ECLI:NL:RBDHA:2024:379
Feiten:
Eiser vraagt in 2014 een lening aan bij de ING BANK B.V. (hierna: ING) voor de
financiering van een woning. Bij de afsluiting van de lening is opgenomen dat de
brochure ‘Basisinformatie en Algemene Voorwaarden ING Hypotheken (november
2013)’ van toepassing is. Hierin staat onder andere vermeld dat bij vervroegde
aflossing een boete moet worden betaald. Op 22 februari 2017 heeft eiser
contact opgenomen met ING omdat hij de volledige hypothecaire lening
voortijdig wilde aflossen. ING heeft een aflosnota verzonden en daarin
opgenomen dat [eisers] een beëindigingsvergoeding moest betalen. Dit bedrag is
later gematigd door ING naar aanleiding van een leidraad van de Autoriteit
Financiële Markten . Eiser heeft later een klacht ingediend bij ING omdat hij het
niet eens was met betaling van de (aangepaste) beëindigingsvergoeding. De
algemene voorwaarden waarop de beëindigingsvergoeding door ING is
gebaseerd, zijn volgens eiser onredelijk bezwarend en oneerlijk. Hij roept daarom
de vernietiging in van deze algemene voorwaarden en vordert terugbetaling.
Juridisch geschil
[eisers] heeft betoogd dat het Beding onredelijk bezwarend en oneerlijk is in het
licht van de Richtlijn oneerlijke bedingen in samenhang met artikel 6:233
onder a BW en artikel 6:237 onder i BW en dat het daarom vernietigbaar
respectievelijk ongeldig is. De conclusie van de rechtbank is dat het Beding niet
oneerlijk is en niet onredelijk bezwarend, zodat geen sprake kan zijn van
vernietiging van het Beding.
Rechtsoverweging van de rechtbank
Artikel 5 van de richtlijn zou niet zijn geschonden omdat de ING de financiële
gevolgen van de vervroegde aflossing niet (wezenlijk) eenvoudiger of
begrijpelijker had kunnen beschrijven, omdat deze naar hun aard afhankelijk zijn
van onzekere factoren. Daarnaast is het afsluiten van een dergelijk beding
gebruikelijk en regelmatig in het rechtsverkeer wordt gebruikt. Hierdoor is de
rechtbank van mening dat eiser bij een onderhandeling in alle waarschijnlijkheid
met het beding zou hebben ingestemd.
Mijn zienswijze
De beëindigingsvergoeding is onredelijk bezwarend. De verhouding tussen
partijen is niet gelijk en daar moet rekening mee worden gehouden. Het is niet
aannemelijk, in tegenstelling tot de conclusie van de rechtbank, dat eiser
inderdaad zou hebben ingestemd met een beëindigingsvergoeding. De
onderbouwing dat het gebruikelijk is binnen het rechtsverkeer laat juist zien dat
de consument geen keuzemogelijkheid heeft. Om een lening te verkrijgen zal de
consument hier juist mee in moeten stemmen. De rechtbank had niet moeten
kijken of dit soort bedingen veel voorkomen, maar naar de gevolgen
voor de partijen om te bepalen of de partijen hiermee zouden hebben
ingestemd bij vrije onderhandelingen. De rechtbank heeft beoordeeld dat er