Opdracht voor college 3: Ontwikkelingen rondom
immateriële belangen in het aansprakelijkheidsrecht
Casus:
Een meisje uit Vlaardingen is voor de rest van haar leven afhankelijk van
intensieve zorg door toedoen van haar pleegouders. Het meisje werd in mei
2024 opgenomen in het ziekenhuis met ernstig hersenletsel, botbreuken en lag
een tijd in coma. De pleegouders werden aangehouden op verdenking van poging
tot doodslag. De moeder van het zwaar mishandelde meisje stelt de William
Schrikker Stichting en pleegzorgorganisatie Enver aansprakelijk. Begin dit
jaar concludeerden de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en de Inspectie
Justitie en Veiligheid dat de William Schrikker Stichting en pleegzorgorganisatie
Enver ernstig tekort zijn geschoten in de hulp aan het meisje. De moeder stelt
dat haar de kans is ontnomen ooit weer een gezin te vormen door het ernstige
tekort schieten van de William Schrikker Stichting en pleegzorgorganisatie Enver.
Haar recht op familieleven is haar door het nalaten ontnomen.
Vraag 1 Wat heeft de benadeelde naar mijn verwachting nodig?
De moeder, de benadeelde, heeft een juridische grond nodig voor het indienen
van een schadeclaim. Er is geconstateerd dat er onrechtmatig is gehandeld door
het nalaten van het bieden van hulp aan het meisje. De moeder moet nu
aantonen dat zij schade heeft geleden als gevolg hiervan, causaliteit, en dat er
sprake is van relativiteit.
Vraag 2 Wat zal de belangenbehartiger van het slachtoffer in een
afwikkelingsprocedure naar verwachting vorderen?
Er is mogelijk sprake van immateriële schade, ander nadeel. De moeder is stelt in
haar grondrecht, 6 EVRM, te zijn geschonden door het nalaten van de 2
stichtingen op basis van artikel 6:95 jo 6:106 BW. De moeder zal smartengeld
vorderen.
Vraag 3 Welke (juridische) argumenten deze vordering (zullen) ondersteunen?
De moeder dient een ‘’zelfstandige’’ schadeclaim in. Zij doet geen beroep op
affectieschade of schokschade. Voor een beroep op Schokschade zal zij moeten
aantonen dat zij geestelijk leed heeft als gevolg van de confrontatie met de
gevolgen van de mishandeling van haar dochter. Dit heeft de moeder nagelaten.
Bij affectieschade 6:107 en 6:108 BW wordt verzocht om vergoeding van het
emotionele leed. Hier verzoekt de moeder niet om.
De moeder stelt dat richting haar onrechtmatig is gehandeld en stelt de
stichtingen aansprakelijk op basis van artikel 6:106 lid 1 sub b BW. De aard en de
ernst van de schending zijn doorslaggevend om Het uitgangspunt is dat degene
die zich beroept op een persoonsaantasting die aantasting met concrete
gegevens moet onderbouwen. Slechts in uitzonderlijke gevallen kunnen de aard
en de ernst van de normschending meebrengen dat de nadelige gevolgen
logischerwijze kunnen worden toegerend dat een aantasting in de persoon kan
worden aangenomen. In dat geval zijn de gevolgen voor de benadeelde mee
wordt geconfronteerd aanleiding voor een smartengeldaanspraak, en niet de
enkele normschending.