Sociologie = de wetenschap die zich richt op hoe mensen vormgeven aan de samenleving. De
studie van de maatschappij en haar interne verhoudingen, processen en structuren. Hoe een
samenleving is ingevuld en hoe we met elkaar samenleven.
Richt zich op de interactie en ontwikkeling van maatschappelijke structuren en hoe deze
macrostructuren de organisatie van ons sociale leven vormgeven.
H 12, 14 en 15 geen tentamenstof!
Socius = medemens
Logos = leer
Sociologie is bedacht door Comté a.d.h.v. de verlichting. Voor de sociologie werd de
samenleving vooral beschreven door filosofen. Het positivisme van Comté ontstond toen.
- Dit zijn regels van natuurwetenschap toepassen en daardoor bepaalde
regelmatigheden of wetten die begrip geven.
- Empirisme wordt uitgangspunt van de sociologie
- Wetenschap is objectief
Interpretatieve benadering
- Het onderwerp van de sociale wetenschappen betreft de mens en haar gedrag, wat
niet te vangen is in wetten
- Een sociaal wetenschapper verhoudt zich anders tot zijn onderzoeksobject dan een
natuurwetenschapper.
-
Twee dominante benaderingen die elkaar aanvullen:
1.Positivistisch = de werkelijkheid kunnen we waarnemen en meten met indicatoren.
2.Interpretatief = het verklaren van sociale fenomenendoor het begrijpen van de alledaagse
gecontextualiseerde werkelijkheid.
Sociologische theorie = een verzameling van concepten en uitspraken over relaties
daartussen, waarmee de patronen en processen in de samenleving worden begrepen.
Een theorie geeft antwoord op wetenschappelijke vragen over empirische sociale
fenomenen.
Gebruik van theorie:
Vraag -> theoretisch antwoord (klopt wel of niet) -> onderzoek naar het theoretische
antwoord -> nieuwe vraag.
De theorie stimuleert ons om vragen te stellen en nieuwe perspectieven aan te nemen.
College 2
Denkers voorafgaand aan Marx:
- Hobbes (1588-1679): ‘’mensen zijn hebzuchtig en de een bezit meer dan de ander.’’
, - Locke (1632-1704): ‘’positiever mensbeeld; rationeel eigenbelang zal een positieve
uitwerking hebben op het individueel welzijn en op de samenleving als geheel.’’
- Smith (1723 – 1790): ‘’bij vrije markten zou de economie toenemen.’’ Hierdoor
ontstaat arbeidsdeling. Daardoor wordt het product veel efficiënter gemaakt. Smith
gaat er vanuit dat arbeidsdeling zorgt voor hogere welvaart.
Marx legde de nadruk op ongelijkheid. De welvaart neemt wellicht toe, maar niet in gelijke
mate voor iedereen. Sterker nog: het daalt voor de arbeidersklasse. Marx legde als een van
de eerste niet de nadruk op de groeiende welvaart, maar op de ongelijkheid die hierdoor
ontstaat.
Friedrich Engels was een belangrijke grondlegger van de boeken van Marx. Hij was een
belangrijke denker die samen werkte met Marx. Hij zette Marx aan om de economische
theorie te bestuderen.
De theorie: Het historisch materialisme;
Veranderingen in de wijze waarop in het bestaan wordt voorzien, verklaren de loop van de
geschiedenis. Dus materialisme is de wijze waarop we onze voorzieningen produceren in de
samenleving en het historische is de manier hoe we veranderen in deze wijzen. Dus er was
een productiewijze met een bepaald systeem en dat verklaart de loop van de geschiedenis.
Groeiende ongelijkheid door het kapitalisme:
- Kapitaalbezitters (de bourgeoisie) bezitten de productiemiddelen. Hun doel is het
maken van winsten, want het systeem vraagt dit van hen.
- De arbeidskrachten produceren goederen (en diensten) maar krijgen slecht betaald.
Zij vormen het proletariaat en worden uitgebuit, waardoor een alsmaar grotere
ongelijkheid ontstaat door het kapitalistische systeem.
Wet van de kapitalistische accumulatie;
De rijken worden rijker, de armen worden armer
Waarom betalen kapitaalbezitters zo weinig?
Het systeem maakt dat ze uit zijn op zo hoog mogelijke winsten. Daarvoor is het zaak de
productiekosten zo laag mogelijk te houden. Ze kunnen dwang uitoefenen door
arbeidskrachten te vervangen voor arbeiders die zelfs minder accepteren of door machines.
Revolutie; het ontstaan van een communistisch systeem.
Marx is niet tegen het idee van werken, maar hij is tegen de manier waarop er in het
kapitalistische systeem vorming aan wordt gegeven.
Werk louter als gebruikerswaarde:
Commodificatie van werk = kapitaalbezitters betalen lonen (ruil-waarde van arbeid) maar de kapita
gebruik-waarde is hoger. Het verschil daartussen is de ‘surplus-waarde’ welke de winsten van lisme
de kapitaalbezitters vormen.
Het systeem appelleert aan vrijheid, geluk van geld en consumptie vindt Marx.