Oefentoets Blok 8
Public health, diabetes, obstetrie, erfelijkheid, congenitale afwijkingen, oncologie, fertiliteit, schildklier en auto-
immuunziekten
Instructie: beantwoord alle vragen. Bij meerkeuzevragen is één antwoord juist, tenzij anders vermeld. Gebruik bij
open vragen kernwoorden en leg kort uit.
Meerkeuzevragen (30 punten)
1. Wat is homeostase bij glucoseregulatie?
A. Het volledig uitschakelen van insulineproductie
B. Het in balans houden van de glucosespiegel gedurende de dag
C. Het opslaan van alle glucose als vet
D. Het verhogen van de bloeddruk na het eten
2. Welke cellen in de eilandjes van Langerhans maken insuline?
A. Alfacellen
B. Bètacellen
C. Deltacellen
D. Exocriene cellen
3. Welke term hoort bij het omzetten van glycogeen naar glucose?
A. Glycogenese
B. Glycogenolyse
C. Lipogenese
D. Osmose
4. Wat is kenmerkend voor diabetes mellitus type 1?
A. Insulineresistentie door obesitas
B. Auto-immuunreactie tegen bètacellen
C. Alleen een verhoogd cholesterol
D. Altijd ontstaan na de zwangerschap
5. Welke klacht past bij hyperglycemie?
A. Polyurie
B. Bradypneu
C. Hypothermie
D. Blindheid vanaf geboorte
6. Wanneer wordt een OGTT bij screening op diabetes gravidarum meestal gedaan?
A. 8-10 weken
B. 16 weken bij iedereen
C. 24-28 weken
D. Na 40 weken
, Oefentoets Blok 8
7. Wat is een belangrijke risicofactor voor diabetes gravidarum?
A. BMI boven 30 bij eerste controle
B. Bloedgroep O-negatief
C. Lage maternale leeftijd alleen
D. Eerdere hyperemesis gravidarum
8. Wat is macrosomie?
A. Een te klein kind voor de zwangerschapsduur
B. Een te groot kind
C. Een afwijking aan de schedel
D. Een placenta die te vroeg loslaat
9. Bij schouderdystocie is fundusexpressie:
A. Eerste keus
B. Alleen toegestaan bij primiparae
C. Gecontra-indiceerd
D. Verplicht na McRoberts
10. Wat is een status epilepticus?
A. Een aanval die altijd focaal blijft
B. Een aanval die niet stopt of overgaat in een volgende aanval
C. Een aanval zonder bewustzijnsverlies die minder dan 10 seconden duurt
D. Een insult door lage bloeddruk
11. Welke medicatie wordt bij epilepsie in de zwangerschap liever vermeden vanwege teratogene/neuro-
ontwikkelingsrisico’s?
A. Lamotrigine
B. Levetiracetam
C. Valproaat
D. Foliumzuur
12. Wat is het belangrijkste middel om herhaling van een eclamptisch insult te voorkomen?
A. Magnesiumsulfaat
B. Paracetamol
C. Oxytocine
D. Insuline
13. Wat gebeurt er bij een VSD?
A. Er is een gaatje tussen beide ventrikels
B. De aorta is vernauwd
C. De longslagader en aorta zijn omgewisseld
D. De ductus arteriosus sluit te vroeg
14. Welk teken past bij centrale cyanose?
A. Blauwe lippen, tong en slijmvliezen
B. Alleen een bleekblauw waas rond de mond bij drinken
C. Rode wangen
D. Gele sclerae