Hoofdstuk 3. Leren volgens het behaviorisme
Gedragsleer: Leren is het aanbrengen van verbindingen tussen elementen in de omgeving
(stimuli) en reacties (respons) van de lerende.
Behaviorisme: klassiek en operant conditioneren, trail en error, straffen en belonen.
o Klassiek conditioneren (Pavlov): wetten, reflexen
o Operant conditioneren: belonen en straffen op concreet controleerbaar gedrag
o Sociale leertheorie
Ontstaan van de leertheoretische stroming het behaviorisme
Visie op de mens: de mens is volledig kneedbaar.
Grondlegger is de bewustzijnspycholoog Watson, V.S., begin 20ste eeuw.
Kritiek op introspectiemethode (systematische zelfobservatie): veel te subjectief.
Een nieuwe objectieve onderzoeksmethode
Gecontroleerde laboratorium-experimenten
Waarneembaar, observeerbaar gedrag
Basisbegrippen: stimulus en respons
Blackbox-theorie: innerlijke, duistere, processen werden niet onderzocht. Enkel wat
er in gaat en er uit komt.
Tegelijktijdigheid (Contiguity): Het tegelijkertijd en herhaaldelijk aanbieden van twee
gebeurtenissen/ activiteiten/ tekens/ etc. leidt tot associatie van deze twee zaken.
Klassiek conditioneren
Fysioloog Pavlov ontdekt tijdens onderzoek spijsvertering honden bij toeval het
leerprincipe.
Uitgangspunt: reflexmatig gedrag.
Verband aangeleerd of koppeling gemaakt tussen bestaande respons en nieuwe
stimulus.
Versterkingsfase of leerfase: herhaaldelijk aanbieden beide stimuli zodat de
koppeling bevestigd wordt.
Het wordt ook wel emotioneel leren genoemd.
Bijkomende processen
Uitdoving of extinctie kan voorkomen (verfrissen – af en toe herhalen- is noodzakelijk)
Stimulusgeneralisatie (voorbeeld: Little Albert)
Stimulusdiscriminatie (wel bang voor alle spinnen, niet bang voor een hooiwagen)
Het klassiek conditioneren vindt constant plaats door een systeem van associatie en
straffen/belonen.
Men ging verder experimenten: Thorndike, de puzzelbox, trail and error
Daaruit bleken: 3 Wetmatigheden
Wet van herhaling (verband leggen)
Wet van effect (beloning)
Wet van bereidheid (motivatie)
,Operant conditioneren
Veel onderzocht ‘40-’60, Skinner
Klassiek conditioneren te beperkt om gehele gedragsrepertoire te verklaren
Verklaart enkel ‘lage, makkelijke’ gedragingen
Operant gedrag = betekent zoveel als spontaan gedrag, nieuwe reacties!
Gedrag, de handeling en de consequenties ervan staan centraal
Nieuwe reacties oproepen
Discriminerende (bepalende) stimuli of antecedenten (voorafgaande stimuli) roepen
het gedrag op en de consequentie veroorzaakt het vervolg: (of het gedrag bekrachtigt
of vermeden wordt.)
Positieve en negatieve versterker (reinforcement)- bekrachtigingsleren
Straf (punishment) – vermijdingsleren
Belonen werkt beter dan straffen, dat komt doordat: straf onderdrukt ongewenst
gedrag, maar leidt niet automatisch tot gewenst gedrag, omdat onbekend is wat de
alternatieve gedragsmogelijkheden kunnen zijn.
Skinner’s ideaal: idee van geprogrammeerde instructie
Krachtige leeromgeving (bepalende stimuli) maakt gewenste gedragingen mogelijk
en worden versterkt door beloningen.
Niet aangeslagen omdat: onaantastbaarheid leerstofjaarklassensysteem, onmisbaar
geachte contact leerling en docent, sociale leren is belangrijk.
Terug door onderwijsvernieuwingen door ICT: ELO, blackbord, e-learning, webquest,
gamification
Sociale leertheorie of Modelleren
BANDURA: Imitatie/ nadoen/ na-apen/ kopiëren
Een van de meest krachtige vormen van leren.
Drie fasen:
Observeren/ Verwerving (afkijken bij rolmodel)
Imiteren (uitproberen)
Versterking (consequentie, verfijning)
Als de lerende positieve en gewenste consequenties observeert bij het model, zal hij of zij
het gedrag sneller imiteren. Leidt tot toenemend en gevarieerd gedragsrepertoire
Factoren die invloed hebben op observatie leren (sociale leertheorie)
Status van de ontwikkeling
Competentie en prestige van het model
Consequenties voor het model
Uitkomst van de verwachtingen
Doelstellen
Zelf-efficientie
, Waardevolle aspecten van de behavioristische stroming
Consequenties van het gedrag zijn van belang
Beloning is beter dan straf
Het voor doen/ model /directe instructie techniek/ is effectief.
