PRAKTISCH EUROPEES RECHT
HOOFDSTUK 1 – EUROPESE UNIE
1.1 Internati onaal recht
Als personen of rechtspersonen afspraken met elkaar maken, stellen zij een contract op volgens de
nationale wet. Als staten een afspraak met elkaar willen maken, geldt niet het recht van de plek waar
de regeringsleiders met elkaar vergaderen. Met andere woorden, nationaal recht is niet van
toepassing op dit soort afspraken. Als dit zo was, zouden staten namelijk alleen maar willen
onderhandelen over internationale afspraken op hun eigen grondgebied. Ze zouden op deze manier
immers de voorwaarden voor en de resultaten van de onderhandelingen in hoge mate kunnen
dicteren. Staten maken daarom afspraken op grond van het internationale recht. Dit rechtsgebied
regelt alle betrekkingen tussen staten.
Binnen het internationale recht zijn alle staten gelijk aan elkaar. De afspraken die staten op basis van
internationaal recht met elkaar maken, worden meestal in een verdrag vastgelegd.
1.1.1 STAATSSOEVEREINITEIT
De overheid heeft de ultieme beslissingsbevoegdheid op het grondgebied van de staat en is de enige
die wet- en regelgeving kan opstellen. Oftewel: de overheid heeft staatssoevereiniteit. Dit betekent
dat andere staten niet kunnen bepalen hoe Nederland zijn regelgeving vormgeeft; deze macht ligt
alleen bij de nationale overheid. Deze macht kan op twee manieren worden beperkt: de
soevereiniteit kan vrijwillig worden overgedragen of onvrijwillig worden beperkt.
Soevereiniteit overdragen
De staat kan beslissen om (een gedeelte van) de beslissingsbevoegdheid over te dragen aan bijv. een
internationale organisatie. De staat kan dan niet meer zelf alle regels stellen, maar accepteert dat een
organisatie hoger en gezaghebbender is dan de staat zelf. Omdat staatssoevereiniteit heel belangrijk
is voor het functioneren van de staat, zullen staten hun beslissingsbevoegdheid over het algemeen
alleen overdragen als dit het belang van het land dient en bijdraagt aan het welzijn van zijn inwoners.
Bij de oprichting van de EU (liever gezegd: de Europese Gemeenschap) voor Kolen en Staal zoals de
samenwerking toentertijd heette, waren het voorkomen van oorlog en het bewerkstelligen van
economische groei en herstel de belangrijkste redenen voor het overdragen van staatssoevereiniteit.
(Meer uitleg in voorbeeld 1.1).
Het (gedeeltelijk) overdragen van staatssoevereiniteit hoeft overigens niet permanent te zijn. Kijken
we naar de EU, dan zien we dat landen de mogelijkheid hebben om hun lidmaatschap op te zeggen
en hun staatssoevereiniteit volledig te hernemen. In de Europese verdragen kun je een dergelijke
procedure terugvinden in artikel 50 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU). Deze
mogelijkheid bestaat echter pas sinds 2009. Voor die tijd bevatten de Europese verdragen geen
bepaling die uittreding mogelijk maakte. Wanneer je artikel 50 VEU bestudeert, leer je al snel dat
uittreden een gecompliceerd proces is dat de instemming van vele partijen vereist; zowel de
Europese Raad, de Raad, als het Europees Parlement moeten toestemming verlenen. Daarnaast moet
het nationaal parlement van de betreffende lidstaat vaak ook instemmen met het verlaten van de EU
en de voorwaarden die daaraan zijn gesteld. Is een land eenmaal uitgetreden, zoals het Verenigd
Koninkrijk dat deed in 2020, dan kan dat land later alsnog verzoeken weer lid te worden van de EU.
