Hoorcollege 1
Filosofie; de verschillende definities
Plato en Aristoteles:
o Filosofie is de radicalisering van de verwondering. Verwondering in het extreme
doorvoeren.
o Verwondering: stilstand in denken. Dit treedt op als de vertrouwdheid wegvalt.
o Niet verklaren, maar schouwen; methodisch en systematisch ordenen van de ervaring.
Kant
- Maakt een onderscheid tussen verstand en rede, filosofie als kritische houding.
(Verlichting; sapere aude: durf te denken);
o Verstand: vatten wat in de zintuigen in gegeven (middel om een doel te bereiken).
Rekenmachine.
o Rede: begrijpt wat in de zintuigen is gegeven (zoekt naar inzicht en begrip).
Wittgenstein:
- Filosofie is een strijd tegen de beheksing van ons verstand door de middelen van taal.
o Taal bepaalt hoe we denken. Legs of table vs. tafelpoten (tafelkleden).
o Filosofie: taalanalyse om taalgebruik te ontrafelen en aannames te ontmaskeren.
Overeenkomsten tussen de verschillende definities:
o Vraagtekens zetten bij dat wat vanzelfsprekend lijkt.
o Zeker wanneer een model of een visie op grenzen stuit.
o Dan kritisch naar de veronderstellingen kijken.
o Resultaat: redelijk verworven inzicht en begrip.
Filosofie en de vakwetenschappen
o Wetenschappelijke onderzoek naar intelligentie: is hersenvolume wel de manier om
intelligentie te meten? (opzoek naar het onderliggende).
o Wetenschappelijk onderzoek naar gehechtheid. (gaat uit van cultureel bepaalde
aannames.)
o Imperialisme van economische denkwijze. Kosten-baten analyse over allerlei
problemen. (gaat ervan uit dat mensen voor en nadelen lijstjes maken).
Vakwetenschappelijke vragen en filosofische vragen.
o Vakwetenschappelijk: stellen het onderliggende kader niet ter discussie
o Filosofische vragen doen dat wel.
Hoe worden filosofische vragen beantwoord?
o In kaart brengen van begrippenkader, helder analyseren, grotere verbanden leggen,
diverse perspectieven zien en het opsporen van vooronderstellingen;
o Maar het is moeilijk om de meest vanzelfsprekende vooronderstellingen op te
sporen. Nog moeilijker om deze ter discussie te stellen.
,Twee hoofdlijnen
1. Geschiedenis van de filosofie
2. Filosofische aspecten van de Pedagogiek
Geschiedenis van de filosofie in drie tijdvakken
o Oudheid en Middeleeuwen; ware werkelijkheid in stabiele universele en kenbare
principes. (wel of geen abortus-> heilige schrift)
o Moderne tijd; waarheid moet je niet buiten je zelf zoeken; die ligt in jezelf. (wel of
geen abortus-> zelf beargumenteren)
o Hedendaagse tijd: wat waar is hangt af van het perspectief en wordt voor een
belangrijk deel bepaald door niet te beheersen krachten en machten.
Oudheid en middeleeuwen:
o Oudheid:
o Socrates, Plato en Aristoteles
o Een ware rationeel inzichtelijke orde.
o Middeleeuwen:
o Augustinus en Thomas van Aquino
o Een absolute bovennatuurlijke orde.
Moderne tijd:
o De mens staat centraal (subject).
o Descartes, Hume, Kant en Rousseau; de wending naar het subject.
Hedendaagse tijd
o Decentrering van het subject; de mens wordt bepaald door niet te beheersen krachten
en machten.
o Satre en Foucault (vrijheid en dwang)
o Freud en Lacan (autonomie)
o Levinas (de ander)
o Ricoeur (verantwoordelijkheid)
Filosofische aspecten van de pedagogiek
o Gaat het om scholing of vorming?
o Gaat onderwijs altijd uit van bepaalde waarden?
o Biedt pedagogiek verklaringen of juist inzicht?
o Hoe wordt onze identiteit gevormd?
o Wat is opvoeden eigenlijk?
