Leerdoelen:
1. Fysiologie van de bloedsomloop herhalen
a. Foetaal bloedsomloop naar volwassen bloedsomloop (transitie)
2. Anatomie van het hart
3. Aangeboren hartafwijkingen zie moodle
a. Pathofysiologie
b. Symptomen
c. Op korte termijn beleid, wat leg je de ouders uit
d. https://www.cyberpoli.nl/aha/medisch/watisaha
4. Beleid rondom zwangerschap, bevalling en postpartum bij een maternale hartafwijking
a. Afbeelding moodle
b. Invloed van de hartafwijking op de zwangerschap
5. Verworven hartgebreken
a. Hartziekten door reuma en endocarditis
b. Ischemische hartziekten zoals hartinfarct
c. Cardiale complicaties zoals hartritmestoornissen
Beleid, risico’s en complicaties rondom zwangerschap
6. Mechanisme van hartfalen en decompensatiocordis
Normale anatomie
Het hart is een dikke, sterke spier die bestaat uit vier holtes; beneden twee kamers en
daarboven twee boezems. De belangrijkste functie van het hart is het lichaam voorzien van
zuurstofrijk bloed. Het bloed stroomt vanuit grote aders de boezems binnen en van daaruit
stroomt het verder naar de kamers. In de kamers wordt het bloed door een samentrekkende
beweging de slagader ingepompt.1
De slagaders leiden het bloed door je hele lichaam.
Door de pompende werking van het hart kan het
bloed alle cellen, overal in het lichaam, van zuurstof
en voedingsstoffen voorzien. Ook kunnen de cellen
hun afvalstoffen weer kwijt in het bloed.
Hoe ontwikkelt een normaal hart zich tijdens de
zwangerschap?
In de derde week van de zwangerschap begint de
ontwikkeling van het hart en de vaten. Het hart is
dan nog een rechte buis. Vervolgens kromt de
hartbuis zich en vormt twee wijde delen. Deze zullen
later de boezems en de kamers gaan vormen.
De belangrijkste tussenschotten van het hart worden tussen de 4e en 6e week gevormd. Het
tussenschot tussen de boezems groeit van boven naar beneden en stopt vlak boven de
kamers. Van onderaf kruipt vervolgens weefsel omhoog om het tussenschot tussen de
boezems compleet te maken. Voordat deze sluiting volledig is ontstaat er een nieuwe
opening met een klep, hoger gelegen in het tussenschot, het foramen ovale. Het tussenschot
dat zich tussen de kamers vormt is helemaal dicht.
Daarna worden de kleppen tussen de boezems en de kamers gevormd. En tussen de 5e en
7e week de kleppen tussen de kamers en de grote vaten. In deze periode ontwikkelt het hart
zich verder. Het gaat steeds meer lijken op het hart in zijn definitieve vorm. Voor de 12e
levensweek is het hart volledig aangelegd.
Het normale hart
Het normale hart heeft twee tussenschotten, twee kamers, twee boezems en vier kleppen.
De linker- en de rechterharthelft zijn van elkaar gescheiden door twee tussenschotten (het
septum). Hierdoor hebben het zuurstofrijke en -arme bloed hun eigen omloop en kunnen niet
met elkaar mengen. De kamer en boezem, zowel links als rechts, zijn gescheiden maar
,staan met elkaar in verbinding door een klep. De klep gaat open als het bloed vanuit de
boezem de kamer instroomt. De klep sluit als de kamer het bloed de slagader inpompt, zodat
dát de enige uitgang is en het bloed niet in de boezem kan terugstromen. Tussen de
slagader en de kamer zit ook een klep. Die opent als de kamer zich samentrekt en het bloed
vanuit de kamer de slagaders instroomt. De klep sluit weer als de kamer zich ontspant en
zich met bloed vanuit de boezem vult. De linkerkamer pompt het bloed door het hele
lichaam. Daar is kracht voor nodig en de linkerkamer is daarom goed ontwikkeld met een
sterke en dikke hartspierwand. De rechterkamer hoeft niet zoveel kracht te zetten en heeft
een dunnere hartspierwand.
Hoe stroomt het bloed na de geboorte?
Door het samentrekken van de hartspier pompen de kamers het bloed elk een eigen richting
op. Er zijn dan ook twee gescheiden bloedsomlopen. De linkerkamer pompt het bloed in de
grote lichaamsslagader (grote bloedsomloop of grote circulatie) en de rechterkamer pompt
het bloed in de grote longslagader (kleine bloedsomloop of kleine circulatie).
De kleine circulatie, ook wel de longcirculatie
Vanuit de rechterkamer stroomt het zuurstofarme bloed de grote longslagader in. De
longslagader vertakt zich in twee slagaders, één voor de rechter- en één voor de linkerlong.
Zo stroomt het bloed door beide longen om daar de stoffen af te geven die het kwijt moet aan
de longen (bijvoorbeeld kooldioxide) én om zuurstof op te nemen. Het bloed, verzadigd van
zuurstof, stroomt weer terug via aders naar het hart en komt terecht in de linkerboezem. Van
de linkerboezem stroomt het bloed naar de linkerkamer en gaat vervolgens verder in de
grote circulatie. Het bloed in de kleine circulatie legt een kortere weg af, daardoor is de druk
in de rechterharthelft lager dan in de linkerharthelft.
