Management Accounting 2
1 Management accounting: plaatsbepaling en ontwikkeling...............................2
3 De dimensies van de kostprijs..........................................................................2
4 Kostprijs en bedrijfsdrukte................................................................................ 3
5 Kostenfuncties.................................................................................................. 4
6 Het verband tussen bedrijfsdrukte en resultaat...............................................5
8 Kostentoerekening I......................................................................................... 6
9 Kostentoerekening II........................................................................................ 7
10 Het besluitvormingsproces............................................................................. 9
12 Voorraadpolitiek........................................................................................... 10
16 Budgettering I.............................................................................................. 13
18 Divisiestructuren.......................................................................................... 15
15 Management control & Artikelen..................................................................16
,1 Management accounting: plaatsbepaling en ontwikkeling
Soorten accounting en beheersing
Management accounting:
- Interne informatievoorziening.
- Gericht op besluitvorming door managers.
- Voorbeelden: productiviteit, aantal orders, productkwaliteit, kosten en opbrengsten.
- Proces: verzamelen, ordenen, analyseren en rapporteren.
- Zowel financiële als niet-financiële informatie.
Financial accounting:
- Externe informatievoorziening.
- Via jaarrekening en jaarverslag.
- Gericht op externe stakeholders (aandeelhouders, banken en overheid).
Cost counting:
- Informatievoorziening specifiek over kosten.
- Kostentoerekening aan producten, diensten of afdelingen.
Management control:
- Geheel van maatregelen om doelstellingen te realiseren.
- Gericht op het beïnvloeden van gedrag van managers en medewerkers.
- Verbindt strategie ↔ uitvoering.
3 De dimensies van de kostprijs
Dimensies van de kostprijs
De kostprijs wordt bepaald door drie elementen:
Kosten = (verbruikte hoeveelheid x prijs per eenheid) x (1 + i) n
waarbij: hoeveelheid → efficiëntie, prijs → markt/inkoop en tijd → vermogen en financiering.
Hoeveelheidselement
Standaardhoeveelheid: economische norm (niet technisch maximaal haalbaar).
Uitval (afgekeurd product na keuring) en afval (verlies tijdens productieproces) verliezen.
Grondstof → productieproces → keuring → goedgekeurd product.
Leereffect:
- Hoe meer productie (hoeveelheid), hoe lager de gemiddelde productiekosten.
- Standaardkostprijs gebruiken voor stabiele resultaten.
Prijselement
Standaardprijs: actuele inkoopprijs, niet historisch.
- Ruilwinst: verschil tussen inkoopprijs bij verkoop en inkoopprijs bij inkoop.
→ Stijgende inkoopprijzen kunnen winst opleveren bij verkoop uit oude voorraad.
Tijdselement
Omlooptijd: tijd die verloopt tussen het moment van investeren en het moment waarop de
investering in geldvorm vrijkomt.
Financieringskosten: vermogenskostenvoet (WACC) → het gemiddelde rendement dat een
onderneming moet behalen om de verstrekker van EV en VV te vergoeden.
- Samengestelde interest: (rente-op-rente) hoe langer de tijd, hoe hoger de kosten.
- Gewogen gemiddelde van:
Kosten vreemd vermogen (interest).
Kosten eigen vermogen (opportunity costs en dividenden).
2
, 4 Kostprijs en bedrijfsdrukte
Constante en variabele kosten
Constante kosten (C): kosten die onafhankelijk zijn van de bedrijfsdrukte; het aantal
ondernemingsactiviteiten is niet van invloed op de omvang van de kosten.
Variabele kosten (V): kosten waarvan de omvang afhankelijk is van de bedrijfsdrukte; als het aantal
ondernemingsactiviteiten ↑, dan de variabele kosten ↑.
