DE SOCIOLOGISCHE BLIK
hoorcollege 31 maart
waarom sociologie?
bronwetenschap van de criminologie
veel theorieën, onderzoeksmethoden en wetenschappers vanuit de criminologie komen uit de
sociologie
criminaliteit als maatschappelijk probleem
objectwetenschap = de verbindende factor van de wetenschap is het ene specifieke onderwerp
waar het onderzoek naar doet
invloed op criminaliteitsbeleid → kennis over de samenleving is nodig
sociologie = de studie van de samenleving
systematisch en empirisch onderzoek van de menselijke samenleving
het sociologisch perspectief
op een sociologische manier leren kijken naar de samenleving → ook wel de sociologische
verbeeldingskracht
het algemene in het bijzondere zien → in een specifieke situatie kijken naar algemenere patronen
het ongewone in het bekende zien → ter discussie stellen van dingen die je als normaal beschouwt
transformeren van persoonlijke problemen tot maatschappelijke vraagstukken
bv. bij armoede, criminaliteit en verslaving
belangrijk om de geschiedenis van de samenleving en je persoonlijke biografie aan elkaar te knopen
→ er is altijd een bepaalde maatschappelijke context in de samenleving waardoor mensen op een
andere manier leven
bv. corona, klimaatcrisis, belang van technologie in de samenleving
socioloog als mythejager → alleen omdat iedereen het zegt, betekent niet dat het ook zo is
het algemene in het bijzondere
algemenere patronen ontdekken in specifieke gevallen
bv. zelfdodingstudie van emile durkheim (1897) → hoger zelfdodingscijfer onder mannen,
protestanten en welvarenden, vraag wat de (maatschappelijke) oorzaak was
deze mensen hadden minder sociale banden en dus minder sociale integratie omdat ze meer
vrijheden hadden
het ongewone in het bekende
ter discussie stellen van wat wij als normaal beschouwen → stapje terugzetten en er met een andere blik
op kijken
het zien van de invloed van sociale structuren op individuen
INLEIDING SOCIOLOGIE 1
, bv. studiekeuze → vroeger konden vrouwen niet studeren, afhankelijk van tijdsgeest en
maatschappelijke context
opkomst van de sociologie
relatief jonge wetenschap → rond het einde van de 19e eeuw
in nederland begon het meer als een hobby van mensen uit andere wetenschappers → vooral juristen
en economische geografen
rond 1900 werd het een zelfstandige discipline → bonger (1922) eerste hoogleraar sociologie (en
criminologie)
invloed van grote sociale veranderingen en processen
industrialisering → industriële revolutie, andere wijze van werken en produceren
urbanisatie (groet van steden)
democratisering (politieke veranderingen)
de invloed van minderheden op klassieke sociologie is heel beperkt → vroeger waren de meeste
onderzoekers in de sociologie elitaire witte mannen
maatschappelijke situatie gereflecteerd in de wetenschap → bv. alleen mannen konden studeren,
dus alleen zij konden ook hoogleraar worden
lang weinig oog voor de bijdrage van minderheden
harriet martineau (VK), jane addams (VS), william du bois, ida wells barnett (VS)
ontwikkeling van de sociologie
theologische fase (tot 1350) → god
metafysische fase (14e - 15e eeuw) → natuurwetenschap
wetenschappelijke fase (vanaf eind 15e eeuw) → opkomst van positivisme (op zoek naar
wetmatigheden)
renaissance (15e - 16e eeuw) → ruimte voor empirische wetenschap
reformatie (16e eeuw) → ruimte voor het individu
verlichting (17e - 18e eeuw) → vooruitgangsdenken
modernisering → proces van sociale veranderingen, in gang gezet door industrialisering
grote maatschappelijke veranderingen → sociale veranderingen werken als katalysator voor
sociologische ontwikkelingen
verdwijning van kleine traditionele gemeenschappen (urbanisering)
uitbreiding vam individuele keuzemogelijkheden (individualisering)
oriëntatie op toekomst en groeiend tijdsbesef
grotere sociale diversiteit → doordat iedereen meer vrijheid heeft om hun eigen keuzes te maken,
gaan mensen ook anders leven
grote denkers binnen modernisering:
tönnies → gemeinschaft en gesellshaft
durkheim → mechanisme en organische solidariteit
weber → rationalisering, bureaucratisering, onttovering
INLEIDING SOCIOLOGIE 2
, marx → kapitalisme
simmel → urbanisering
hoofdvragen van de sociologie
sociale (wan)orde — durkheim
wat houdt de samenleving bij elkaar?