De grote circulatie, ook wel de lichaamscirculatie
Vanuit de linkerkamer stroomt het zuurstofrijke bloed de grote lichaamsslagader (aorta) in om
zich vervolgens via kleinere slagaders over je hele lichaam te verspreiden, zoals je hoofd,
armen, buik, benen, etc. Onderweg verzamelen de organen en cellen bouwstoffen en
zuurstof uit het bloed, voor eigen verbruik, en ontdoen zij zich van afvalstoffen. Het
zuurstofarme bloed stroomt via aders weer terug naar het hart en komt terecht in de
rechterboezem. Van de rechterboezem stroomt het bloed naar de rechterkamer en gaat
vervolgens verder in de kleine circulatie. Doordat het bloed in de grote circulatie een lange
weg moet afleggen, namelijk door het gehele lichaam, dus van top tot teen, is de druk in de
linkerharthelft hoger dan in de rechterharthelft.
Voor de geboorte
Voor de geboorte leeft een baby in het vruchtwater in de baarmoeder. Het bloed van de
moeder voorziet de baby van voedingsstoffen en zuurstof via de moederkoek (de placenta).
De moederkoek haalt de stoffen uit het bloed van de moeder en geeft ze via een vat in de
navelstreng door aan het bloed van de ongeboren baby. De afvalstoffen en gebruikte gassen
(zoals kooldioxide) verlaten de ongeboren baby via de omgekeerde weg. Dus via de
navelstreng door de moederkoek naar het bloed van de moeder. De organen van de moeder
verwerken de afvalproducten verder.
De ongeboren baby krijgt dus zuurstofrijk bloed via de moeder en hoeft niet zelf te ademen.
De longen worden voor de geboorte nog niet gebruikt en zijn nog niet ontplooid. Ze zijn
ingevallen en gevuld met vruchtwater. De longen liggen als het ware samengedrukt in de
borstholte. Hierdoor zijn de bloedvaten in het longweefsel ook samengedrukt, waardoor een
,hoge druk in de vaten ontstaat. Door de hoge druk in deze vaten (het longvaatbed) kan er
maar weinig bloed door de longen stromen.
Hierdoor stroomt het bloed vanuit de rechterkamer de longslagader in waarna een klein deel
doorstroomt naar de longen en een groot deel via een verbindend bloedvat, de ductus
arteriosus, naar de aorta. Dit bloed stroomt verder door het gehele lichaam.
Ductus arteriosus en foramen ovale
De ductus arteriosus is een verbindend bloedvat tussen de longslagader en de aorta, dat
voor de geboorte bestaat en in de eerste dagen na de geboorte sluit. Daarnaast qstroomt er
bloed van de rechterboezem naar de linkerboezem door een opening in het tussenschot, het
foramen ovale. Hierdoor stroomt al een deel van het bloed van de rechterharthelft naar de
linkerharthelft.
Veranderingen na de geboorte
De omslag naar de twee gescheiden bloedstromen, waarbij de rechterharthelft het bloed
door de longen en de linkerharthelft het bloed door het lichaam pompt, ontstaat pas na de
geboorte. Na de geboorte wordt de baby immers van de moeder gescheiden doordat de
navelstreng doorgeknipt wordt. De baby krijgt dan geen zuurstofrijk bloed meer van de
moeder. Dit is een prikkel voor de baby om zelf te gaan ademen. De baby gaat huilen en
haalt diep adem, waardoor de longen zich ontvouwen.
Als de longen volledig ontplooid zijn, is het longweefsel niet meer samengedrukt. Ook de
longvaten zijn niet langer samengedrukt, waardoor de druk in de vaten daalt. Hierdoor zal
veel bloed door de longslagader naar de longen kunnen stromen. Het bloed uit de
rechterkamer kan nu dus heel gemakkelijk de longslagader instromen. Vervolgens gaat de
ductus sluiten. De bloedstroom door de ductus arteriosus neemt af en stopt uiteindelijk. Ook
sluit de opening tussen beide boezems, het foramen ovale, doordat meer bloed via de
longen in de linkerboezem terugkomt, waardoor de klep als het ware wordt dichtgedrukt. Nu
is de definitieve circulatie tot stand gekomen zoals beschreven in nageboorte.
Wat is de fysiologie van de transitie van de foetale en
neonatale bloedsomloop?
Sommige van de unieke kenmerken van de foetale circulatie moeten zich bij de geboorte, of kort
daarna, aanpassen, wil het pasgeboren kind zelfstandig kunnen overleven. Deze aanpassing aan
het leven buiten de uterus hangt grotendeels af van de wisselwerking tussen het cardiovasculaire
systeem en het ademhalingssysteem:
- De scheiding van de neonaat van de placentale circulatie resulteert in de stopzetting van
de bloedstroom die bijdraagt tot de instorting van de navelstrengader en -slagaders. De
ductus venosus en de hypogastrische slagaders fibroseert geleidelijk, waardoor
steunbanden ontstaan.