Hoofdstuk 4. Handelingspsychologie en leren
Handelingspsychologie (Vygotsky): zone van actuele ontwikkeling, zone van naaste
ontwikkeling, paniekzone. Leren doormiddel van handelen waarin de cultuurhistorische
context centraal staat.
Lev Vygotsky,1896-1934
Oprichter van de cultuurhistorische school
Beïnvloedt door Piaget’s cognitieve ontwikkelingstheorie
Vygotksy’s theorie is verder uitgewerkt door zijn leerling Galjperin
Contact met het westen werd niet getolereerd door het communistische regiem.
Gedachtegoed pas rond 1960 vertaald in Engeland.
Jaren ’80 opgepikt in Nederland door onderwijskundige en pedagoog Van Parreren
Vygotsky’s belangrijkste uitgangspunten
Kinderen construeren zelf hun kennis.
Leren kan de ontwikkeling leiden.
Ontwikkeling kan niet gescheiden worden van zijn sociale context.
Taal speelt een centrale rol in de mentale ontwikkeling.
Ontwikkelingsprincipe: betekenis van de maatschappij, de cultuurhistorische context ofwel
culturele bemiddeling.
Verbale taal als scharnier, sociale talige interactie, interpersoonlijke communicatie,
belangrijke rol weg gelegd voor volwassenen.
Lagere functies (waarneming, lopen, zwemmen) zijn een voorwaarde van
ontwikkeling van hogere functies.
Hogere functies (bewustzijn, spreken, mening vormen) ontwikkelen zich via de
sociale weg.
Sociale talige interactie is noodzakelijk voor het leren van hogere functies.
Taal speelt als tekensysteem een centrale rol.
Verinnerlijken of interiorisatieproces = intern, eigen maken.
Handelingsprincipe: materiële werkelijkheid als basis voor het leren.
Handelen is leren.
Culturele artefacten (voorwerpen, daar worden betekenissen aan
gekoppeld/ontleend.
Mentale handelingen komen oorspronkelijk voortuit waarneembare handelingen.
Gedragsleer: Leren is het aanbrengen van verbindingen tussen elementen in de omgeving
(stimuli) en reacties (respons) van de lerende.
Behaviorisme: klassiek en operant conditioneren, trail en error, straffen en belonen.
o Klassiek conditioneren (Pavlov): wetten, reflexen
o Operant conditioneren: belonen en straffen op concreet controleerbaar gedrag
o Sociale leertheorie
Ontstaan van de leertheoretische stroming het behaviorisme
Visie op de mens: de mens is volledig kneedbaar.
Grondlegger is de bewustzijnspycholoog Watson, V.S., begin 20ste eeuw.
Kritiek op introspectiemethode (systematische zelfobservatie): veel te subjectief.
Een nieuwe objectieve onderzoeksmethode
Gecontroleerde laboratorium-experimenten
Waarneembaar, observeerbaar gedrag
Basisbegrippen: stimulus en respons
Blackbox-theorie: innerlijke, duistere, processen werden niet onderzocht. Enkel wat
er in gaat en er uit komt.
Tegelijktijdigheid (Contiguity): Het tegelijkertijd en herhaaldelijk aanbieden van twee
gebeurtenissen/ activiteiten/ tekens/ etc. leidt tot associatie van deze twee zaken.
Klassiek conditioneren
Fysioloog Pavlov ontdekt tijdens onderzoek spijsvertering honden bij toeval het
leerprincipe.
Uitgangspunt: reflexmatig gedrag.
Verband aangeleerd of koppeling gemaakt tussen bestaande respons en nieuwe
stimulus.
Versterkingsfase of leerfase: herhaaldelijk aanbieden beide stimuli zodat de
koppeling bevestigd wordt.
Het wordt ook wel emotioneel leren genoemd.
Bijkomende processen
Uitdoving of extinctie kan voorkomen (verfrissen – af en toe herhalen- is noodzakelijk)
Stimulusgeneralisatie (voorbeeld: Little Albert)
Stimulusdiscriminatie (wel bang voor alle spinnen, niet bang voor een hooiwagen)
Het klassiek conditioneren vindt constant plaats door een systeem van associatie en
straffen/belonen.