Soevereiniteit onvrijwillig beperkt
De staatssoevereiniteit kan beperkt worden als een land onvrijwillig de beslissingsbevoegdheid uit
handen wordt genomen. Als een staat wordt binnengevallen door een ander land en dat andere land
,de macht overneemt, is de beslissingsbevoegdheid van de aangevallen staat beperkt. De
overheersende staat neemt vanaf dat moment alle beslissingen. Dit kan gebeuren door militair
ingrijpen van een onafhankelijke staat, zoals Rusland recentelijk in Oekraïne heeft gedaan, maar ook
door een mandaat dat de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties heeft afgegeven om een land
binnen te vallen. Dit laatste is in het verleden in Irak en Afghanistan gebeurd. De VN of andere
internationale organisaties kunnen ook een vredesmissie sturen naar een land om de (net verkregen)
vrede te waarborgen. Militairen bewaken dan bijv. belangrijke plaatsen en beschermen de lokale
bevolking tegen gewelddadige groeperingen. Zo bewaakt KFOR de vrede in Kosovo.
1.1.2 INTERNATIONALE ORGANISATIES
Staten zijn de voornaamste spelers binnen het internationaal recht. Internationale organisaties spelen
echter ook een belangrijke rol. Zoals gezegd kunnen staten een samenwerkingsverband aangaan,
maar ook personen kunnen gezamenlijk een internationale organisatie oprichten. Er zijn twee
soorten organisaties:
1. Gouvernementele organisaties
2. Non-gouvernementele organisaties
Gouvernementele organisaties
Een samenwerkingsverband tussen staten (zoals de EU) wordt een gouvernementele organisatie
genoemd. De oprichting van zo’n organisatie gebeurt in een verdrag. In dat verdrag vermelden de
lidstaten de doelstellingen en de middelen die de organisatie heeft om die doelstellingen te bereiken.
Een internationale organisatie biedt staten de mogelijkheid om samen te werken op een bepaalde
beleidsterrein.
Staten kunnen bij het oprichten van een organisatie kiezen of en hoeveel soevereiniteit ze afstaan aan
deze organisatie. Als lidstaten geen soevereiniteit afstaan, wordt de organisatie een
intergouvernementele organisatie genoemd. Als lidstaten wel beslissingsbevoegdheid afstaan aan de
organisatie, is er sprake van een supranationale organisatie.
Meestal richten staten een intergouvernementele organisatie op. De Internationale
Telecommunicatie-unie uit voorbeeld 1.2 is hiervan een voorbeeld. Lidstaten geven in dat geval maar
weinig macht aan de organisatie, omdat ze zelf willen blijven bepalen wat er gebeurt. De
staatssoevereiniteit wordt dan niet of maar een klein beetje overgedragen. Alle beslissingen worden
hoofdzakelijk door de staten gezamenlijk genomen.
De EU is echter een supranationale organisatie. Een supranationale organisatie staat boven de
lidstaten, terwijl een intergouvernementele organisatie een samenwerking is tussen lidstaten. De
lidstaten staan in dat geval vrijwillig een gedeelte van hun beslissingsbevoegdheid af aan een
internationale organisatie. Zij accepteren dat deze organisatie regels vaststelt waar zij zich aan
moeten houden. De lidstaten kunnen niet meer zelfstandig de inhoud van deze regels bepalen.
Non-gouvernementele organisaties
Naast een groep landen kan ook een groep personen een internationale organisatie oprichten. Een
non-gouvernementele organisatie (een ngo) is onafhankelijk van staten en heeft vaak een ideële
doelstelling. Een ngo hoeft niet internationaal te zijn.
Je hebt bijv. ook Nederlandse organisaties die onafhankelijk van de overheid een doel nastreven,
zoals Natuurmonumenten. Bekende internationale ngo’s zijn het Rode Kruis (dat zich bezighoudt met
humanitair oorlogsrecht), Amnesty International (dat zich bezighoudt met burgerrechten) en het
Wereld Natuur Fonds (dat de bescherming van de natuur en dieren centraal stelt).