Het belang van een correct argument:
Een argument moet voldoen aan bepaalde voorwaarden:
o Eerste voorwaarde: er is een claim en er zijn gronden en die gronden passen bij een
claim. Bewering met onderbouwing.
o Argumentatie moet logisch kloppen.
, o De waarheid van de argumentatie; gronden moeten feiten zijn.
ZSO 1- X
Belangrijke informatie teksten
Een deskundige leerkracht (eigentijds)… (kennis)
1. Heeft kennis verworven over de wereld; d.m.v.. kennis over de ander; didactische en
pedagogische kennis, zelfbetrokkenheid en het steeds vernieuwen van de kennis.
2. Handelt correct; laat zich laat zich inhoudelijk, didactisch en pedagogisch leiden door
kennis. Verder is gezag belangrijk; leerkracht distantieert zich van leerlingen die niet over
deze deskundigheid beschikken. Het gezag is gebaseerd op de kennis van zaken; niet-
deskundigen zijn afhankelijk van de leerkracht.
3. Heeft naast een onderwijskundige taak ook een pedagogische of opvoedkundige opdracht;
waarden en normen enzovoort.
4. Droomt ervan dat het leerkrachtenberoep wordt geprofessionaliseerd.
Voor de leerkracht-als-meester (oneigentijds)…
1. Staat zorg centraal; de wereld wordt opgevat als datgene wat om zorg vraagt. (Zo heeft
een docent Nederland zorg voor de taal). Hierbij komen de aspecten respect, overgave en
passie samen (=liefde voor het vak).
Respect voor de aard van de zaak waarbij de meester zich overgeeft en wordt
begeesterd door zijn/haar vak.
2. Is de relatie tot het zelf belangrijk waarbij er sprake is van reflexiviteit en
zelfbetrokkenheid. Er zijn verschillende soorten reflexiviteit:
a. Herinnering; het verleden wordt gezien als drager van de waarheid en
dit moet aangezet worden door een herinnering.
b. Methode: het zoeken van een permanent criterium waarop waarheid
georganiseerd kan worden. Dit past bij de leerkracht als deskundige.
c. Meditatie; een oefening waarin na wordt gegaan of het denken en doen
overeenstemt met elkaar en dit probeert na te streven.
De basishouding in de meesterschap is verder gericht op:
Belichaamd weten: in meesterschap wordt kennis belichaamd; geen automatisme of
routine. De meester gaat helemaal op in datgene waarmee hij bezig is.
Perfectie: heeft te maken met juistheid in de vorm van gepastheid. Dit hangt af van de
aard van de situatie en gaat dus verder dan de criteria die opgesteld worden en of het
antwoord correct is. Hiervoor moet je dus aanwezig zijn (meditatie).
In de film Le Fils is een pedagogische wending: de leerling blijkt de moordenaar van de zoon
van de leerkracht. Hierbij wordt in de tekst in gegaan op de lichtheid van het opvoeden.
Zwaartekracht staat voor het feit dat daden uit het verleden opgeheven kunnen worden, zodat
er lichtheid is voor iets nieuws. Verder wordt de werkelijkheid in een nieuw licht geplaatst en
wordt de geest verlicht. Ten slotte verwijst lichtheid naar de manier van opvoeden; gewoonlijk
en tussen de regels door.
, Opdrachten
2. Filosofie en pedagogiek
A. Ik zou de vraag “Wat is filosofie?” als volgt beantwoorden:
Filosofie is een kritische houding waarbij achter vanzelfsprekende veronderstellingen
binnen het leven vraagtekens worden gezet om zo buiten de grenzen van een model te
treden en inzicht en begrip te krijgen door niet alleen het gebruiken van het verstand,
maar ook de rede. Er wordt een stapje achteruit gedaan.