Opbrengsten, kosten en resultaat
Totale opbrengsten (TO): TO = p x q
Gemiddelde opbrengsten (GO): GO = p
Totale Kosten (TK): TK = C + V
Gemiddelde Kosten (GK): GK = TK / Q
Kostprijs verkopen (KP): KP = TK / q
Totale winst (TW): TW = TO - TK
Kostprijscalculatie
Bij integrale kostprijscalculatie (absorption costing) worden alle productiekosten (zowel constante- als
variabele kosten) opgenomen in de kostprijs.
Integrale kostprijs per product ( k)= ( CN )+( WV )
Resultaatanalyse
Verkoopresultaat: (transactieresultaat)
Verkoopresultaat =afzet × ( verkoopprijs−kostprijs )
¿ q × ( p−k )
Bedrijfsresultaat:
Als W = N, dan:
Bedrijfsresultaat=¿−TK
Als W ≠ N, dan:
Bedrijfsresultaat=verkoopresultaat ±bezettingsresultaat
Bezettingsresultaat: geeft aan in hoeverre de beschikbare capaciteit is benut.
Bezettingsresultaat=( W −N ) × ( CN )
Capaciteit en bedrijfsdrukte
Overcapaciteit = werkelijke capaciteit – normale capaciteit
Werkelijke capaciteit: technisch maximaal te produceren.
Normale capaciteit: gemiddelde bezettingsgraad.
Rationele overcapaciteit: capaciteit die in principe bruikbaar is.
Rationele overcapaciteit = seizoensinvloeden + reservecapaciteit
+ overcapaciteit door ondeelbaarheid
- Gewenste capaciteit: capaciteit die nodig is om de verwachte vraag te produceren.
Gewenste capaciteit = normale capaciteit + seizoensinvloeden + reservecapaciteit
Seizoeninvloeden = piekproductie – normale capaciteit
Reservecapaciteit = piekproductie x reservepercentage
- Overcapaciteit door ondeelbaarheid:
Overcapaciteit door ondeelbaarheid = werkelijke capaciteit - gewenste capaciteit
Irrationele overcapaciteit: capaciteit die structureel niet benut kan worden.
Irrationele overcapaciteit = overcapaciteit – rationele overcapaciteit
3
1 Management accounting: plaatsbepaling en ontwikkeling...............................2
3 De dimensies van de kostprijs..........................................................................2
4 Kostprijs en bedrijfsdrukte................................................................................ 3
5 Kostenfuncties.................................................................................................. 4
6 Het verband tussen bedrijfsdrukte en resultaat...............................................5
8 Kostentoerekening I......................................................................................... 6
9 Kostentoerekening II........................................................................................ 7
10 Het besluitvormingsproces............................................................................. 9
12 Voorraadpolitiek........................................................................................... 10
16 Budgettering I.............................................................................................. 13
18 Divisiestructuren.......................................................................................... 15
15 Management control & Artikelen..................................................................16
,1 Management accounting: plaatsbepaling en ontwikkeling
Soorten accounting en beheersing
Management accounting:
- Interne informatievoorziening.
- Gericht op besluitvorming door managers.
- Voorbeelden: productiviteit, aantal orders, productkwaliteit, kosten en opbrengsten.
- Proces: verzamelen, ordenen, analyseren en rapporteren.
- Zowel financiële als niet-financiële informatie.
Financial accounting:
- Externe informatievoorziening.
- Via jaarrekening en jaarverslag.
- Gericht op externe stakeholders (aandeelhouders, banken en overheid).
Cost counting:
- Informatievoorziening specifiek over kosten.
- Kostentoerekening aan producten, diensten of afdelingen.
Management control:
- Geheel van maatregelen om doelstellingen te realiseren.
- Gericht op het beïnvloeden van gedrag van managers en medewerkers.
- Verbindt strategie ↔ uitvoering.
3 De dimensies van de kostprijs
Dimensies van de kostprijs
De kostprijs wordt bepaald door drie elementen:
Kosten = (verbruikte hoeveelheid x prijs per eenheid) x (1 + i) n
waarbij: hoeveelheid → efficiëntie, prijs → markt/inkoop en tijd → vermogen en financiering.
