burgerlijk procesrecht
Informatie Brightspace
Om misverstanden te voorkomen, moet worden opgemerkt dat ook een ouder die
ouderlijk gezag heeft machtiging van de kantonrechter behoeft, indien hij in
rechte als eiser voor zijn kind optreedt, beroep instelt tegen een uitspraak dan
wel daarin berust, zie artikel 1:253k BW jo 1:349 BW.
,College
, Literatuur
Hoofdstuk 2: paragraaf 1: de rechter
De rechter moet onafhankelijk zijn om onpartijdig te kunnen rechtspreken. De eis
van onafhankelijkheid en onpartijdigheid v.d. rechter wordt met name gesteld in
art. 6 EVRM. De Gw en de wet bevatten waarborgen hieromtrent. De leden v.d.
rechterlijke macht worden voor het leven benoemd art. 117 lid 1 Gw. Zij worden
bij koninklijk besluit benoemd en kunnen niet tussentijds worden ontslagen, tenzij
op eigen verzoek art. 117 lid 2 Gw. Het is mogelijk dat rechters wegen het
bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden ontslagen. De
leeftijdsgrens is 70 jaar art. 46h lid 3 Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren.
De regeling van hun rechtspositie is voor het overige aan de wetgever
opgedragen art. 117 lid 3 Gw, 46f-q Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren.
Het is mogelijk om t.a.v. voor het leven benoemde rechterlijke ambtenaren
disciplinaire maatregelen op te leggen en tevens andere maatregelen te treffen.
Ook t.o.v. de partijen dient de rechter onafhankelijk te zijn. Wanneer dit niet het
geval is, kan de onpartijdigheid in het gedrang komen. De rechter kan zich dan
verschonen v.d. zaak of worden gewraakt art. 36-41 Rv.
Art. 1 RO onderscheidt rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast en andere
rechterlijke ambtenaren. Tot de laatste categorie behoren de leden v.d. parketten
bij de verschillende gerechten. De Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren
regelt in de art. 2-5g de benoeming, plaatsing en beëdiging van rechterlijke
ambtenaren. De leden v.d. rechterlijke macht met rechtspraak belast en de
procureur-generaal bij de HR worden bij koninklijk besluit voor het leven
benoemd art. 117 lid 1 Gw. De leden v.d. HR der Nederlanden worden benoemd
uit een voordracht van 3 personen, opgemaakt door de Tweede Kamer der
Staten-Generaal art. 118 lid 1 Gw.
De tot de rechterlijke macht behorende gerechten zijn: de rechtbanken, de
gerechtshoven en de HR art. 2 RO. De rechterlijke indeling is geregeld in de Wet
op de rechterlijke indeling van 1951. Daarin zijn de zetels en de rechtsgebieden
van de gerechtshoven en de rechtbanken vastgesteld. Hoger beroep van
uitspraken v.d. rechtbank en ook van uitspraken van kantonrechters, indien
daarvan hoger beroep openstaat, moet worden ingesteld bij het gerechtshof.
De wet onderscheidt meervoudige en enkelvoudige kamers. Meervoudige kamers
bestaan uit 3 rechters of raadsheren, tenzij de wet anders bepaalt art. 6 RO.
Enkelvoudige kamers bestaan uit één rechter of raadsheer. De enkelvoudige
kamer kan zaken naar een meervoudige kamer verwijzen art. 15 lid 1 Rv. De
rechtspraak in kantonzaken v.d. rb geschiedt door enkelvoudige kamers: de
kantonrechters art. 47 RO. Ook in kort geding wordt rechtgesproken door een
enkelvoudige kamer: de voorzieningenrechter art. 50 lid 2 RO. Bij het gerechtshof
worden zaken, behoudens in de wet genoemde uitzonderingen, meervoudig
behandeld en beslist door een kamer van drie raadsheren art. 16 lid 1 Rv. Een
uitzondering hierop geldt voor boek 1 BW-zaken, mits de zaak in eerste aanleg
enkelvoudig is beslist: de meervoudige kamer kan de zaak in appel verwijzen
naar een enkelvoudige kamer art. 16 lid 2 Rv. De artt. 63-65 RO kennen de
mogelijkheid bij een hof enkelvoudige kamers te vormen voor de daar genoemde
zaken. De HR spreekt recht met 5 of met 3 raadsheren art. 17 Rv. De rolzittingen
worden bij de rechtbanken en bij de gerechtshoven gehouden door een
enkelvoudige kamer, de rolrechter of rolraadsheer art. 125 lid 4 en 344 lid 1 Rv.
De rol is het (elektronische) register van dagvaardingszaken. In een wekelijkse
rolzitting verrichten partijen proceshandelingen of vragen zij uitstel in zaken die