Internaliserende stoornissen: emotionele problemen die kinderen vaak zelf oplossen
(spelen van binnen). Denk aan angst, teruggetrokkenheid, depressiviteit en
psychosomatische klachten.
Diagnostische classificaties: fobieën, obsessies, dwanghandelingen, angststoornissen,
depressie, stemmingsstoornissen (DSM)
Veel discussie over relatie met of onderscheid in diagnostische criteria:
1. Risicofactoren dragen bij aan meerdere stoornissen
2. Comorbiditeit is frequent
3. Sommige stoornissen zijn mogelijk verschillende uitingen van dezelfde
aanleg, beïnvloed door omgeving/cultuur. Bv meer Latino kinderen die last
hebben van separatieangst en/of somatische/fysiologische symptomen
Er wordt onderscheid gemaakt tussen:
Angst (Anxiety): toekomstgerichte emotie → bezorgdheid, onvoorspelbaarheid, snelle
focusverschuiving naar mogelijk gevaarlijke gebeurtenis of eigen affectieve respons
naar die gebeurtenis.
Vrees (Fear): reactie op directe bedreiging → alarmreactie
Reacties op bedreiging (zowel bij angst als vrees):
1. Gedrag: vluchten, trillende stem, ogen dicht
2. Cognitie: gedachten om bang te zijn, zelfspot, beelden van letsel
3. Fysiologie: hartslag, adem, spierspanning, maagklachten
Zorgen (Worry): cognitieve component van anxiety, zijn opgedrongen gedachten over
mogelijk negatieve uitkomsten die moeilijk controleerbaar zijn
Grootste uitdaging is onderscheiden of angst normaal/veelvoorkomend is, of
persisterende stoornis met atypische kenmerken.
Normale zorgen, vrees en angsten
Kinderen ervaren veel zorgen en angsten, vaak onderschat door ouders.
Geslacht, leeftijd en cultuur:
o Meisjes ervaren meer angsten en met grotere intensiteit
o Verwachtingen over rol van geslacht kunnen gedeeltelijk zijn
verantwoordelijk voor deze verschillen
o Aantal/intensiteit van angst neemt af met leeftijd
Leeftijdspecifieke angsten (komt overeen in verschillende culturen):
o 6–9 maanden: vreemden
o 2 jaar: denkbeeldige wezens
o 4 jaar: donker
o Oudere kinderen: sociale angst, faalangst
Fear Survey Schedule for Children (FSSCR): onderzoeksinstrument naar angststimuli
en -situaties.
Classificatie volgens de DSM: opgenomen zijn separatieangst (Separation Anxiety
Disorder), specifieke fobie, sociale angststoornis (sociale fobie), selectief mutisme,
1
,paniekstoornis, agorafobie, gegeneraliseerde angststoornis. Bij kind of adolescent kan 1
of meer worden vastgesteld.
Empirische benadering: empirische systemen die subcategorieën van
internaliserende stoornissen bevatten. Bij internaliserende stoornissen wordt vaak het
angst/depressie syndroom gezien > mogelijk verschijnen symptomen van
angst/depressie vaak tegelijk.
Onbehandelde angststoornissen → chronisch verloop + extra moeilijkheden
Epidemiologie van angststoornissen
Prevalentie: 2,5 – 12% of hoger (meest voorkomende stoornissen bij kk en
adolescenten)
Meisjes iets hoger risico
Vaak persisterend in puberteit, vaak comorbide met andere stoornissen
Meestvoorkomende zijn specifieke fobie, sociale angststoornis en GAS.
Specifieke fobie: angst of vrees voor bepaald object of situatie.
Sociale angststoornis (sociale fobie): is gericht op sociale of evaluatiesituatie (dus
niet op object of andere situatie zoals bij andere fobie). Typisch kenmerk is de angst om
iets beschamends of vernederends te doen. Kan voor kinderen zowel in bijzijn van
volwassenen als in bijzijn van andere kinderen zijn.
Diagnostische criteria
1. Directe angstreactie ontstaat bijna altijd bij blootstelling aan fobische stimulus
2. Persoon moet vermijden of lijdt bij elke blootstelling aan angst of stress
3. Disproportioneel t.o.v. risico
4. Persisterend (6 maanden of meer)
5. Veroorzaakt significant probleem/lijden op gebied van routine,
schoolprestaties of sociale relaties
Beschrijving
Vrezen sociale activiteiten en situaties
Gedragscomponent: vermijding van sociale situaties
2
, Cognitief component: bang voor negatieve beoordeling/vernedering. Evalueren
prestatie als negatief en interpreteren oordeel van anderen als kritisch en
afwijzend
Lichamelijk component: onrust, blozen, zweten, buikpijn
Effect: schooluitval, lage zelfwaardering, eenzaamheid
Selectief mutisme (SM): niet spreken in specifieke sociale situaties (bv in klaslokaal),
spreken in andere omgevingen wel (bv thuis of als er niemand bij is).