B. Een pedagoog zou het volgende aan filosofie kunnen hebben:
- Door terug te gaan naar waar bepaalde opvoedingstechnieken zijn ontstaan en wat
hier de reden voor was, kan hier kritisch naar worden gekeken vanuit het huidige
tijdperk. Hiermee kan worden vooruit gegaan in de opvoeding. Je kijkt in je
achteruitspiegel om veilig vooruit te kunnen gaan.
- Door onderliggende kaders ter discussie te stellen kom je achter bepaalde
aannames. Binnen de pedagogiek kan dit helpen bij bepaalde theorieën; zo gaat de
gehechtheidstheorie uit van bepaalde culturele aannames.
- Door kritisch te kijken naar de pedagogiek kan er geprobeerd worden om
antwoord te geven op de volgende vragen:
Gaat het om scholing of vorming?
Gaat het onderwijs altijd uit van bepaalde waarden?
Biedt pedagogiek verklaringen of juist inzicht?
Hoe wordt onze identiteit gevormd?
Wat is opvoeden eigenlijk?
3. Paul Wouters
In het Artikel van Paul Wouters (1997):
A. Filosofen stellen verschillende soorten vragen om inzicht te krijgen in de complexiteit van
de materie. De vragen kunnen we als volg karakteriseren:
o Specifieke vragen die worden gesteld: definities
o Het geheel: verzameling van perspectieven ten aanzien van de probleemstelling
o Vragen over methodiek: goede manier op kennis te verwerven over de vraagstelling
o Is de vraagstelling wel een probleem; vraagstelling in kaart brengen
B. Er zijn vijf domeinen die het begrip filosofie kunnen omvatten:
1. Kwesties die zo omvattend zijn dat ze ieder specialisme overstijgen.
In de pedagogiek:
o Zijn schaamte en schuld afhankelijk van de opvoeding of is dit in de nature
bepaald?
o Wat is tijd?
2. Diverse levensbeschouwelijke problemen die niet helder gearticuleerd zijn.
In de pedagogiek:
o Zijn huiselijke lijfstraffen redelijk?
o Wat is goede opvoeding?
Filosofie; de verschillende definities
Plato en Aristoteles:
o Filosofie is de radicalisering van de verwondering. Verwondering in het extreme
doorvoeren.
o Verwondering: stilstand in denken. Dit treedt op als de vertrouwdheid wegvalt.
o Niet verklaren, maar schouwen; methodisch en systematisch ordenen van de ervaring.
Kant
- Maakt een onderscheid tussen verstand en rede, filosofie als kritische houding.
(Verlichting; sapere aude: durf te denken);
o Verstand: vatten wat in de zintuigen in gegeven (middel om een doel te bereiken).
Rekenmachine.
o Rede: begrijpt wat in de zintuigen is gegeven (zoekt naar inzicht en begrip).
Wittgenstein:
- Filosofie is een strijd tegen de beheksing van ons verstand door de middelen van taal.
o Taal bepaalt hoe we denken. Legs of table vs. tafelpoten (tafelkleden).
o Filosofie: taalanalyse om taalgebruik te ontrafelen en aannames te ontmaskeren.
Overeenkomsten tussen de verschillende definities:
o Vraagtekens zetten bij dat wat vanzelfsprekend lijkt.
o Zeker wanneer een model of een visie op grenzen stuit.
o Dan kritisch naar de veronderstellingen kijken.
o Resultaat: redelijk verworven inzicht en begrip.
Filosofie en de vakwetenschappen
o Wetenschappelijke onderzoek naar intelligentie: is hersenvolume wel de manier om
intelligentie te meten? (opzoek naar het onderliggende).
o Wetenschappelijk onderzoek naar gehechtheid. (gaat uit van cultureel bepaalde
aannames.)
o Imperialisme van economische denkwijze. Kosten-baten analyse over allerlei
problemen. (gaat ervan uit dat mensen voor en nadelen lijstjes maken).
Vakwetenschappelijke vragen en filosofische vragen.
o Vakwetenschappelijk: stellen het onderliggende kader niet ter discussie
o Filosofische vragen doen dat wel.