- Het aanvankelijk gelijktrekken van de druk in de twee boezems houdt de flap van het
foramen ovale op zijn plaats, waardoor het terugstromen van bloed van de rechter- naar
de linkerboezem stopt. Het foramen ovale kan echter weer opengaan en enkele dagen of
weken patent blijven, vooral als de druk in de linkerboezem daalt.
- Als de baby zijn eerste adem uitblaast, zetten de longen uit en wordt zuurstofrijke lucht
ingeademd. Dit verplaatst het longvocht verder en zet mechanismen in werking die
essentieel zijn voor een doeltreffende ademhaling en longgasuitwisseling. Het
zuurstofgehalte van het bloed neemt toe, wat leidt tot vaatverwijding in het pulmonale
vaatbed. Als gevolg daarvan daalt de pulmonale vasculaire weerstand (PVR) met 80%,
waardoor de pulmonale bloedstroom dramatisch toeneemt.
, - Tegelijkertijd neemt de hoeveelheid bloed die via de ductus arteriosus wordt gerangeerd
af en, als de zuurstofspanning in het bloed stijgt, vernauwt het zuurstofgevoelige vezelige
weefsel in deze ductus zich, waardoor dit korte bloedvat uiteindelijk wordt afgesloten. Bij
sommige pasgeborenen kan de doorgankelijkheid van de ductus arteriosus nog enkele
dagen of weken voortduren, vooral bij te vroeg geboren kinderen en bij kinderen met
cardiovasculaire en respiratoire afwijkingen.
De verouderde structuren hervormen zich en dienen als ligamenten op de volgende manier:
- De v. umbilicalis wordt het ligamentum teres.
- De ductus venosus wordt het ligamentum venosum.
- De ductus arteriosus wordt het ligamentum arteriosum.
- Het foramen ovale wordt de fossa ovalis.
- De hypogastrische slagaders staan bekend als de uitgezette hypogastrische slagaders.
Als deze structurele veranderingen permanent worden, ontstaan de volgende foetale
structuren:
- De a. umbilicalis wordt het ligamentum teres.
- De ductus venosus wordt het ligamentum venosum.
- De ductus arteriosus wordt het ligamentum arteriosum.
- Het foramen ovale wordt de fossa ovalis.
- De hypogastrische slagaders worden de uitgebluste hypogastrische slagaders, behalve de
eerste paar centimeter, die openblijven en bekend staan als de superieure vesicale
slagaders.
Aanpassing aan het leven buiten de baarmoeder omvat ook:
- Handhaving van de voedingstoestand door het geven van borstvoeding.
- Afvoer van afvalstoffen via de nieren en het maagdarmstelsel.
- Vestiging van de portaal- en lever circulatie
- Temperatuurregeling
- Communicatie ontwikkeld door ouder-baby interacties.
Een succesvolle overgang van het foetale naar het extra-uteriene leven is afhankelijk van
een geleidelijke aanpassing van de foetale circulatie. Onder normale omstandigheden vinden
binnen de eerste 60 seconden onmiddellijke veranderingen plaats, hoewel de volledige
cardiovasculaire transformatie enkele weken of maanden kan duren.
De eerste ademhaling van de pasgeborene, gevolgd door een aanhoudende spontane
ademhaling, draagt bij tot de succesvolle overgang door ervoor te zorgen dat de longen
voldoende zuurstofrijke lucht bevatten om de long gasuitwisseling te ondersteunen.
Daarnaast moeten er verschillende anatomische veranderingen plaatsvinden, die specifieke
cardiovasculaire structuren sluiten en een dubbel circulatie netwerk tot stand brengen.
Foramen ovale
Het stoppen van de navelstrengbloedstroom veroorzaakt een stopzetting van de stroom in
de ductus venosus en een daling van de druk in het rechteratria. Bij de eerste ademteugen
ontplooien de longen zich en wordt de vaatweerstand in de longen minder. Hierdoor komt de
longcirculatie op gang. Als de baby zijn eerste adem uitblaast, wordt het bloed via de a.
pulmonalis door het longstelsel gezogen, waardoor de druk in het linker atria toeneemt, door
de toegenomen bloedtoevoer via de v. pulmonalis. Door de hoge druk die in het linkeratrium
ontstaat wordt het foramen ovale gesloten. Daarnaast vervalt de placentacirculatie, waardoor
de bloedstroom van de vena cava naar het rechter atrium afneemt. Dit bevordert ook de
sluiting van het foramen ovale. De verminderde bloedstroom naar de rechterboezem
veroorzaakt een daling van de druk in de rechterboezem. Aangezien de bloedstroom door de
hypogastrische slagaders ophoudt, wordt een aanzienlijke hoeveelheid bloed opgesloten in
kleinere compartimenten van het systeem, waardoor de systemische vasculaire weerstand
(SVR) toeneemt en de veneuze en arteriële terugvoer naar het hart en de longen verbetert.