H1 de kennisbasis Nederlandse taal
De leerstof is verdeeld in 9 domeinen:
1. Mondelinge taalvaardigheid (spreken en luisteren)
2. Woordenschat (aanleren van de betekenis van nieuwe woorden, spreekwoorden, zegswijzen
en uitdrukkingen)
3. Beginnende geletterdheid (vermogen om schriftelijke taal te begrijpen en gebruiken) bestaat
uit 3 fases:
• Ontluikende geletterdheid (ontwikkeling van 0-4 jaar)
• Beginnende geletterdheid (ontwikkeling in groep 1-3)
• Gevorderde geletterdheid (ontwikkeling in de periode na groep 3).
4. Voortgezet technisch lezen (kunnen ontcijferen van de letters en hardop lezen van de
woorden, efficiënte leesstrategieën)
5. Begrijpend lezen (het begrijpen van de tekst).
6. Stellen (schrijven van teksten)
7. Jeugdliteratuur (leesplezier en belevend lezen staan centraal)
8. Taalbeschouwing (reflecteren op de taalvorm)
9. Spelling (correct schrijven van woorden)
De toets is een meerkeuze toets met 80 vragen. Kennis over didactiek wordt niet getoetst. De toets
bestaat voornamelijk uit vragen waarin je begrip moet hanteren.
H2 taalonderwijs en taal
Taalronde: een manier van werken waarin veel domeinen van het taalonderwijs samenkomen.
Taalonderwijs in de basisschool → veel tijd, maar vooral naar lezen en spellen. Argumenten voor
apart onderwijs in taal:
• Schriftelijke taalvaardigheid leren kinderen niet spontaan
• Niet alle kinderen kunnen zich zelfstandig een niveau van taalvaardigheid eigen maken.
• Op school leer je een ander soort taalgebruik dan in het dagelijks leven.
• Bepaalde taalvormen leer je alleen met behulp van taalonderwijs.
• Als je kinderen plezier in lezen wilt bijbrengen moet je daar apart aandacht aan besteden.
Er zijn 3 kerndoelen die zijn opgenomen in de wet primair onderwijs: mondeling onderwijs,
schriftelijk onderwijs en taalbeschouwing.
Taal: is communicatie en gebruiken we om iets over te brengen. Functies van taal:
• Communicatieve of sociale functie → contact maken met andere mensen. Het vermogen om
de communicatieve functie te gebruiken noemen we communicatieve competentie. Er zijn
verschillende sociale taalfuncties:
o Zelfhandhaving (bv. Voor jezelf opkomen)
o Zelfsturing (bv. Met woorden je handelen ordenen en plannen aankondigen)
o Sturing van anderen (bv. Vragen ga je mee?)
o Structurering van het gesprek (bv. Nu moet je zeggen wat je wil kopen)
, • Conceptualiserende of cognitieve functie → gedachten ordenen. Er zijn 3 cognitieve
taalfuncties:
o Rapporteren (verslag doen van iets wat je in werkelijkheid voorkomt)
o Redeneren (een extra denkstap toevoegen aan rapporteren, bv. Conclusie of
chronologisch maken)
o Projecteren (je verplaatsen in de gedachten en gevoelens van een ander)
• Expressieve taal functie→ taal wordt gebruikt als expressiemiddel (om je te uiten).
Communicatieve competentie bestaat uit:
• Grammaticale competentie → ook wel linguïstische competentie. Omvat alle kennis van taal
en taalregels.
• Tekstuele competentie → kennis van gesproken en geschreven tekst (hoe begin en eindig je
een gesprek)
• Strategische competentie → een strategie hanteren om een doel te bereiken. Bv.
Overtuigen.
• Functionele competentie → taalgebruik aanpassen naar een specifieke situatie.
Strategische en functionele competentie zijn pragmatische competenties.
H3 mondelinge taalvaardigheid
Taal verwerven volgens theorie behaviorisme: kinderen leren taal door imitatie en positieve
bekrachtiging op praten.
Taal verwerven volgens creatieve constructie theorie: ook wel mentalisme. Zegt dat kinderen
beschikken over een aangeboren taalvermogen waarmee ze op een creatieve manier zinnen kunnen
bouwen.
Taal verwerven volgens theorie interactionele benadering: beschrijft ook het aangeboren
taalleervermogen, maar taalaanbod van de omgeving en interactie met anderen is van belang.
Taalniveaus:
• Fonologisch niveau → start taalontwikkeling door vormen van klanken
• Semantisch niveau → betekenis van woorden.
• Syntactisch niveau→ volgorde van woorden. Kinderen leren regels over combineren van
woorden. (vanaf 5 jaar gebruik samengestelde zinnen).
• Morfologisch niveau → opbouw van woorden. Kinderen leren regels voor vervoegingen en
verbuigingen.
• Pragmatisch niveau → gebruik van taal en de communicatie tussen mensen.
• Orthografisch niveau → spelling.
2 perioden in het taalverwervingsproces:
1. Prelinguale periode (0-1 jaar) → ze spreken nog niet. Vanaf 9 maanden worden er klanken
geproduceerd. Er is wel communicatie door huilen, vocaliseren (oefenen met klanken),
vocaal spel (een soort interactie met anderen door klanken) en brabbelen.
2. Linguale periode
• Vroeglinguale periode (1-2,5 jaar) → brabbelen gaat over in betekenisvol
taalgebruik. Communicatie door eenwoordzin, tweewoordzin en meerwoordzin