INHOUDSOPGAVE
1. Hoofdstuk 2 ......................................................................................................................................................... 2
1.1 Het ruime kostbegrip .................................................................................................................................... 2
1.2 Het enge kostbegrip ...................................................................................................................................... 2
2. Hoofdstuk 3 ......................................................................................................................................................... 3
3. Hoofdstuk 5 ......................................................................................................................................................... 3
4. Hoofdstuk 6 ......................................................................................................................................................... 4
4.1 Absorption costing ........................................................................................................................................ 4
4.2 Direct costing ................................................................................................................................................ 5
5. Hoofdstuk 7 ......................................................................................................................................................... 6
5.1 De opslagmethode ........................................................................................................................................ 6
5.2 De kostenplaatsmethode .............................................................................................................................. 6
5.2.1 De directe methode ............................................................................................................................... 7
5.2.2 De step-down methode ......................................................................................................................... 7
5.2.3 De algebraïsche methode ...................................................................................................................... 8
5.3 Activity based costing .................................................................................................................................... 8
6. Hoofdstuk 8 ......................................................................................................................................................... 9
7. Hoofdstuk 14 ..................................................................................................................................................... 12
6.1 De verschillenanalyse .................................................................................................................................. 12
,1. HOOFDSTUK 2
De omlooptijd is de tijd die verloopt tussen de investering in een productiemiddel en het moment waarop deze
investering weer in geldvorm vrijkomt. Wanneer een bedrijf de productiemiddelen bezit, start men met
produceren. Hierdoor ontstaat een kostprijs. De kostprijs komt tot stand met behulp van een kostenbegrip. Er
zijn twee soorten kostenbegrippen: het ruime kostbegrip en het enge kostenbegrip.
Directe kosten zijn kosten waarvan duidelijk is welke output zij hebben. Deze kosten zijn eenvoudig toe te
rekenen aan de kostendrager. Enkele voorbeelden van directe kosten zijn:
De prijzen van de grondstoffen;
De betaling van de arbeidsuren.
Indirecte kosten (overheadkosten) zijn echter kosten waarvan niet duidelijk is welke output zij hebben. Deze
kosten zijn niet eenvoudig te traceren aan een kostendrager. Enkele voorbeelden van indirecte kosten zijn:
De huurkosten van heel het gebouw;
De telefoonkosten.
Een andere soort kosten zijn de sunk costs (constante kosten) en opportunity costs. Sunk costs zijn kosten, waar
geen rekening mee wordt gehouden bij het beslissen van een financieel plan. De opportunity costs zijn de
kosten van de misgelopen omzet, zie bladzijde 55.
1.1 HET RUIME KOSTBE GRIP
Bij het ruime kostbegrip zijn X kosten gemaakt aan loonkosten. In de kostprijs komt dan: aantal werkelijke
loonkosten / aantal geproduceerde producten.
Bij de resultatenrekening wordt de norm gebruikt: kostprijs norm * aantal verkochte producten.
1.2 HET ENGE KOSTBEG RIP
Bij het enge kostbegrip zijn X kosten de norm die worden gemaakt aan loonkosten. Zoveel arbeidsuren is er
nodig om dit product te maken, en dit kost het arbeidsuur per product. In de kostprijs komt dan: de norm per
product. De kostprijs bestaat uiteindelijk uit verschillende normen, die van arbeid, grondstof, etc.
Bij de resultatenrekening wordt de norm gebruikt: kostprijs norm * aantal verkochte producten.
Uiteindelijk kijk je nog naar het verschil in lonen dus norm – werkelijk betaald en dat doe je ook voor
materialen en die verschillen trek je nog af van het resultaat of erbij optellen.
, 2. HOOFDSTUK 3
Wanneer de productie capaciteit hoger is dan de gemiddelde bedrijfsdrukte, is er sprake van: overcapaciteit.
Wanneer een bedrijf geen rede heeft voor de overcapaciteit is er sprake van irrationele overcapaciteit.
Wanneer een onderneming wel een rede heeft voor de overcapaciteit, is er sprake van rationele capaciteit.
Voorbeelden van rationele capaciteit zijn:
1. Reservecapaciteit, productiemiddelen zijn soms aan onderhoud toe.
2. Seizoensinvloeden, in sommige periode wordt meer verkocht.
3. Ondeelbaarheid, in sommige periode kan niet geproduceerd worden.
4. Initiële overcapaciteit, wanneer er een groei wordt verwacht.
Reservecapaciteit: Hoogste kwartaalafzet * 4 * %
Seizoensinvloeden: Hoogste kwartaalafzet * 4 - Normaal
Ondeelbaarheid: Normaal + Reserve + Seizoen – Capaciteit machine (die het dichtste bij zit)
Initiële overcapaciteit: ???
3. HOOFDSTUK 5
Het verschil tussen de verkoopprijs en de variabele kosten wordt de dekkingsbijdrage of contributiemarge
genoemd. Dit verschil is de marge waarop de constante kosten moeten worden terugverdiend. De verhouding
tussen de constante- en variabele kosten bepaalt de invloed van een afzetverandering. Constante kosten heb je
namelijk altijd, dus zijn je kosten hoger. Variabele kosten heb je per product. Dit betekent als je weinig
goederen verkoopt, heb je weinig kosten. Deze verhouding wordt de hefboomwerking van de kostenstructuur
genoemd.
Veiligheidsmarge: (Werkelijke afzet – Breakeven afzet) / Werkelijke afzet * 100%
Voorbeeld bij handmatige bewerking:
Verkoopprijs € 7,00
Variabele kosten p.e. € 5,00
Vaste kosten € 160.000
Hoe ziet de winstlijn eruit?
Break Even?
Winst = TO -/- TK
= € 7,00 * Q – (€ 5,00 * Q + € 160.000)
= € 2,00 * Q - € 160.000
Break-even afzet: 80.000 stuks