Hoe worden filosofische vragen beantwoord?
o In kaart brengen van begrippenkader, helder analyseren, grotere verbanden leggen,
diverse perspectieven zien en het opsporen van vooronderstellingen;
o Maar het is moeilijk om de meest vanzelfsprekende vooronderstellingen op te
sporen. Nog moeilijker om deze ter discussie te stellen.
,Twee hoofdlijnen
1. Geschiedenis van de filosofie
2. Filosofische aspecten van de Pedagogiek
Geschiedenis van de filosofie in drie tijdvakken
o Oudheid en Middeleeuwen; ware werkelijkheid in stabiele universele en kenbare
principes. (wel of geen abortus-> heilige schrift)
o Moderne tijd; waarheid moet je niet buiten je zelf zoeken; die ligt in jezelf. (wel of
geen abortus-> zelf beargumenteren)
o Hedendaagse tijd: wat waar is hangt af van het perspectief en wordt voor een
belangrijk deel bepaald door niet te beheersen krachten en machten.
Oudheid en middeleeuwen:
o Oudheid:
o Socrates, Plato en Aristoteles
o Een ware rationeel inzichtelijke orde.
o Middeleeuwen:
o Augustinus en Thomas van Aquino
o Een absolute bovennatuurlijke orde.
Moderne tijd:
o De mens staat centraal (subject).
o Descartes, Hume, Kant en Rousseau; de wending naar het subject.
Hedendaagse tijd
o Decentrering van het subject; de mens wordt bepaald door niet te beheersen krachten
en machten.
o Satre en Foucault (vrijheid en dwang)
o Freud en Lacan (autonomie)
o Levinas (de ander)
o Ricoeur (verantwoordelijkheid)
Filosofische aspecten van de pedagogiek
o Gaat het om scholing of vorming?
o Gaat onderwijs altijd uit van bepaalde waarden?
o Biedt pedagogiek verklaringen of juist inzicht?
o Hoe wordt onze identiteit gevormd?
o Wat is opvoeden eigenlijk?
Het belang van een correct argument:
Een argument moet voldoen aan bepaalde voorwaarden:
o Eerste voorwaarde: er is een claim en er zijn gronden en die gronden passen bij een
claim. Bewering met onderbouwing.
o Argumentatie moet logisch kloppen.
, o De waarheid van de argumentatie; gronden moeten feiten zijn.
ZSO 1- X
Belangrijke informatie teksten
Een deskundige leerkracht (eigentijds)… (kennis)
1. Heeft kennis verworven over de wereld; d.m.v.. kennis over de ander; didactische en
pedagogische kennis, zelfbetrokkenheid en het steeds vernieuwen van de kennis.
2. Handelt correct; laat zich laat zich inhoudelijk, didactisch en pedagogisch leiden door
kennis. Verder is gezag belangrijk; leerkracht distantieert zich van leerlingen die niet over
deze deskundigheid beschikken. Het gezag is gebaseerd op de kennis van zaken; niet-
deskundigen zijn afhankelijk van de leerkracht.
3. Heeft naast een onderwijskundige taak ook een pedagogische of opvoedkundige opdracht;
waarden en normen enzovoort.
4. Droomt ervan dat het leerkrachtenberoep wordt geprofessionaliseerd.
Voor de leerkracht-als-meester (oneigentijds)…
1. Staat zorg centraal; de wereld wordt opgevat als datgene wat om zorg vraagt. (Zo heeft
een docent Nederland zorg voor de taal). Hierbij komen de aspecten respect, overgave en
passie samen (=liefde voor het vak).
Respect voor de aard van de zaak waarbij de meester zich overgeeft en wordt
begeesterd door zijn/haar vak.
