bestuursrecht
Leereenheid 3 (1): Inleiding bestuursrecht
R.J.N. Schlössels & S.E. Zijlstra, Bestuursrecht in de sociale rechtsstaat 1:
hoofdstuk 1, hoofdstuk 2, hoofdstuk 7, par. 7.1-7.3.
Leerdoelen:
1. Kunt aangeven wat de belangrijkste leerstukken van het bestuursrecht zijn;
2. In een probleemstelling kunt herkennen welk bestuursrechtelijk leerstuk aan
de orde is;
3. Kunt uitleggen hoe de Awb-wetgever aankijkt tegen de verhouding tussen
burger en bestuur;
4. Kunt aangeven welke fundamentele beginselen en uitgangspunten voor het
begrip en de toepassing van het bestuursrecht van belang zijn en waarom;
5. Kunt aangeven wat de inhoud is van het legaliteitsbeginsel;
6. Kunt vertellen wat de belangrijkste eisen zijn die voortvloeien uit of gegrond
kunnen worden op het specialiteitsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, het
gelijkheidsbeginsel en het onpartijdigheidsbeginsel;
7. Aan de hand van een voorbeeld kunt laten zien wat de betekenis is van de eis
van stelselmatigheid en de eis van minimale belangenaantasting;
8. Kunt uitleggen waarom het beginsel van individualiserende rechtsbedeling en
dat van actieve zorg in verbinding kunnen worden gebracht met het idee van
de ‘rechtsstaat’;
9. Kunt aangeven welke regels in het tekstboek tot het (algemeen deel van het)
bestuursrecht worden gerekend;
10.Kunt uitleggen wat met de ‘gelaagde structuur’ van de Awb wordt bedoeld;
11.Een gegeven bepaling uit de Awb kunt indelen bij een van de volgende
categorieën: dwingend, regelend, aanvullend of facultatief recht;
12.Kunt uitleggen wat normering in het bestuursrecht is;
13.De verschillende bronnen van normering in het bestuursrecht kent en deze in
relatie tot normering en rechtsvorming kunt uitleggen en toepassen;
14.De rechtsbeginselen kent en deze in relatie tot normering van het
bestuursrecht kunt uitleggen en toepassen;
15.Weet wat 'goed bestuur' is en dat kunt uitleggen en toepassen.
1. Bestuursrecht en de functies ervan
1.1 Wat is bestuursrecht?
Bestuursrecht is het recht voor, van en tegen het overheidsbestuur.
Besturen = het van overheidswege behartigen van het algemeen belang, waar
dit naar constitutionele en politiek-democratische maatstaven noodzakelijk wordt
geacht.
,Bestuur kent:
Microniveau: concrete beslissingen waarbij individuele belangen direct
betrokken zijn
Macroniveau: sturen van de samenleving via wet- en regelgeving
1.2 Functies van het bestuursrecht
1. Legitimerende functie
Bestuur moet een juridische grondslag hebben
Grondslag herleidbaar tot Grondwet en verdere wetgeving
Omvat: in leven roepen van bestuursorganen, toekennen van
bevoegdheden, regelen van procedures
2. Instrumentele functie
Recht als middel voor beleidsvorming en beleidsuitvoering
Vooral zichtbaar in het bijzonder bestuursrecht
3. Waarborgfunctie
Bescherming van de burger tegen overheidsmacht
Waarborgen uit bijzondere wet, Awb en ongeschreven beginselen
Bestuursrechter garandeert en reguleert deze waarborgen
2. Democratische rechtsstaat en bestuursrecht
De democratische rechtsstaat berust op gebondenheid aan het recht:
overheid handelt uitsluitend ter verwerkelijking van recht, op basis van het recht
en in overeenstemming met het recht.
