Basis ligt bij definities, axioma’s ( = beginaannames van bijv
wiskunde ).
3. Intuïtieve kennis direct inzicht ( zonder waarneming, redenering )
Prefrontale cortex :
- Mogelijkheid tot abstractie ( begrippen, getallen )
Vb: ‘2’ bestaat niet in de wereld
Vb : alle stoelen verschillen, maar ze vallen allemaal onder het
begrip ‘stoel’
- Mogelijkheid tot zelfbewustzijn om kennis te kunnen hebben,
moet je jezelf onderscheiden van de wereld ( bewust zijn van eigen
emoties en gedachten ).
feit = stand van zaken ( in wereld ) objectief
fictie = product van ons menselijke geest / verbeelding ( verzonnen )
subjectief
Probleem is dit onderscheid wel zo duidelijk?
Voorbeeld : Renaissance is een term die wij zelf hebben verzonnen. Is het
dan een fictie dat de ‘renaissance’ bestaat?
, Onze kennis is verbonden met concepten. Deze zijn fictie want ze
zijn uit de geest voortgekomen.
Samenvatting Plato : de allegorie van de grot
In de grotvergelijking beschrijft Plato een groep mensen die hun hele leven
in een donkere grot hebben doorgebracht. Ze zitten vastgeketend en
kunnen alleen naar de muur voor zich kijken. Achter hen brandt een vuur,
en tussen het vuur en de gevangenen lopen mensen die objecten dragen.
De gevangenen zien alleen de schaduwen van deze objecten op de muur,
maar ze denken dat deze schaduwen de volledige werkelijkheid zijn,
omdat ze nooit iets anders hebben gezien.
Op een gegeven moment wordt één gevangene bevrijd en kan hij de grot
verlaten. Buiten de grot ervaart hij voor het eerst de echte wereld: het
zonlicht, de kleuren, de natuur, en de echte objecten waarvan hij eerder
alleen de schaduwen zag. In het begin is het licht van de zon te fel en doet
het pijn aan zijn ogen, maar na verloop van tijd went hij eraan en begint
hij de waarheid over de werkelijkheid te begrijpen. Hij ziet in dat de
schaduwen in de grot slechts vage afspiegelingen waren van de echte
dingen.
Wanneer de bevrijde gevangene terugkeert naar de grot om de anderen te
vertellen wat hij heeft geleerd, geloven ze hem niet. Ze willen niet
accepteren dat de schaduwen niet de echte wereld zijn, omdat ze zo
gewend zijn aan hun beperkte werkelijkheid.
Betekenis :
- De grot: Staat voor de beperkte, zintuiglijke wereld waarin de
meeste mensen leven. We zien slechts "schaduwen" van de
werkelijkheid, oftewel een oppervlakkige weergave van de echte
wereld.
- De schaduwen: Dit zijn de misleidende beelden die we via onze
zintuigen waarnemen. Plato gelooft dat onze zintuigen ons geen
toegang geven tot de diepere werkelijkheid (de ware ideeën), maar
slechts tot vage afspiegelingen ervan.
- De bevrijde gevangene: Deze persoon staat symbool voor de
filosoof die de grot (onwetendheid) verlaat en de wereld van ware
kennis ontdekt, die volgens Plato alleen door rationeel denken
(filosofie) kan worden bereikt.
- De zon: De zon vertegenwoordigt de hoogste vorm van kennis,
namelijk het goede of de ultieme waarheid. In Plato's filosofie staat
dit voor de ideeënwereld, waar de ware vormen of ideeën van
dingen bestaan.