,Ngo’s publiceren jaarlijks rapporten over de stand van zaken binnen hun aandachtsgebied. Ze hebben
niet dezelfde status als gouvernementele organisaties, maar worden wel vaak uitgenodigd om deel te
nemen aan internationale vergaderingen. Ngo’s hebben dan geen stemrecht, maar wel een
adviserende rol.
1.2 De EU en haar doelstellingen
De EU is het resultaat van verschillende opeenvolgende internationale verdragen. Deze
internationale verdragen regelden achtereenvolgens welke doelstellingen de EU nastreeft en binnen
welke juridische kaders dat mag gebeuren.
Als startpunt van de EU wordt vaak het Verdrag aangaande de oprichting van de Europese
Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) genoemd dat in 1952 tot stand kwam. Dit verdrag werd
opgevolgd door een aantal andere verdragen die de EGKS aanvulden of wijzigden.
Tabel 1.1: een overzicht van de geschiedenis van de Europese verdragen en wanneer welke landen
zijn toegetreden tot de Europese Unie.
Jaartal Verdrag Deelnemende landen
1952 EGKS Nederland, België, Frankrijk, West-
Duitsland, Luxemburg en Italië
1985 Euratom
Europese Economische Gemeenschap (EG-
verdrag)
1967 Fusieverdrag
1973 Denemarken, Ierland en Verenigd
Koninkrijk
1981 Griekenland
1986 Portugal en Spanje
1987 Europese Akte
1990 Oost-Duitsland herenigd met West-
Duitsland
1992 Verdrag betreffende de Europese Unie
(Verdrag van Maastricht)
1995 Finland, Oostenrijk en Zweden
1999 Verdrag van Amsterdam
2000 Handvest van de grondrechten (aangenomen)
2003 Verdrag van Nice
2004 Cyprus, Estland, Letland, Litouwen,
Hongarije, Malta, Polen, Slovenië,
Slowakije en Tsjechië
2007 Roemenië en Bulgarije
2009 Verdrag van Lissabon, met als gevolgd de
huidige verdragen:
- Verdrag betreffende de Europese Unie
(VEU)
- Verdrag betreffende de werking van de
Europese Unie (VWEU)
Het Handvest van de grondrechten wordt
bindend
2013 Kroatië
, 2020 Verenigd Koninkrijk treedt uit de EU
Op dit moment zijn in de EU de volgende twee verdragen van kracht:
Het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU)
Het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU)
Deze twee verdragen vormen de juridische ruggengraat van de Europese Unie. Naast deze verdragen
is het Handvest van de grondrechten van de EU een belangrijk EU-verdrag. Aan het VEU en het VWEU
zijn overigens ook nog verschillende protocollen gehecht, waarin over hele specifieke onderwerpen
aanvullende afspraken zijn gemaakt.
In het Verdrag betreffende de Europese Unie staan in artikel 3 de doelstellingen van de EU opgesomd.
De belangrijkste doelstellingen zijn vrede en welzijn, het creëren van een ruimte van vrijheid,
veiligheid en recht, het oprichten en voltooien van de interne markt, het instellen van een
Economische en Monetaire Unie (EMU) en het beschermen van mensenrechten.
De EU heeft twee instrumenten om de doelstellingen te bewerkstelligen: de EU kan enerzijds
besluiten tot een strategie van negatieve integratie en anderzijds tot een strategie van positieve
integratie.
Negatieve integratie betekent dat de EU overgaat tot het uitvaardigen van verboden (‘je mag niet..’).
Positieve integratie betekent dat de EU overgaat tot het uitvaardigen van geboden (‘je moet..’). Het
doel van positieve integratie is om de nationale regelgeving van de lidstaten te uniformeren, of te
harmoniseren, zoals dat in juridische termen heet.
