de rechter
Informatie Brightspace
Rechtsmacht en bevoegdheid v.d. rechter
Rechtsmacht en bevoegdheid: bij welke rechter je terechtkunt om de vordering te
laten behandelen.
Rechtsmacht: als de vraag is of een Nederlandse rechter of een rechter uit een
ander land de zaak moet (of mag) behandelen.
Bevoegdheid: als binnen Nederland de vraag is bij welke rechter je moet zijn.
De regels van absolute bevoegdheid: bepalen welk soort gerecht of afdeling
daarvan bevoegd is, bijv. rechtbank of gerechtshof.
De regels van relatieve bevoegdheid: waar je moet zijn, dus in welke plaats.
Het is belangrijk om te weten dat in de praktijk wel zorgvuldig de stappen
moeten worden doorlopen zoals beschreven in hoofdstuk III van H/H. Deze 4
stappen zijn namelijk essentieel voor een concrete beoordeling v.d. bevoegdheid
v.d. rechter.
Staatsrechtelijke bevoegdheid
De staatsrechtelijke bevoegdheid betreft de vraag welk soort Nederlandse
rechter bevoegd is (art. 112 Gw).
Absolute competentie
Voor de absolute competentie gelden 2 vuistregels:
1. Doorgaans betreft het dwingend recht.
2. Uitgangspunt RO: in beginsel is de rechtbank in eerste aanleg bevoegd art.
42 RO.
Let wel: de belangrijkste nuancering bij art. 42 RO is de bevoegdheid v.d. sector
kanton (art. 93-98 Rv) naar:
1. Financieel belang (art. 93 sub a en b Rv)
2. Onderwerp (art. 93 sub c Rv)
Relatieve competentie
Voor de relatieve competentie gelden 2 vuistregels:
1. Doorgaans betreffen het regels van aanvullend recht (uitzondering: art.
108 lid 2 Rv).
2. In de regel is de rechter v.d. woonplaats van gedaagde/verzoeker bevoegd
(art. 99 lid 1 en art. 262 sub a Rv).
Complicaties bij het vaststellen v.d. bevoegde rechter
,Bij de verdeling v.d. rechtsmacht v.d. rechter kunnen soms complicaties rijzen
van verscheidene aard:
- De bepaling v.d. waarde v.d. vordering kan een probleem opleveren;
- De doelmatigheid kan aanleiding geven tot samenvoeging van
verschillende rechtsvorderingen in één dagvaarding.
- Het is mogelijk dat meerdere eisers of meerdere gedaagden in een
procedure optreden.
Kennisclip objectieve en subjectieve cumulatie
Objectieve cumulatie: wanneer de eiser in een dagvaarding meerdere
vorderingen uit verschillende oorzaken instelt. Dit is relevant voor de
Afdelingscompetentie van de kantonrechter.
- Vorderingen waarvan het beloop of de waarde in een geldbedrag wordt
uitgedrukt (art. 93 onder a en b Rv): optelregel – art. 94 lid 1 Rv.
- Aardvorderingen (art. 93 onder c en d Rv) en vorderingen die daarmee
samenhangen worden alle door kantonrechter behandeld en beslist – art.
94 lid 2 Rv.
- Conventie-reconventie: art. 94 lid 3 e
- n 97 lid 1 Rv.
- Hoofdzaak-vrijwaringszaak: art. 94 lid 4 en 97 lid 2 Rv.
Subjectieve cumulatie
Hiervan is sprake indien bij een dagvaarding door meerdere eisers vorderingen
zijn ingesteld tegen één gedaagde dan wel indien één eiser procedeert tegen
meerdere gedaagden.
- Geen optelregel
- Samenhang tussen vorderingen kan relevant zijn voor rechtsmacht art.
107 en 7 Rv.
Toelichting bij H/H/ nr. 44 objectieve cumulatie
Er is sprake van objectieve cumulatie van rechtsvorderingen wanneer de eiser
tegelijkertijd meerdere vorderingen tegen de gedaagde instelt.
De vragen welke rechter de zaak moet behandelen en of de zaak appellabel is
(dat er hoger beroep mogelijk is), dienen te worden onderscheiden.
Welke rechter:
1. Vorderingen die op grond van hun waarde tot het werkterrein van de
kantonrechter behoren (art. 93 sub a en b Rv). In dit geval worden
de bedragen van de vorderingen bij elkaar opgeteld, aldus art. 94
eerste lid, Rv.
2. Vorderingen die niet op grond van hun waarde, maar wegens hun
aard tot het werkterrein van de kantonrechter behoren (art. 93 sub c
en d Rv). Deze vorderingen worden niet opgeteld, maar worden
krachtens artikel 94, tweede lid, Rv door de kantonrechter
behandeld en beslist.
, 3. Tot slot is nog mogelijk de cumulatie van een aardvordering met een
waardevordering. Verzet de samenhang van de vorderingen zich
tegen afzonderlijke behandeling in verschillende kamers, dan dient
de kantonrechter beide vorderingen te behandelen. Let op: de
kantonrechter mag in een dergelijk geval dus een waardevordering
boven € 25.000 berechten, omdat deze samenhangt met een
aardvordering. Dit is ingegeven door de gedachte recht te doen aan
de kantonrechtspraak als gespecialiseerde rechtspraak ter zake van
de aardvorderingen.
Appellabiliteit:
1. Vorderingen die op grond van hun waarde tot het werkterrein van de
kantonrechter behoren. Ook voor wat betreft de appellabiliteit geldt
hier de optelregel (art. 332, tweede lid, Rv).