2.1 De drie dimensies
1. Democratie
Zeggenschap burgers; vertegenwoordiging; inspraak; openbaarheid
2. Liberaal
Vrijheid; rechtszekerheid; rechtsgelijkheid
Basisbeginselen: wetmatigheid, machtsverdeling, grondrechten,
rechterlijke controle, voorlichting
3. Sociaal
Overheid moet sociale rechtvaardigheid mogelijk maken
Beginselen: effectiviteit, doelmatigheid
Dimensies spannen samen: geen enkele kan volledig worden verwezenlijkt
zonder de andere te beperken.
2.2 Verband met bestuursrecht
Overheid treedt alleen op als particulier initiatief tekortschiet
Overheid en samenleving strikt onderscheiden, maar vervaging door
privatisering
Publiekrecht: overheid handelt op basis van adequate juridische
grondslag en ter behartiging algemeen belang
,3. Structuur van het bestuursrecht
3.1 Bijzonder en algemeen deel
Bijzonder deel: concrete bevoegdheden, plichten, sectorale regels
Algemeen deel: abstracties en autonome onderwerpen; algemene regels
voor hele bestuursrecht
3.2 Doelstellingen van de Awb
Volgens art. 107 lid 2 Gw: stelt de Awb algemene regels van bestuursrecht vast.
Vier doelstellingen:
1. Harmonisatie
2. Systematisering/vereenvoudiging
3. Codificatie van jurisprudentie
4. Regeling van onderwerpen die niet in bijzondere wet passen
3.3 Gelaagde structuur van de Awb
Centrale begrippen (o.a. bestuursorgaan, besluit, belanghebbende)
vormen het fundament
Opbouw van algemeen naar bijzonder: specifieke normen moeten in
samenhang met algemene worden gelezen
Toepassingsbereik: primair art. 1:1 Awb; uitzonderingen in art. 1:6 Awb
4. Vier gradaties van harmonisatie
1. Dwingend recht
Geldt voor gehele bestuursrecht
Afwijking slechts bij wet in formele zin
Voorbeelden: art. 3:3, 3:40, 4:23, 4:26, 4:38, 8:24, 8:62, 8:78
2. Regelend recht
Standaardregeling voor normale gevallen; afwijking toegestaan
Voorbeelden: art. 2:6, 2:14, 4:24
3. Aanvullend recht
Geldt wanneer bijzonder recht zwijgt
Voorbeelden: art. 4:13, 3:6 lid 1, 4:44 lid 2
4. Facultatief recht
Alleen van toepassing bij expliciete keuze van bijzondere wet of
bestuursorgaan
Voorbeelden: afdeling 3.4, 4.28, 9.3
, 5. Fundamentele beginselen en uitgangspunten
(Beginselen van Behoorlijk Bestuur)
5.1 Legaliteitsbeginsel
Grondslag voor bestuur optreden moet juridisch zijn
Herleidbaar tot Grondwet en wet
Omvat: bevoegdheidsverlening, besluitvormingsprocedures
5.2 Specialiteitsbeginsel
Bevoegdheden dienen uitsluitend ter behartiging van specifiek
toegekend publiek belang
Grenzen voor belangenafweging via art. 3:4 lid 1 Awb
Geen open bestuursbevoegdheid; stelsel van afzonderlijke
bevoegdheden
Scheiding tussen publiek belang en particulier belang
5.3 Onpartijdigheid – art. 2:4 Awb
Bestuur moet zonder vooringenomenheid handelen
Plicht tot voorkomen van beïnvloeding door personen met persoonlijk
belang
5.4 Gelijkheidsbeginsel
Gelijke gevallen gelijk, ongelijke ongelijk
Toets in twee fasen:
1. Vergelijkbaarheidstoets
2. Rechtvaardigingstoets
Gebaseerd op art. 1 Gw en ongeschreven recht
5.5 Rechtszekerheidsbeginsel
Voorspelbaarheid, helderheid, consistentie van regels en toepassing
Nauw verweven met legaliteit en motiveringsplicht