Vaak zien we dat de EU niet kiest maar beide strategieën tegelijk worden uitgerold. Hoewel in de
beginjaren van de Europese eenwording negatieve integratie de overhand had, overheerst inmiddels
de gedachte dat de EU zowel vormen van positieve als van negatieve integratie nodig heeft om een
succes te worden.
1.2.1 VREDE EN WELZIJN
De EU heeft primair als doel om vrede en welzijn in Europa te bewerkstelligen. Het middel om dit
doel te bereiken is economische integratie. De gedachte of logica hierachter luidt als volgt. Wanneer
lidstaten economisch samenwerken, zorgt dit ervoor dat de economieën van de lidstaten met elkaar
verweven raken. Deze economische verstrengeling dient niet alleen een economisch doel. Met
andere woorden, economische integratie dient niet alleen ter versterking van de algehele welvaart.
Economische verwevenheid tussen de lidstaten zorgt er namelijk ook voor dat eventuele conflicten
tussen lidstaten eerder op diplomatieke wijze opgelost worden.
Immers, je maakt geen ruzie met je handelspartners, want dat betekent een achteruitgang van elkaar
worden door het aangaan van economische samenwerking. Nederland produceert bijv. bijna geen
auto’s. Als Nederland de oorlog zou verklaren aan Duitsland, dan heeft Nederland een probleem. In
Duitsland wordt namelijk een groot deel van de auto’s geproduceerd waarin de Nederlanders rijden.
Als de twee landen in oorlog zouden zijn, worden die auto’s niet meer geleverd en komen de
Nederlanders zonder te zitten. Deze afhankelijkheid stimuleert landen om niet te grijpen naar
militaire middelen om onderlinge conflicten op te lossen.
1.2.2 RUIMTE VAN VRIJHEID, VEILIGHEID EN RECHT
Burgers van de EU mogen over het algemeen in alle lidstaten verblijven om te werken, te studeren of
te genieten van hun pensioen. Denk maar aan de groep Nederlandse 65-plussers die een groot deel
van het jaar aan de Spaanse kust wonen, werknemers die in een ander land een baan zoeken of
HOOFDSTUK 1 – EUROPESE UNIE
1.1 Internati onaal recht
Als personen of rechtspersonen afspraken met elkaar maken, stellen zij een contract op volgens de
nationale wet. Als staten een afspraak met elkaar willen maken, geldt niet het recht van de plek waar
de regeringsleiders met elkaar vergaderen. Met andere woorden, nationaal recht is niet van
toepassing op dit soort afspraken. Als dit zo was, zouden staten namelijk alleen maar willen
onderhandelen over internationale afspraken op hun eigen grondgebied. Ze zouden op deze manier
immers de voorwaarden voor en de resultaten van de onderhandelingen in hoge mate kunnen
dicteren. Staten maken daarom afspraken op grond van het internationale recht. Dit rechtsgebied
regelt alle betrekkingen tussen staten.
Binnen het internationale recht zijn alle staten gelijk aan elkaar. De afspraken die staten op basis van
internationaal recht met elkaar maken, worden meestal in een verdrag vastgelegd.
1.1.1 STAATSSOEVEREINITEIT
De overheid heeft de ultieme beslissingsbevoegdheid op het grondgebied van de staat en is de enige
die wet- en regelgeving kan opstellen. Oftewel: de overheid heeft staatssoevereiniteit. Dit betekent
dat andere staten niet kunnen bepalen hoe Nederland zijn regelgeving vormgeeft; deze macht ligt
alleen bij de nationale overheid. Deze macht kan op twee manieren worden beperkt: de
soevereiniteit kan vrijwillig worden overgedragen of onvrijwillig worden beperkt.
Soevereiniteit overdragen
De staat kan beslissen om (een gedeelte van) de beslissingsbevoegdheid over te dragen aan bijv. een
internationale organisatie. De staat kan dan niet meer zelf alle regels stellen, maar accepteert dat een
organisatie hoger en gezaghebbender is dan de staat zelf. Omdat staatssoevereiniteit heel belangrijk
is voor het functioneren van de staat, zullen staten hun beslissingsbevoegdheid over het algemeen
alleen overdragen als dit het belang van het land dient en bijdraagt aan het welzijn van zijn inwoners.