Men ging verder experimenten: Thorndike, de puzzelbox, trail and error
Daaruit bleken: 3 Wetmatigheden
Wet van herhaling (verband leggen)
Wet van effect (beloning)
Wet van bereidheid (motivatie)
,Operant conditioneren
Veel onderzocht ‘40-’60, Skinner
Klassiek conditioneren te beperkt om gehele gedragsrepertoire te verklaren
Verklaart enkel ‘lage, makkelijke’ gedragingen
Operant gedrag = betekent zoveel als spontaan gedrag, nieuwe reacties!
Gedrag, de handeling en de consequenties ervan staan centraal
Nieuwe reacties oproepen
Discriminerende (bepalende) stimuli of antecedenten (voorafgaande stimuli) roepen
het gedrag op en de consequentie veroorzaakt het vervolg: (of het gedrag bekrachtigt
of vermeden wordt.)
Positieve en negatieve versterker (reinforcement)- bekrachtigingsleren
Straf (punishment) – vermijdingsleren
Belonen werkt beter dan straffen, dat komt doordat: straf onderdrukt ongewenst
gedrag, maar leidt niet automatisch tot gewenst gedrag, omdat onbekend is wat de
alternatieve gedragsmogelijkheden kunnen zijn.
Skinner’s ideaal: idee van geprogrammeerde instructie
Krachtige leeromgeving (bepalende stimuli) maakt gewenste gedragingen mogelijk
en worden versterkt door beloningen.
Niet aangeslagen omdat: onaantastbaarheid leerstofjaarklassensysteem, onmisbaar
geachte contact leerling en docent, sociale leren is belangrijk.
Terug door onderwijsvernieuwingen door ICT: ELO, blackbord, e-learning, webquest,
gamification
Sociale leertheorie of Modelleren
BANDURA: Imitatie/ nadoen/ na-apen/ kopiëren
Een van de meest krachtige vormen van leren.
Drie fasen:
Observeren/ Verwerving (afkijken bij rolmodel)
Imiteren (uitproberen)
Versterking (consequentie, verfijning)
Als de lerende positieve en gewenste consequenties observeert bij het model, zal hij of zij
het gedrag sneller imiteren. Leidt tot toenemend en gevarieerd gedragsrepertoire
Factoren die invloed hebben op observatie leren (sociale leertheorie)
Status van de ontwikkeling
Competentie en prestige van het model
Consequenties voor het model
Uitkomst van de verwachtingen
Doelstellen
Zelf-efficientie
, Waardevolle aspecten van de behavioristische stroming
Consequenties van het gedrag zijn van belang
Beloning is beter dan straf
Het voor doen/ model /directe instructie techniek/ is effectief.
Hoofdstuk 4. Handelingspsychologie en leren
Handelingspsychologie (Vygotsky): zone van actuele ontwikkeling, zone van naaste
ontwikkeling, paniekzone. Leren doormiddel van handelen waarin de cultuurhistorische
context centraal staat.
Lev Vygotsky,1896-1934
Oprichter van de cultuurhistorische school
Beïnvloedt door Piaget’s cognitieve ontwikkelingstheorie
Vygotksy’s theorie is verder uitgewerkt door zijn leerling Galjperin
Contact met het westen werd niet getolereerd door het communistische regiem.
Gedachtegoed pas rond 1960 vertaald in Engeland.
Jaren ’80 opgepikt in Nederland door onderwijskundige en pedagoog Van Parreren
Vygotsky’s belangrijkste uitgangspunten
Kinderen construeren zelf hun kennis.
Leren kan de ontwikkeling leiden.
Ontwikkeling kan niet gescheiden worden van zijn sociale context.
Taal speelt een centrale rol in de mentale ontwikkeling.
Ontwikkelingsprincipe: betekenis van de maatschappij, de cultuurhistorische context ofwel
culturele bemiddeling.
Verbale taal als scharnier, sociale talige interactie, interpersoonlijke communicatie,
belangrijke rol weg gelegd voor volwassenen.
Lagere functies (waarneming, lopen, zwemmen) zijn een voorwaarde van
ontwikkeling van hogere functies.
Hogere functies (bewustzijn, spreken, mening vormen) ontwikkelen zich via de
sociale weg.
Sociale talige interactie is noodzakelijk voor het leren van hogere functies.
Taal speelt als tekensysteem een centrale rol.
Verinnerlijken of interiorisatieproces = intern, eigen maken.
Handelingsprincipe: materiële werkelijkheid als basis voor het leren.
Handelen is leren.
Culturele artefacten (voorwerpen, daar worden betekenissen aan
gekoppeld/ontleend.
Mentale handelingen komen oorspronkelijk voortuit waarneembare handelingen.