Karlijn Soppe
Bronnen van informatie:
- Intuïtie
- Ervaring
- Autoriteit
- Wetenschap
Kenmerken wetenschappelijk onderzoek:
- Empirisch = gebaseerd op systematische waarnemingen
- Controleerbaar = peer review (gecontroleerd door andere experts onderling)
- Probabilistisch = je observeert iets wat in de grotere wereld niet de waarheid is
(tegenovergestelde deterministisch)
Theorie = het geheel van denkbeelden, hypothesen en verklaringen die in onderlinge
samenhang worden beschreven.
De theorie data-cyclus:
Een idee of theorie is een startpunt -> specifieke onderzoeksvragen -> hoe willen we dit
onderzoeken/ onderzoek ontwerp -> concrete verwachtingen/ hypothesen -> data
verzameling -> data-analyse -> resultaat: ondersteunende data leidt tot versterking van de
theorie/ niet-ondersteunende data leidt tot herziening van de theorie of een verbeterd
onderzoek ontwerp -> publicatie
Kenmerken van een goede wetenschappelijke theorie:
- Ondersteund door data (uit wetenschappelijk onderzoek)
- Falsifieerbaar (theorie moet weerlegd worden a.d.h.v. verzamelde gegevens)
- Spaarzaam (als een eenvoudige theorie volstaat, is het niet nodig om deze
complexer te maken.)
Onderzoeksvragen binnen een wetenschappelijk onderzoek:
1. Fundamenteel = op zoek naar nieuwe informatie
2. Toegepast = evalueren van kennis
3. (Translational = mix van fundamenteel en toegepast)
Kwantitatief onderzoek = cijfermatige data
Kwalitatief onderzoek = alles wat je kan bevragen of beweren en alles wat dus niet
cijfermatig is.
,BIJV:
1. Studenten vragen naar de ervaringen met online lessen -> kwalitatief onderzoek
want ervaringen.
2. Vragenlijst invullen over de tevredenheid met het aanbod van online lessen ->
kwantitatief want ‘’in hoeverre vragen’’
Inleiding kwalitatief onderzoek
Voornaamste doel kwalitatief onderzoek:
- Sociale fenomenen begrijpen vanuit hun natuurlijke context
- Empirische patronen vinden
- Startpunt zijn voor theorievorming -> ontwikkeling nieuwe theorie en aanpassing
of uitbreiding van bestaande theorie.
Kenmerken kwalitatief onderzoek:
- Natuurlijke omgeving van de respondent staat centraal
- De onderzoeker heeft contextuele benadering (= een theorie die er om draait dat
we verbonden zijn met mensen)
- Het perspectief van de respondenten staat centraal
- Via specifieke observaties probeert de onderzoeker de sociale werkelijkheid te
omschrijven in al haar diversiteit en naar algemeenheden te zoeken die nieuwe
theorieën vormen of bestaande theorieën aanpassen = inductie
Holistische benadering = vanuit alle mogelijke invalshoeken
Inductie = via specifieke observaties probeert de onderzoeker de sociale werkelijkheid te
omschrijven.
Een onderzoeksvraag van een kwalitatief onderzoek is te herkennen aan de volgende
elementen: SPICE
- Setting -> waar en in welke context?
- Perspective/ population -> wie?
- Interest -> wat?
- (Comparison -> vergelijken met wie/ wat) (kan hetzelfde zijn als S)
- Evaluation -> met welk resultaat? Waar is de onderzoeker in geïnteresseerd?
,College 2
Kwalitatief interview (= een gesprek waarin de interviewer vragen stelt over de motieven,
ideeën, ervaringen, etc. van de geïnterviewde over een sociaal fenomeen) of focusgroep (=
een interview met een groep mensen waarbij de onderzoeker geïnteresseerd is in de
interactie tussen de respondenten).
Als je geïnteresseerd bent in de diepte van de respondent en hun belevingswereld en
motieven is een interview of focusgroep passend. Bij een focusgroep is de onderzoeker vaak
geïnteresseerd in de interactie tussen de respondenten.
De geïnterviewde is informant (= mensen met een bepaalde expertise) of respondent.
Bij een focusgroep is:
- Er interactie tussen de deelnemers. Hierin is vooral de onderzoeker
geïnteresseerd. Dit maakt anonimiteit en vertrouwelijkheid lastiger te
waarborgen.
- Het onderwerp meer specifiek
- De interviewer de moderator (= een gespecialiseerde interviewer die goed let
op gezichtsuitdrukking etc.) De moderator stelt vragen van de onderzoeker,
zorgt ervoor dat het gesprek niet te veel afdwaalt en zorgt ervoor dat
iedereen de kans heeft om deel te nemen aan het gesprek.
Bij het kwalitatief interview is de onderzoeker nadrukkelijk aanwezig bij de dataverzameling.
De interviewer kan de rol van participant of buitenstaander aannemen. Bij de participant
probeert de interviewer een band te scheppen met de respondent. Bij de buitenstaander zal
de interviewer meer op afstand zijn en geen band scheppen met de respondent.
Soorten interviews:
Bij wie worden data verzameld?
, Steekproef = en subgroep uit de populatie waaruit de data wordt vermeld.
Populatie = de complete groep mensen waarover je informatie wilt krijgen. Alle mensen
waarin je geïnteresseerd bent. Maar je hebt niet zoveel tijd en geld om hun te bevragen dus
-> steekproef.
Hoe worden mensen (in onderzoek noemen we die ook wel subjecten) voor een steekproef
geselecteerd?
Globaal gezien kan dit op twee verschillende manieren:
1. De subjecten worden geheel willekeurig (op toeval basis) uit de populatie getrokken.
In dit geval spreken we van een aselecte steekproef.
2. Er is geen sprake van willekeur of toeval basis; óf de onderzoekers óf de subjecten
maken deel uit van het selectieproces. In dit geval spreken we van een selecte
steekproef.
Participanten kunnen op verschillende manieren geselecteerd worden. Dit kan door
bijvoorbeeld:
- Participanten die eenvoudig bereikbaar zijn
- Participanten die al een groep vormen
- Participanten die voldoen aan specifieke vereisten/ voorwaarden
(= doelgerichte steekproef)
Bij een doelgerichte steekproef zijn twee termen van belang:
- Case study logic -> de onderzoeker gaat op zoek naar specifieke individuen
die belangrijke informatie kunnen geven. Elk specifiek verhaal is waardevol en
draagt bij aan een beter begrip.
- Sample for range -> de onderzoeker gaat op zoek naar een zo breed
mogelijke scala aan ervaringen.
Andere steekproeven:
- Gemaksteekproef = de onderzoeker is op zoek naar participanten die
eenvoudig te bereiken zijn – dichtbij in afstand, sociale media of mensen die
bereid zijn om te werken.
- Quota steekproef = een gemaksteekproef met een voorwaarde voor
aantallen binnen groepen. Bij een quotasteekproef stelt de onderzoeker van
tevoren vast hoeveel respondenten met specifieke kenmerken opgenomen