Bij de oprichting van de EU (liever gezegd: de Europese Gemeenschap) voor Kolen en Staal zoals de
samenwerking toentertijd heette, waren het voorkomen van oorlog en het bewerkstelligen van
economische groei en herstel de belangrijkste redenen voor het overdragen van staatssoevereiniteit.
(Meer uitleg in voorbeeld 1.1).
Het (gedeeltelijk) overdragen van staatssoevereiniteit hoeft overigens niet permanent te zijn. Kijken
we naar de EU, dan zien we dat landen de mogelijkheid hebben om hun lidmaatschap op te zeggen
en hun staatssoevereiniteit volledig te hernemen. In de Europese verdragen kun je een dergelijke
procedure terugvinden in artikel 50 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU). Deze
mogelijkheid bestaat echter pas sinds 2009. Voor die tijd bevatten de Europese verdragen geen
bepaling die uittreding mogelijk maakte. Wanneer je artikel 50 VEU bestudeert, leer je al snel dat
uittreden een gecompliceerd proces is dat de instemming van vele partijen vereist; zowel de
Europese Raad, de Raad, als het Europees Parlement moeten toestemming verlenen. Daarnaast moet
het nationaal parlement van de betreffende lidstaat vaak ook instemmen met het verlaten van de EU
en de voorwaarden die daaraan zijn gesteld. Is een land eenmaal uitgetreden, zoals het Verenigd
Koninkrijk dat deed in 2020, dan kan dat land later alsnog verzoeken weer lid te worden van de EU.
Soevereiniteit onvrijwillig beperkt
De staatssoevereiniteit kan beperkt worden als een land onvrijwillig de beslissingsbevoegdheid uit
handen wordt genomen. Als een staat wordt binnengevallen door een ander land en dat andere land
,de macht overneemt, is de beslissingsbevoegdheid van de aangevallen staat beperkt. De
overheersende staat neemt vanaf dat moment alle beslissingen. Dit kan gebeuren door militair
ingrijpen van een onafhankelijke staat, zoals Rusland recentelijk in Oekraïne heeft gedaan, maar ook
door een mandaat dat de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties heeft afgegeven om een land
binnen te vallen. Dit laatste is in het verleden in Irak en Afghanistan gebeurd. De VN of andere
internationale organisaties kunnen ook een vredesmissie sturen naar een land om de (net verkregen)
vrede te waarborgen. Militairen bewaken dan bijv. belangrijke plaatsen en beschermen de lokale
bevolking tegen gewelddadige groeperingen. Zo bewaakt KFOR de vrede in Kosovo.
1.1.2 INTERNATIONALE ORGANISATIES
Staten zijn de voornaamste spelers binnen het internationaal recht. Internationale organisaties spelen
echter ook een belangrijke rol. Zoals gezegd kunnen staten een samenwerkingsverband aangaan,
maar ook personen kunnen gezamenlijk een internationale organisatie oprichten. Er zijn twee
soorten organisaties:
1. Gouvernementele organisaties
2. Non-gouvernementele organisaties
Gouvernementele organisaties
Een samenwerkingsverband tussen staten (zoals de EU) wordt een gouvernementele organisatie
genoemd. De oprichting van zo’n organisatie gebeurt in een verdrag. In dat verdrag vermelden de
lidstaten de doelstellingen en de middelen die de organisatie heeft om die doelstellingen te bereiken.
Een internationale organisatie biedt staten de mogelijkheid om samen te werken op een bepaalde
beleidsterrein.