2. Is de relatie tot het zelf belangrijk waarbij er sprake is van reflexiviteit en
zelfbetrokkenheid. Er zijn verschillende soorten reflexiviteit:
a. Herinnering; het verleden wordt gezien als drager van de waarheid en
dit moet aangezet worden door een herinnering.
b. Methode: het zoeken van een permanent criterium waarop waarheid
georganiseerd kan worden. Dit past bij de leerkracht als deskundige.
c. Meditatie; een oefening waarin na wordt gegaan of het denken en doen
overeenstemt met elkaar en dit probeert na te streven.
De basishouding in de meesterschap is verder gericht op:
Belichaamd weten: in meesterschap wordt kennis belichaamd; geen automatisme of
routine. De meester gaat helemaal op in datgene waarmee hij bezig is.
Perfectie: heeft te maken met juistheid in de vorm van gepastheid. Dit hangt af van de
aard van de situatie en gaat dus verder dan de criteria die opgesteld worden en of het
antwoord correct is. Hiervoor moet je dus aanwezig zijn (meditatie).
In de film Le Fils is een pedagogische wending: de leerling blijkt de moordenaar van de zoon
van de leerkracht. Hierbij wordt in de tekst in gegaan op de lichtheid van het opvoeden.
Zwaartekracht staat voor het feit dat daden uit het verleden opgeheven kunnen worden, zodat
er lichtheid is voor iets nieuws. Verder wordt de werkelijkheid in een nieuw licht geplaatst en
wordt de geest verlicht. Ten slotte verwijst lichtheid naar de manier van opvoeden; gewoonlijk
en tussen de regels door.
, Opdrachten
2. Filosofie en pedagogiek
A. Ik zou de vraag “Wat is filosofie?” als volgt beantwoorden:
Filosofie is een kritische houding waarbij achter vanzelfsprekende veronderstellingen
binnen het leven vraagtekens worden gezet om zo buiten de grenzen van een model te
treden en inzicht en begrip te krijgen door niet alleen het gebruiken van het verstand,
maar ook de rede. Er wordt een stapje achteruit gedaan.
B. Een pedagoog zou het volgende aan filosofie kunnen hebben:
- Door terug te gaan naar waar bepaalde opvoedingstechnieken zijn ontstaan en wat
hier de reden voor was, kan hier kritisch naar worden gekeken vanuit het huidige
tijdperk. Hiermee kan worden vooruit gegaan in de opvoeding. Je kijkt in je
achteruitspiegel om veilig vooruit te kunnen gaan.
- Door onderliggende kaders ter discussie te stellen kom je achter bepaalde
aannames. Binnen de pedagogiek kan dit helpen bij bepaalde theorieën; zo gaat de
gehechtheidstheorie uit van bepaalde culturele aannames.
- Door kritisch te kijken naar de pedagogiek kan er geprobeerd worden om
antwoord te geven op de volgende vragen:
Gaat het om scholing of vorming?
Gaat het onderwijs altijd uit van bepaalde waarden?
Biedt pedagogiek verklaringen of juist inzicht?
Hoe wordt onze identiteit gevormd?
Wat is opvoeden eigenlijk?
3. Paul Wouters
In het Artikel van Paul Wouters (1997):
A. Filosofen stellen verschillende soorten vragen om inzicht te krijgen in de complexiteit van
de materie. De vragen kunnen we als volg karakteriseren:
o Specifieke vragen die worden gesteld: definities
o Het geheel: verzameling van perspectieven ten aanzien van de probleemstelling
o Vragen over methodiek: goede manier op kennis te verwerven over de vraagstelling
o Is de vraagstelling wel een probleem; vraagstelling in kaart brengen
B. Er zijn vijf domeinen die het begrip filosofie kunnen omvatten:
1. Kwesties die zo omvattend zijn dat ze ieder specialisme overstijgen.
In de pedagogiek:
o Zijn schaamte en schuld afhankelijk van de opvoeding of is dit in de nature
bepaald?
o Wat is tijd?
2. Diverse levensbeschouwelijke problemen die niet helder gearticuleerd zijn.
In de pedagogiek:
o Zijn huiselijke lijfstraffen redelijk?
o Wat is goede opvoeding?