Inhoudsopgave
Inhoudsopgave ........................................................................................................ 1
Algemene uitleg: ...................................................................................................... 2
Mamma:.................................................................................................................. 3
Handhygiëne preoperatief: ..................................................................................... 18
Voortplantingsorganen van een vrouw: .................................................................... 20
Steriel afdekken + Firma Mölnlycke: ........................................................................ 53
Voortplantingsorganen van de man: ........................................................................ 57
Instrumenten: ........................................................................................................ 71
Urinewegen: .......................................................................................................... 88
Hechtmaterialen: ................................................................................................. 111
1
,Algemene uitleg:
• Intraperitoneaal: het orgaan ligt volledig in de buikholte en is bijna helemaal
omgeven door buikvlies (peritoneum). Het hangt vaak aan een mesenterium.
Voorbeelden: maag, lever, milt, dunne darm.
• Retroperitoneaal: het orgaan ligt achter het buikvlies. Alleen de voorkant is bedekt
door peritoneum. Voorbeelden: nieren, pancreas, aorta.
• Extraperitoneaal: het orgaan ligt buiten het buikvlies en heeft geen direct contact
met de buikholte. Dit is een verzamelnaam; retroperitoneaal en sub-
/infraperitoneaal vallen hier vaak onder.
• Subperitoneaal of infraperitoneaal: het orgaan ligt onder het buikvlies, meestal in
het bekken. Alleen de bovenkant is bedekt door peritoneum. Voorbeelden: blaas,
endeldarm, baarmoeder.
Je kunt het zo onthouden:
• intra = ín het buikvlies
• retro = áchter het buikvlies
• sub/infra = ónder het buikvlies
• extra = buiten het buikvlies in het algemeen
2
,Mamma:
Relevantie voor de praktijk:
- Laagcomplexe operatie van mamma.
- Mammapathologie:
• Bijv. Mammacarcinoom (1 op 7 vrouwen in NL) / benigne tumoren mama.
Mammacarcinoom: Een kwaadaardige tumor, zoals ductaal carcinoom, lobulair carcinoom.
Benigne tumoren mamma: Dit zijn niet-kankerachtige afwijkingen, zoals fibroadenoom,
cyste, papilloom.
Type Betekenis Voorbeeld
Benigne Goedaardig Fibroadenoom
Maligne Kwaadaardig Mammacarcinoom
Borstsparend (MST) = lumpectomie
MST = Mammabewarende/ borstsparende therapie.
Bij een borstsparende operatie wordt alleen de tumor met een klein randje gezond weefsel
verwijderd. De rest van de borst blijft behouden. Vaak volgt daarna nog bestraling.
Mastectomie = ablatio (okselklierresectie)
Bij een mastectomie wordt de gele brost verwijderd, inclusief het borstklierweefsel. Dit
gebeurt wanneer een borstsparende operatie niet mogelijk of niet voldoende is.
3
, Pathologie – mammacarcinoom:
Benigne vesus maligne tumoren: Benigne tumoren zijn goedaardig en verspreiden zich niet
terwijl maligne tumoren kwaadaardig zijn en kunnen uitzaaien. De specifieke vormen:
- Lobulair carcinoom in Situ (LCIS): Afwijkende cellen in de melkkliertjes; dit wordt
vaak gezien als een risicofactor voor het later ontwikkelen van borstkanker.
- Ductaal carcinoom in situ (DCIS): Kankercellen die zich nog binnen de melkgangen
bevinden en niet in het omringende weefsel zijn gegroeid.
- Invasief carcinoom: Kanker die wel is doorgegroeid in het omliggende weefsel en
zich verder kan verspreiden.
Ductaal carcinoom komt vaker voor.
Diagnostiek:
Om borstkanker vast te stellen worden verschillende onderzoeken gebruikt:
- Medische beeldvorming, zoals mammografie (röntgenfoto van de borst), echografie
en soms MRI
- Biopsie/punctie: er wordt weefsel of cellen uit de tumor gehaald om onder de
microscoop te onderzoeken.
4