2. Vorderingen die wegens hun aard tot het werkterrein van de
kantonrechter behoren. Aangezien in artikel 332, tweede lid, Rv
geen onderscheid wordt gemaakt in het soort vorderingen, lijkt te
kunnen worden aangenomen dat ook hier de optelregel geldt.
Echter, uit de Parlementaire Geschiedenis blijkt anders
(Wetsvoorstel 26 855, MvT p. 193): ‘De bepaling stelt voorop dat,
voor het bepalen van de procesgang, cumulerende vorderingen bij
elkaar moeten worden opgeteld. Dit geldt echter slechts voor de
zogenaamde “bedragvorderingen”, dat wil zeggen de
geldvorderingen en de vorderingen van onbepaalde waarde, zoals
respectievelijk aangeduid onder a en b van het eerste lid van artikel
38 [artikel 93 in de definitieve tekst van de wet, toevoeging docent].
De zogenaamde “aardvorderingen” als vermeld in het eerste lid
onder c, worden van deze optelregel uitgezonderd, óók indien een
dergelijke aardvordering in geld is uitgedrukt (bijvoorbeeld: een
bepaald bedrag aan achterstallige huur). Hetzelfde geldt voor de
vorderingen gebaseerd op het eerste lid, onder d; ook deze vallen
niet onder de optelregel.’
Zie omtrent appellabiliteit ook hoofdstuk X van het leerboek.
Werkterrein Appellabeliteit
Twee vorderingen ex art. Optelregel art. 94 lid 1 Optelregel art. 332 lid 2
93 sub a en b
Twee vorderingen ex art. Kantonrechter art. 94 lid Geen optelregel ex art.
93 sub c of d 2 332 lid 2
Een vordering ex art. 93 Kantonrecht art. 94 lid 2 Geen optelregel ex art.
sub a en b én een 332 lid 2
vordering ex art. 93 sub
c of d
College
, Literatuur
Bestudeer de nummers 28, 29, 32, 33 en 34 in uw leerboek; besteed
aandacht aan de gebruikte terminologie.
Nr. 28: rechter en bestuur
Art. 112 lid 1 Gw: de algemene opdracht van rechtsmacht in burgerlijke zaken
aan de rechterlijke macht. Aan de rechterlijke macht is opgedragen de berechting
van geschillen over burgerlijke rechten en over schuldvorderingen. In art. 116 Gw
is aan de wetgever opgedragen de gerechten die tot de rechterlijke macht
behoren aan te wijzen, en de inrichting, samenstelling en bevoegdheid v.d.
rechterlijke macht te regelen. Het enige gerecht dat in de Grondwet zelf is
benoemd, is de HR. Het woord rechtsmacht wordt meestal gebruikt ter
aanduiding v.d. bevoegdheid v.d. Nederlandse rechterlijke macht als geheel.
Deze rechtsmacht v.d. rechterlijke macht is begrensd door de
bevoegdheidssferen van andere machten in de staat: wetgevend en uitvoerende
macht. In dit verband kan men spreken v.d. staatsrechtelijke bevoegdheid v.d.
rechter. Art. 2 RO: opsomming v.d. gerechten die tot de rechterlijke macht
behoren: rechtbanken, gerechtshoven en de HR. De bevoegdheid v.d. rechterlijke
macht hangt af v.h. recht waarin de eiser vraagt te worden beschermd, en niet
v.d. aard v.h. recht waarop de verweerder zijn verweer grondt noch v.d. werkelijk
bestaande rechtsverhouding. Het komt dus aan op de grondslag v.d. vordering
zoals door de eiser bij dagvaarding ingesteld. Dit betekent dat de burger
rechtsbescherming tegen daden v.d. overheid bij de burgerlijke rechter kan
vinden, mits hij zich kan beroepen op schending van een burgerlijke recht of op
een schuldvordering.
Nr. 29: rechter en wetgever
Niet alleen handelingen v.h. bestuur, maar ook daden van materiële wetgeving
kunnen onrechtmatig zijn en door de rechter worden getoetst aan art. 6:162 BW.
Materiële wetgeving: alle algemeen werkende regelgeving door de centrale
overheid of lagere overheden, die niet door de regering en de Staten-Generaal
gezamenlijk is vastgesteld. Formele wetgeving: de wetten die door regering en
Staten-Generaal gezamenlijk zijn vastgesteld art. 81 Gw. De rechter kan niet een
bevel aan de Staat geven om wetgeving tot stand te brengen.
De Gw bevat 2 bepalingen die van fundamentele betekenis zijn voor de
verhouding rechter en wetgever en daarmee voor de rechtsmacht v.d. rechter.
Art. 120 Gw bepaalt dat de rechter niet treedt in de beoordeling v.d.
grondwettigheid van wetten en verdragen. Met ‘wetten’ zijn hier formele wetten
bedoeld. De rechter is dus niet bevoegd de formele wet te toetsen aan de Gw.
Indien echter de wet onverenigbaar zou zijn met eenieder verbindende
bepalingen van een verdrag, blijft de wet buiten toepassing volgens art. 94 Gw.
De rechter heeft in zoverre een bevoegdheid tot toetsing v.d. wet aan het
verdrag. Hierbij vindt vooral toetsing plaats aan de bepalingen over grondrechten
in het EVRM.
Nr. 32: eigenlijke en oneigenlijk rechtspraak
Eigenlijke rechtspraak (contentieuze jurisdictie)
Art. 112 Gw spreekt van ‘geschillen’ en duidt daarmee de eigenlijke rechtspraak
aan. Hiervan is sprake als de rechter geroepen is uitspraak te doen in een geschil
tussen 2 of meer partijen. De gewone procedure in contentieuze zaken is de
dagvaardingsprocedure.
Oneigenlijke rechtspraak (voluntaire jurisdictie)