Staten kunnen bij het oprichten van een organisatie kiezen of en hoeveel soevereiniteit ze afstaan aan
deze organisatie. Als lidstaten geen soevereiniteit afstaan, wordt de organisatie een
intergouvernementele organisatie genoemd. Als lidstaten wel beslissingsbevoegdheid afstaan aan de
organisatie, is er sprake van een supranationale organisatie.
Meestal richten staten een intergouvernementele organisatie op. De Internationale
Telecommunicatie-unie uit voorbeeld 1.2 is hiervan een voorbeeld. Lidstaten geven in dat geval maar
weinig macht aan de organisatie, omdat ze zelf willen blijven bepalen wat er gebeurt. De
staatssoevereiniteit wordt dan niet of maar een klein beetje overgedragen. Alle beslissingen worden
hoofdzakelijk door de staten gezamenlijk genomen.
De EU is echter een supranationale organisatie. Een supranationale organisatie staat boven de
lidstaten, terwijl een intergouvernementele organisatie een samenwerking is tussen lidstaten. De
lidstaten staan in dat geval vrijwillig een gedeelte van hun beslissingsbevoegdheid af aan een
internationale organisatie. Zij accepteren dat deze organisatie regels vaststelt waar zij zich aan
moeten houden. De lidstaten kunnen niet meer zelfstandig de inhoud van deze regels bepalen.
Non-gouvernementele organisaties
Naast een groep landen kan ook een groep personen een internationale organisatie oprichten. Een
non-gouvernementele organisatie (een ngo) is onafhankelijk van staten en heeft vaak een ideële
doelstelling. Een ngo hoeft niet internationaal te zijn.
Je hebt bijv. ook Nederlandse organisaties die onafhankelijk van de overheid een doel nastreven,
zoals Natuurmonumenten. Bekende internationale ngo’s zijn het Rode Kruis (dat zich bezighoudt met
humanitair oorlogsrecht), Amnesty International (dat zich bezighoudt met burgerrechten) en het
Wereld Natuur Fonds (dat de bescherming van de natuur en dieren centraal stelt).
,Ngo’s publiceren jaarlijks rapporten over de stand van zaken binnen hun aandachtsgebied. Ze hebben
niet dezelfde status als gouvernementele organisaties, maar worden wel vaak uitgenodigd om deel te
nemen aan internationale vergaderingen. Ngo’s hebben dan geen stemrecht, maar wel een
adviserende rol.
1.2 De EU en haar doelstellingen
De EU is het resultaat van verschillende opeenvolgende internationale verdragen. Deze
internationale verdragen regelden achtereenvolgens welke doelstellingen de EU nastreeft en binnen
welke juridische kaders dat mag gebeuren.
Als startpunt van de EU wordt vaak het Verdrag aangaande de oprichting van de Europese
Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) genoemd dat in 1952 tot stand kwam. Dit verdrag werd
opgevolgd door een aantal andere verdragen die de EGKS aanvulden of wijzigden.
Tabel 1.1: een overzicht van de geschiedenis van de Europese verdragen en wanneer welke landen
zijn toegetreden tot de Europese Unie.
Jaartal Verdrag Deelnemende landen
1952 EGKS Nederland, België, Frankrijk, West-
Duitsland, Luxemburg en Italië
1985 Euratom
Europese Economische Gemeenschap (EG-
verdrag)
1967 Fusieverdrag
1973 Denemarken, Ierland en Verenigd
Koninkrijk
1981 Griekenland
1986 Portugal en Spanje
1987 Europese Akte
1990 Oost-Duitsland herenigd met West-
Duitsland
1992 Verdrag betreffende de Europese Unie
(Verdrag van Maastricht)
1995 Finland, Oostenrijk en Zweden
1999 Verdrag van Amsterdam
2000 Handvest van de grondrechten (aangenomen)
2003 Verdrag van Nice
2004 Cyprus, Estland, Letland, Litouwen,
Hongarije, Malta, Polen, Slovenië,
Slowakije en Tsjechië
2007 Roemenië en Bulgarije
2009 Verdrag van Lissabon, met als gevolgd de
huidige verdragen:
- Verdrag betreffende de Europese Unie
(VEU)
- Verdrag betreffende de werking van de
Europese Unie (VWEU)
Het Handvest van de grondrechten wordt
bindend
2013 Kroatië
, 2020 Verenigd Koninkrijk treedt uit de EU
Op dit moment zijn in de EU de volgende twee verdragen van kracht:
Het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU)
Het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU)
Deze twee verdragen vormen de juridische ruggengraat van de Europese Unie. Naast deze verdragen
is het Handvest van de grondrechten van de EU een belangrijk EU-verdrag. Aan het VEU en het VWEU
zijn overigens ook nog verschillende protocollen gehecht, waarin over hele specifieke onderwerpen
aanvullende afspraken zijn gemaakt.