Hoeveelheidselement
Standaardhoeveelheid: economische norm (niet technisch maximaal haalbaar).
Uitval (afgekeurd product na keuring) en afval (verlies tijdens productieproces) verliezen.
Grondstof → productieproces → keuring → goedgekeurd product.
Leereffect:
- Hoe meer productie (hoeveelheid), hoe lager de gemiddelde productiekosten.
- Standaardkostprijs gebruiken voor stabiele resultaten.
Prijselement
Standaardprijs: actuele inkoopprijs, niet historisch.
- Ruilwinst: verschil tussen inkoopprijs bij verkoop en inkoopprijs bij inkoop.
→ Stijgende inkoopprijzen kunnen winst opleveren bij verkoop uit oude voorraad.
Tijdselement
Omlooptijd: tijd die verloopt tussen het moment van investeren en het moment waarop de
investering in geldvorm vrijkomt.
Financieringskosten: vermogenskostenvoet (WACC) → het gemiddelde rendement dat een
onderneming moet behalen om de verstrekker van EV en VV te vergoeden.
- Samengestelde interest: (rente-op-rente) hoe langer de tijd, hoe hoger de kosten.
- Gewogen gemiddelde van:
Kosten vreemd vermogen (interest).
Kosten eigen vermogen (opportunity costs en dividenden).
2
, 4 Kostprijs en bedrijfsdrukte
Constante en variabele kosten
Constante kosten (C): kosten die onafhankelijk zijn van de bedrijfsdrukte; het aantal
ondernemingsactiviteiten is niet van invloed op de omvang van de kosten.
Variabele kosten (V): kosten waarvan de omvang afhankelijk is van de bedrijfsdrukte; als het aantal
ondernemingsactiviteiten ↑, dan de variabele kosten ↑.
Opbrengsten, kosten en resultaat
Totale opbrengsten (TO): TO = p x q
Gemiddelde opbrengsten (GO): GO = p
Totale Kosten (TK): TK = C + V
Gemiddelde Kosten (GK): GK = TK / Q
Kostprijs verkopen (KP): KP = TK / q
Totale winst (TW): TW = TO - TK
Kostprijscalculatie
Bij integrale kostprijscalculatie (absorption costing) worden alle productiekosten (zowel constante- als
variabele kosten) opgenomen in de kostprijs.
Integrale kostprijs per product ( k)= ( CN )+( WV )
Resultaatanalyse
Verkoopresultaat: (transactieresultaat)
Verkoopresultaat =afzet × ( verkoopprijs−kostprijs )
¿ q × ( p−k )
Bedrijfsresultaat:
Als W = N, dan:
Bedrijfsresultaat=¿−TK
Als W ≠ N, dan:
Bedrijfsresultaat=verkoopresultaat ±bezettingsresultaat
Bezettingsresultaat: geeft aan in hoeverre de beschikbare capaciteit is benut.
Bezettingsresultaat=( W −N ) × ( CN )
Capaciteit en bedrijfsdrukte
Overcapaciteit = werkelijke capaciteit – normale capaciteit
Werkelijke capaciteit: technisch maximaal te produceren.
Normale capaciteit: gemiddelde bezettingsgraad.
Rationele overcapaciteit: capaciteit die in principe bruikbaar is.
Rationele overcapaciteit = seizoensinvloeden + reservecapaciteit
+ overcapaciteit door ondeelbaarheid
- Gewenste capaciteit: capaciteit die nodig is om de verwachte vraag te produceren.
Gewenste capaciteit = normale capaciteit + seizoensinvloeden + reservecapaciteit
Seizoeninvloeden = piekproductie – normale capaciteit
Reservecapaciteit = piekproductie x reservepercentage
- Overcapaciteit door ondeelbaarheid:
Overcapaciteit door ondeelbaarheid = werkelijke capaciteit - gewenste capaciteit
Irrationele overcapaciteit: capaciteit die structureel niet benut kan worden.
Irrationele overcapaciteit = overcapaciteit – rationele overcapaciteit
3