strafrecht Jons
Voorkennis
1. Het legaliteitsbeginsel in het materieel strafrecht
Vastgelegd in art. 1 Sr: geen feit is strafbaar zonder voorafgaande
wettelijke strafbepaling.
Waarborgen:
Lex scripta: strafbepalingen moeten in de wet zijn vastgelegd.
Lex certa: de bepalingen moeten duidelijk en precies zijn.
Verbod van terugwerkende kracht: strafbaarstelling werkt niet met
terugwerkende kracht.
Analogieverbod: rechter mag geen vergelijkbare gevallen onder de
strafbepaling schuiven.
Functie: rechtszekerheid, bescherming van burgers, begrenzing van
staatsmacht.
2. Voorwaarden voor strafbaarheid
Een gedraging is strafbaar wanneer aan vier voorwaarden is voldaan:
1. Menselijke gedraging: een doen of nalaten.
2. Delictsomschrijving: de gedraging valt binnen de grenzen van een
wettelijke bepaling.
3. Wederrechtelijkheid: de gedraging is in strijd met het recht.
4. Schuld/verwijtbaarheid: de gedraging kan de dader worden
aangerekend.
3. Opbouw van het strafbare feit en kernbegrippen
Bestanddelen: onderdelen die expliciet in de wetstekst staan.
Elementen: wederrechtelijkheid en schuld, die niet altijd in de wet staan
maar wel vereist zijn.
Belang: bestanddelen moeten bewezen worden, elementen kunnen
worden weggenomen door strafuitsluitingsgronden.
Delictsvormen:
Formele delicten: strafbaar is het verrichten van een handeling.
Materiële delicten: strafbaar is het veroorzaken van een gevolg.
Commissiedelicten: actief handelen.
Omissiedelicten: nalaten.
, Oneigenlijk omissiedelict: gedraging strafbaar gesteld als
handelen, maar kan ook door nalaten gepleegd worden.
Voortdurende delicten: toestand wordt in stand gehouden.
Krenkingsdelicten: gericht op daadwerkelijke aantasting van een
rechtsgoed.
Gevaarzettingsdelicten: gericht op het in gevaar brengen van een
rechtsgoed.
Gekwalificeerde delicten: extra bestanddeel met
strafverzwarende werking.
Geprivilegieerde delicten: extra bestanddeel met
strafverminderende werking.
Geobjectiveerde bestanddelen: bestanddelen waarvoor geen
opzet of schuld vereist is.
4. Objectieve zijde van het delict
Causaliteit: verband tussen gedraging en gevolg.
Conditio sine qua non: zonder gedraging zou gevolg niet zijn
ingetreden.
Causa proxima: dichtstbijzijnde oorzaak geldt.
Voorzienbaarheidsleer: gevolg moet voorzienbaar zijn.
Redelijke toerekening: gevolg is redelijkerwijs toe te rekenen.
Wederrechtelijkheid: gedraging is in strijd met het recht.
HR 20 februari 1933, Veearts – ontbreken van materiële
wederrechtelijkheid → rechtvaardigingsgrond.
5. Subjectieve zijde van het delict
Opzet (dolus): willens en wetens handelen.
Oogmerk/bedoeling.
Noodzakelijkheidsbewustzijn.
Voorwaardelijk opzet: bewust aanvaarden van de aanmerkelijke
kans.
Schuld (culpa): verwijtbare onvoorzichtigheid.
Bewuste culpa: dader kent risico maar vertrouwt op goede afloop.
Onbewuste culpa: dader merkt risico niet op.
Roekeloosheid: extreme vorm van culpa.
HR 19 februari 1963, Verpleegster – culpa bij Garantenstellung.
HR 15 oktober 1996, Porsche – grens tussen voorwaardelijk opzet en
bewuste culpa.
6. Culpa en dolus
,Dolus (opzet): bewuste wil en wetenschap bij het plegen van een
strafbaar feit.
Culpa (schuld): verwijtbare onachtzaamheid of nalatigheid.
Belangrijk verschil: dolus vereist doelgerichtheid of bewustheid, culpa
gaat om onvoorzichtigheid.
7. Rechtvaardigings- en schulduitsluitingsgronden
Rechtvaardigingsgronden: nemen wederrechtelijkheid weg.
1. Noodweer
2. Overmacht als noodtoestand
3. Wettelijk voorschrift
4. Bevoegd ambtelijk bevel
5. Ontbreken van materiële wederrechtelijkheid
HR 20 februari 1933, Veearts – ontbreken van materiële
wederrechtelijkheid, buitenwettelijke rechtvaardigingsgrond.
Schulduitsluitingsgronden: nemen verwijtbaarheid wegNoodweerexces
1. Psychische overmacht
2. Onbevoegd ambtelijk bevel
3. Ontoerekeningsvatbaarheid
4. Afwezigheid van alle schuld (AVAS)
HR 14 februari 1916, Melk en water – AVAS (afwezigheid van alle
schuld), buitenwettelijke schulduitsluitingsgrond.
8. Poging en voorbereiding
Poging: voornemen tot misdrijf en een begin van uitvoering.
Ondeugdelijke poging:
Absoluut ondeugdelijk: feit kan onmogelijk voltooid worden → niet
strafbaar.
Relatief ondeugdelijk: feit kan in principe voltooid worden, maar
omstandigheden verhinderen dit → strafbaar.
Voorbereiding: strafbaar bij misdrijven waarop acht jaar of meer
gevangenisstraf staat, als men voorwerpen of middelen bestemd
voor het feit voorhanden heeft
Vrijwillige terugtred: dader stopt zelf met uitvoeren of maakt
gevolg ongedaan → niet strafbaar.
HR 24 oktober 1978, Cito – criterium begin van uitvoering
(uiterlijke verschijningsvorm).
HR 8 september 1987, Grenswisselkantoor – geen poging maar
voorbereiding.
9. Daderschap en deelneming
, Plegen: zelf het feit plegen.
Medeplegen: nauwe en bewuste samenwerking, met dubbel opzet.
Doen plegen: dader laat een ander plegen die zelf niet strafbaar is.
Uitlokken: iemand anders bewegen tot plegen met middelen als giften,
beloften of dwang.
Medeplichtigheid: gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen;
strafvermindering ten opzichte van plegen of medeplegen.
10. Grondslagleer en tenlastelegging
Grondslagleer: rechter is gebonden aan de grenzen van de
tenlastelegging.
Tenlastelegging: omschrijving van het strafbare feit in de dagvaarding.
Primair/subsidiair: vangnet.
Cumulatief: meerdere feiten naast elkaar.
Alternatief: rechter kiest tussen meerdere feiten.
11. Materiële vragen van art. 350 Sv
De rechter moet de volgende vragen beantwoorden:
1. Is bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd?
2. Kan het bewezenverklaarde worden gekwalificeerd?
3. Is het bewezenverklaarde wederrechtelijk?
4. Is de verdachte strafbaar?
5. Welke straf of maatregel moet worden opgelegd?
Einduitspraken:
1. Vrijspraak
2. Ontslag van alle rechtsvervolging wegens niet-strafbaarheid van het
feit
3. Ontslag van alle rechtsvervolging wegens niet-strafbaarheid van de
dader
4. Veroordeling
Leereenheid 1: De objectieve zijde van het
strafbare feit
1.0 Inleiding
Bronnen
Tekstboek
De Hullu & Van Kempen, hoofdstuk 3 par. 1.1-1.3 (p. 169-175), 2, 3
en 4 (p. 197-230)