Ontstaan: 2,5 – 4 jaar (kan onopgemerkt blijven tot 5 jaar)
Worden vaak omschreven als verlegen, teruggetrokken, angstig, soms
taalproblemen. Kunnen koppig, ongehoorzaam en oppositioneel gedrag laten zien
Ontstaat door omgevings- en genetische factoren. Vaak comorbide met
sociale angst (90–100%), wordt soms ook gezien als extreme vorm hiervan
Epidemiologie
Kinderen: 1 – 2%, adolescenten: 3 – 4%
14,9% klinische setting krijgt diagnose sociale angst
Ontstaat in midden tot laat adolescentie (kan ook eerder ontstaan maar wordt
vaak over het hoofd gezien door laten zien van gewenst gedrag)
Hoge comorbiditeit, drie hoogste zijn: GAS (73%), separatieangst stoornis (51%),
specifieke fobie (36%).
Ontwikkelingsbeloop
6 maanden – 3 jaar: vreemdenangst of angst voor verlating (zelfbewustzijn
nodig voor sociale angststoornis, ontwikkelt zich later)
4 – 5 jaar: beschaamd voelen
Vanaf 8 jaar: perspectief van anderen kunnen visualiseren → zorgen over
beoordeling
Late kindertijd/adolescentie: zelfbewustzijn + perspectief van anderen
kunnen zien + bewustzijn dat gedrag of verschijning basis vormt voor
andermans evaluatie = voorwaarde voor sociale angst
Sociale angst komt vaak voor onder jongeren (adolescenten). Moeilijk om normale en
abnormale angst van elkaar te scheiden. Voorwaarden:
1. Bijna constant aanwezig
2. Veroorzaakt duidelijk lijden
3. Het hebben van intense angst
4. Verstoort het dagelijks functioneren significant
Separatieangststoornis (SAD): angst om gescheiden te worden van bepaald
hechtingsfiguur of huis. Diagnose & classificatie:
Angst gescheiden te zijn van hechtingsfiguur/huis
Omvat 8 symptomen, waaronder angst voor het scheiden van/alleen zijn
zonder of zorgen over het overkomen van kwaad zonder deze hechtingsfiguur,
schoolweigering.
Ook sprake van aanhoudend en overmatige zorgen/lijden, slaap- en fysieke
problemen
DSM: minstens 3 van 4 criteria, tenminste afgelopen 4 weken + significante
lijdensdruk/beperkingen
Beschrijving
3
, Kleine kinderen: volgen ouders, nachtmerries, somatische klachten
Oudere kinderen: ziekte-angst, apathie, depressie, terughoudend in activiteiten,
automutilatie om separatie te voorkomen, in uitzonderlijke gevallen suïcide
Epidemiologie
3 – 12% jongeren, één van meest voorkomende stoornissen bij kinderen jonger
dan 12 jaar
Prevalentie hoger onder kinderen dan adolescenten
Meest comorbide met GAS
Ontwikkelingsbeloop
Vaak spontaan afnemend
Persistente separatieangst → later risico depressie
Schoolweigering: geen diagnose maar (vaak) symptoom van separatie angststoornis.
Schoolweigering is multi-causaal en heterogeen. Classificeer aan de hand van
functieanalyse (zie afbeelding): kijken naar ontstaansfactoren/functie van gedrag
ipv symptomen. Bv; niet naar school willen om bv rit er naartoe te vermijden, angst voor
negatieve beoordeling vermijden, aandacht trekken van anderen (ouders), manier om
iets leuks te doen (tv kijken/gamen).
Adolescenten en schoolweigering: signalen van depressie, lopen achter met
schoolwerk, blijven zitten, problemen met leeftijdsgenoten. Ontstaan; door life events (bv
overlijden, ziekte, veranderen van school, verhuizen)
Verschil met spijbelen: spijbelaars zijn niet excessief angstig, wisselend afwezig en
ouders zijn niet op de hoogte. Schoolweigeraars zijn continu afwezig, ouders zijn op de
hoogte.
Epidemiologie & ontwikkelingsbeloop
1 – 2% jongeren, in klinische setting 5%
Bij jonge kinderen speelt separatieangst een rol, bij adolescenten
depressie/complexer beeld van angstige/depressieve klachten
Behandeling: CGT met exposure, aanleren coping strategieën,
training/advies voor ouders en leraren
Gegeneraliseerde angststoornis (GAS): overmatige angst/zorgen over
gebeurtenissen of activiteiten. Niet gebonden aan bepaald type situatie. Deze
angst/zorgen moet volgens DSM worden geassocieerd met 1 van onderstaande 6
symptomen (voor volwassenen minimaal 3)
4