Wat is de pathofysiologie van epilepsie?
Een epileptische aanval ontstaat door een plotselinge, tijdelijke en excessieve
elektrische ontlading van een groep zenuwcellen in de hersenen. Epileptische
ontladingen kunnen ontstaan ten gevolge van een verstoorde werking van
ionenkanalen in het celmembraan of een verstoorde balans in de
neurotransmitters. Met name spelen hier de Na+ en CA2+ kanalen een rol.
Neuronen worden aangestuurd door neurotransmitters. Bij epilepsie zijn er 2
belangrijke neurotransmitters: Glutamaat zorgt voor stimulatie van de neuronen.
GABO zorgt voor remming van deze neuronen. Als hier iets in mis gaat, kunnen
alle neuronen tegelijk “vuren” en ontstaat er een epileptische aanval.
Anti-epileptica richtten zich op het beïnvloeden van deze mechanismen. Een
oorzaak van epilepsie bij de vrouw is in meer dan de helft van de gevallen niet
aan te wijzen. Soms is een hersenaandoening de oorzaak zoals een hersentumor,
hersenbloeding- of infarct of hersenvliesontsteking. Het is ook mogelijk dat alleen
een (erfelijke) aanleg de oorzaak is van de epilepsie: omdat de drempel voor een
aanval bij deze personen laag is, kunnen uitlokkende factoren zoals slaaptekort
en hormonale veranderingen een aanval vervolgens triggeren.
Er bestaat een relatie tussen epilepsie en de vrouwelijke hormonen oestrogeen
en progesteron. Door hormonale veranderingen kan de frequentie van de
aanvallen daarom toe- of afnemen. Bij gevoeligheid voor hormonale
veranderingen, wat niet geldt voor alle vrouwen, komt de epilepsie vaak na de
menopauze tot rust
Een epileptische aanval betekent niet per definitie dat iemand epilepsie heeft.
Pas bij 2 of meer aanvallen, die niet door iets anders veroorzaakt worden,
spreken we van epilepsie.
Wat is epilepsie?
De Nederlandse Vereniging van Neurologie (NVN) definieert epilepsie als een
ziekte van de hersenen die wordt vastgesteld als wordt voldaan aan één of meer
van de volgende voorwaarden:
1. Minstens twee niet uitgelokte of minstens twee reflexaanvallen met een
periode tussen de aanvallen van meer dan 24 uur.
2. Eén niet uitgelokte aanval of één reflexaanval waarbij de kans op verdere
aanvallen zeer groot is (de kans op een aanval is de komende 10 jaar
minstens 60%).
3. De diagnose van een epilepsiesyndroom (een vorm van epilepsie met een
bepaald type aanvallen, kenmerkende EEG-patronen en ontstaat vaak rond
een bepaalde leeftijd, bijv. juveniele myoclonus epilepsie).
Epilepsie kan van voorbijgaande aard zijn. Vrouwen hebben geen epilepsie meer,
en hun zwangerschap wordt daarmee als laag-risico geacht, indien zij:
- Aanvalsvrij zijn voor tenminste 10 jaar en tenminste de laatste 5 jaar geen
anti-epileptica gebruiken
Of wanneer zij:
- De volwassen leeftijd aanvals- en medicatievrij bereiken bij een
epilepsiesyndroom uit de kindertijd.
, Epilepsie kan zich op zeer verschillende manieren uiten. Classificatie van de
epilepsie is belangrijk voor de keuze voor de meest gepaste medicatie. De
International League Against Epilepsy (ILAE) heeft in 2017 een nieuwe
classificatie van aanvalstypen opgesteld. Aanvallen worden ingedeeld afhankelijk
van waar ze in de hersenen beginnen, de gewaarwording wel of niet is aangetast
en de waarneming van motorische verschijnselen. Epileptische aanvallen hebben
een focaal of een gegeneraliseerd begin (een onbekend begin is ook mogelijk).
Aura
Voelen aankomen van aanval. Bijvoorbeeld het voelen opstijgen van warmte,
dingen ruiken of zien die er niet zijn. Dit is al het begin van een epileptische
aanval.
Focale aanvallen
Bij een focale aanval begint de epileptische activiteit op één plaats in de
hersenen of in 1 hemisfeer (dit kan zich eventueel later verspreiden over de rest
van de hersenen), waarbij de gewaarwording wel of niet intact is. De
verschijnselen hangen af van het hersengebied waarin de epileptische activiteit
plaatsheeft. Bij de meeste mensen verlopen de focale aanvallen steeds op
dezelfde manier en zijn het tijdstip van de dag, het verloop van de verschijnselen
achter elkaar, de duur en de herstelfase steeds hetzelfde
Gegeneraliseerde aanval
Bij een gegeneraliseerde aanval is de epileptische activiteit direct in alle
hersengebieden aanwezig. Hierbij kunnen motorische verschijnselen
zichtbaar zijn. Kan ontstaan door een focale aanval die zich uitbreidt
secundaire gegeneraliseerde aanval. Kan ontstaan vanuit een hersen
knooppunt (bijv. thalamus)
Een tonisch-clonische aanval start met een plotseling verlies van
gewaarwording en heeft een fase van verstijving (tonische fase) waarop
trekkingen volgen (clonische fase). Vaak treedt cyanose op. Na de aanval
is meestal sprake van hoofdpijn en een onbedwingbare slaapbehoefte.
Bij een myoclonische aanval gaan de spieren in de armen en/of benen vrij
plotseling schokken; het kan gaan om één schok of een hele serie
schokken. De aanval duurt kort en mensen herstellen daarna snel.
2 soorten:
Absence
- “Korte” afwezigheid van 3-30 seconden
- Komt vaker bij kinderen voor
- Plotselinge start en einde van aanval
- Soms kleine subtiele schokjes in handen
- Soms licht vooroverbuigen van hoofd
- Wegdraaien of knipperen met ogen
- Kort bewustzijnsverlies, maar niet omvallen
Tonisch-clonische aanval
Spierverkramping (tonische fase)
- Verlies van bewusteloosheid
- Vallen
- Spierschokken in armen, benen en gezicht (clonische fase)
- Schuimende mond
- Langzaam weer bij bewustzijn komen (post-ictale fase)