Portaal hoofdstuk 7
De principes van de Nederlandse spelling zijn gebaseerd op drie principes:
Standaarduitspraak (fonologisch principe): de spelling mag niet afhankelijk zijn van regionale
of sociale varianten van de uitspraak.
Vormovereenkomst (morfologisch principe): we schrijven woorden of delen van woorden zo
veel mogelijk op dezelfde manier, ook al spreken we ze soms anders uit.
Herkomst van woorden (etymologisch principe): in bepaalde woorden zijn restanten van de
geschiedenis ervan te herkennen.
In het spellingsonderwijs moet ook aandacht worden besteed aan het syllabisch principe. Als een
woorddeel eindigt op een lange klank, dan schrijf je dat met één klinker (bo-men). Deze regel heet de
verenkelingsregel. Als het woorddeel niet eindigt op een lange klank, gebruik je twee medeklinkers
(bom-men). Deze regel heet de verdubbelingsregel.
Het Nederlands schriftsysteem is een alfabetisch schrift. Dat wil zeggen dat in principe voor elke
klank één symbool wordt gebruikt. Bij het logografisch schrift (bijv. Chinees) wordt voor elk begrip
een apart woordteken gebruikt.
Visies op spellingonderwijs:
Traditionele visie: er wordt veel belang gehecht aan de vorm van de taal en er ligt veel
nadruk op het aanleren van spellingsregels en intensief oefenen.
Interactieve visie: spelling wordt gezien als een ondersteunende taalvaardigheid en krijgt op
deze manier een functionele betekenis.
Landelijke kerndoelen spelling:
kerndoel 8: de leerlingen leren informatie en meningen te ordenen bij het schrijven van een
brief, een verslag, een formulier of een werkstuk. Zij besteden daarbij aandacht aan
zinsbouw, correcte spelling, een leesbaar handschrift, bladspiegel, eventueel beeldende
elementen en kleur.
Kerndoel 11: de leerlingen leren een aantal taalkundige principes en regels. Zij kunnen in een
zin het onderwerp, het werkwoordelijk gezegde en delen van dat gezegde onderscheiden. De
leerlingen kennen:
a. Regels voor het spellen van werkwoorden.
b. Regels voor het spellen van andere woorden.
c. Regels voor het gebruik van leestekens.
Verschillende spellingcategorieën:
Alfabetisch: elke klank wordt gekoppeld aan een letterteken.
Orthografisch: specifieke spellingproblemen, zoals woorden met sch, aai, ng.
Morfologisch: spelling van meervouden.
Morfologisch-syntactisch: grammaticale kennis die je voor de juiste spelling nodig hebt,
bijvoorbeeld de persoonsvorm voor werkwoordspelling.
Logografisch: specifieke spellingkwesties waarbij een vaste combinatie bestaat tussen
uitspraak en schrijfwijze (bijv. oe gespeld met ou in het woord route).
Spelling in de voorschoolse periode: kinderen hebben belangstelling voor lettertekens in boeken en
leren dat we van links naar rechts lezen. Kinderen krijgen behalve oog voor de betekenis van een
woord ook belangstelling voor de vorm (objectivatie) en de klank (auditieve objectivatie). Deze
voorschoolse periode bestaat uit 5 fasen:
a. Fase 1: tekenen
1
, b. Fase 2: krabbelen
c. Fase 3: ketens letterachtige vormen of letters.
d. Fase 4: een of enkele letters gebruiken voor het hele woord.
e. Fase 5: invented spelling: kinderen schrijven klanken en woorden zoals ze het horen.
Spellingstrategieën:
1. Fonologische strategie: een woord in afzonderlijke klanken of klankgroepen opsplitsen en
daar de bijbehorende letters voor schrijven.
2. Woordbeeldstrategie: een beroep doen op het woordgeheugen.
3. Regelstrategie: bij het schrijven van een niet-klankzuiver woord een spellingsregel toepassen.
4. Analogiestrategie: een woord schrijven door het te vergelijken met een ander woord.
5. Hulpstrategie: gebruikmaken van zelfbedachte geheugensteuntjes.
Het jonge kind leert een aantal auditieve en visuele vaardigheden:
1. Auditieve vaardigheden:
Auditieve discriminatie: verschillende fonemen kunnen onderscheiden.
Auditieve analyse: de fonemen van een woord uiteenrafelen of analyseren.
Auditieve synthese: fonemen samenvoegen tot een woord.
Temporele ordening: de volgorde van fonemen onthouden.
2. Visuele vaardigheden:
Visuele discriminatie: de verschillen tussen grafemen herkennen.
Visuele analyse: grafemen in een woord onderscheiden.
Visuele synthese: de lossen grafemen samenvoegen tot een woord.
Spatiële ordening: de grafemen op volgorde onthouden.
Fonemen zijn spraakklanken, grafemen zijn tekens.
Fonemisch bewustzijn: het bewustzijn dat woorden uit verschillende klanken oftewel fonemen
bestaan.
De elementaire spellinghandeling bestaat uit vier handelingen:
Auditieve analyse: fonemen op gehoord van elkaar onderscheiden.
Temporele ordening: de klanken op volgorde onthouden.
De klank-tekenkoppeling: de fonemen koppelen aan de grafemen.
De schrijfrichting.
Vanaf groep 3 leren leerlingen coderen (klanken in letters omzetten) en decoderen (klanken in letters
omzetten).
Spellingpatronen zijn veelvoorkomende lettercombinaties. Vier instructieprincipes voor
spellingpatronen:
1. Luisterprincipe: fonologische strategie (je schrijft het woord zoals je het hoort).
2. Analogieprincipe: analogiestrategie (je vergelijkt het woord met een ander woord).
3. Regelprincipe: regelstrategie (je past een spellingsregel toe).
4. Inprentingsprincipe: woordbeeldstrategie (spelling van het woord moet je gewoon
onthouden, ezelsbruggetjes kunnen helpen).
Klankvoetstrategie:
1. Het woord verdelen in klankstukken.
2. Het eerste klankstuk bepalen.
3. De laatste klank van het eerste klankstuk bepalen.
4. Bepalen tot welke groep de klank hoort (bijv. lange klank).
2