sociale (on)gelijkheid — marx
hoe worden schaarse en begeerde zaken verdeeld?
proces van rationalisering — weber
waarom voltrekken rationaliseringsprocessen zich in verschillende mate in verschillende
samenlevingen?
identiteit en interactie — simmel
hoe beïnvloeden maatschappelijke verhoudingen de identiteit van individuen en groepen?
theorie en empirie
theoretische benadering/perspectief/paradigma = iets wat een fundamenteel beeld van de
samenleving schetst
richtsnoer voor theorie en onderzoek
binnen zo’n perspectief kun je allerlei theorieën ontwikkelen
theorie = stelsel van uitspraken die met elkaar samenhangen
verklaart de sociale werkelijkheid
toetsbaar door middel van onderzoek
analyseniveau’s
macroniveau → focus op samenleving als geheel
totaalbeeld van sociale structuren in de samenleving
mesoniveau → focus op ‘middelgrote’ analyse-eenheden
groepen
microniveau → focus op individuen
interacties
sociologische perspectieven
structureel functionalisme
ziet de samenleving als een complex systeem waarbinnen alle verschillende onderdelen een functie
hebben en met elkaar samenwerken
belang van/nadruk op solidariteit (sociale cohesie, sociale orde) en stabiliteit
focus op structuur van de samenleving en sociale functies
hoofdfiguren → comte, durkheim, spencer en parsons
gebaseerd op het maatschappijbeeld van consensus → iedereen die in de maatschappij zit is het
eens over de belangrijke dingen (bv. wat goed en slecht is)
INLEIDING SOCIOLOGIE 3
, analyse op macroniveau
kritiek op structureel functionalisme:
neiging om conservatief te zijn → omdat het zo gericht is op consensus en stabiliteit, krijg je meer
de neiging om alles ook te houden zoals het is
geen oog voor conflicten en problemen door idee van consensus
gebruik van algemene categorieën
verschillende functies volgens merton:
manifeste functie → onderkend en beoogd gevolg
functie die we ergens aan hebben toegekend
de manifeste functie van werk is bv. het verdienen van geld
latente functie → niet-onderkend en onbedoeld gevolg
functie die misschien niet per se de bedoeling was, maar er wel bij komt
de latente functie van werk is bv. het verbreden van het sociale netwerk
sociale dysfunctie → sociaal patroon dat functioneren van de samenleving verstoort
wel functioneel voor een onderdeel van de samenleving, maar niet voor de gehele
samenleving
de dysfunctie van werk is bv. het vergroten van klasseverschillen
conflictbenadering
ziet de samenleving als een constant strijdtoneel (tegenovergestelde van structureel functionalisme)
de samenleving is een arena van ongelijkheid die constant conflicten (en dus veranderingen) oproept
hoofdfiguren → marx, engels, chambliss, dahrendorf
activistische wetenschap → de wetenschap moet de sociale werkelijkheid ook
veranderen/verbeteren
focus op ongelijkheid, patronen van dominantie en ondergeschiktheid en conflicten
voorbeelden van conflictbenadering: sekseconflict en rassenconflict
gebaseerd op het maatschappijbeeld van conflict → we hebben juist geen consensus over goed en
fout
iedereen heeft op basis van eigen groepen/meningen etc. hier eigen ideeën over
analyse op macroniveau
kritiek op conflictbenadering:
weinig oog voor eenheid/consensus binnen een samenleving
gebrek aan wetenschappelijke objectiviteit
gebruik van algemene categorieën door macroniveau
symbolisch interactionisme
ziet de samenleving als resultaat van interacties
de werkelijkheid is dus niet, maar deze wordt gecreëerd door interpretatie en definitie van de situatie
binnen sociale interacties → omdat mensen met elkaar interacteren, vormen we met elkaar de
werkelijkheid
INLEIDING SOCIOLOGIE 4