In het Verdrag betreffende de Europese Unie staan in artikel 3 de doelstellingen van de EU opgesomd.
De belangrijkste doelstellingen zijn vrede en welzijn, het creëren van een ruimte van vrijheid,
veiligheid en recht, het oprichten en voltooien van de interne markt, het instellen van een
Economische en Monetaire Unie (EMU) en het beschermen van mensenrechten.
De EU heeft twee instrumenten om de doelstellingen te bewerkstelligen: de EU kan enerzijds
besluiten tot een strategie van negatieve integratie en anderzijds tot een strategie van positieve
integratie.
Negatieve integratie betekent dat de EU overgaat tot het uitvaardigen van verboden (‘je mag niet..’).
Positieve integratie betekent dat de EU overgaat tot het uitvaardigen van geboden (‘je moet..’). Het
doel van positieve integratie is om de nationale regelgeving van de lidstaten te uniformeren, of te
harmoniseren, zoals dat in juridische termen heet.
Vaak zien we dat de EU niet kiest maar beide strategieën tegelijk worden uitgerold. Hoewel in de
beginjaren van de Europese eenwording negatieve integratie de overhand had, overheerst inmiddels
de gedachte dat de EU zowel vormen van positieve als van negatieve integratie nodig heeft om een
succes te worden.
1.2.1 VREDE EN WELZIJN
De EU heeft primair als doel om vrede en welzijn in Europa te bewerkstelligen. Het middel om dit
doel te bereiken is economische integratie. De gedachte of logica hierachter luidt als volgt. Wanneer
lidstaten economisch samenwerken, zorgt dit ervoor dat de economieën van de lidstaten met elkaar
verweven raken. Deze economische verstrengeling dient niet alleen een economisch doel. Met
andere woorden, economische integratie dient niet alleen ter versterking van de algehele welvaart.
Economische verwevenheid tussen de lidstaten zorgt er namelijk ook voor dat eventuele conflicten
tussen lidstaten eerder op diplomatieke wijze opgelost worden.
Immers, je maakt geen ruzie met je handelspartners, want dat betekent een achteruitgang van elkaar
worden door het aangaan van economische samenwerking. Nederland produceert bijv. bijna geen
auto’s. Als Nederland de oorlog zou verklaren aan Duitsland, dan heeft Nederland een probleem. In
Duitsland wordt namelijk een groot deel van de auto’s geproduceerd waarin de Nederlanders rijden.
Als de twee landen in oorlog zouden zijn, worden die auto’s niet meer geleverd en komen de
Nederlanders zonder te zitten. Deze afhankelijkheid stimuleert landen om niet te grijpen naar
militaire middelen om onderlinge conflicten op te lossen.
1.2.2 RUIMTE VAN VRIJHEID, VEILIGHEID EN RECHT
Burgers van de EU mogen over het algemeen in alle lidstaten verblijven om te werken, te studeren of
te genieten van hun pensioen. Denk maar aan de groep Nederlandse 65-plussers die een groot deel
van het jaar aan de Spaanse kust wonen, werknemers die in een ander land een baan zoeken of